Zou het nog wel nuttig zijn om te doen wat de bovenstaande titel zegt.?
Is het niet veel beter om altijd maar naar ons zelf te zien en ons niet met een ander te bemoeien.?
Dat is zeer zeker wel nodig, máár, er is ook nog een ánder toezicht op elkander, namelijk opletten dat niemand verachtere van de genade.
Hiermede wordt bedoeld, dat wij, zodra wij zien dat iemand verzwakt in zijn geloof, hem of haar zullen helpen.
Dit is nu het werk van elke dienaar en van elk lid.
Nadat de Apostel in Hebreen 12 het eerst geschreven heeft over het nut van de kastijding, vermaant hij daarna om de trage handen en de slappe knieën weder op te richten en om rechte paden te maken voor de voeten, en, voorál om de vrede na te jagen zonder welke niemand de Heer zal zien.
Eveneens vermaant hij om toe te zien dat niemand verachtere van de genade Gods.
De blijdschap en de vreugde in het werk der genade wordt steeds weer vermengd met de vrees voor het verval.
In de gemeente van de eerste eeuw was die vrees zeer zeker gegrond, want, er waren er velen die niet heilig wandelden en daardoor bij anderen ergernis opwekten, waardoor een wortel der bitterheid opsproot en beroering maakte.
De grote vreugde van de Galatiëers waarmede zij, volgens Galaten 4:15 het Evangelie hadden ontvangen, veranderde toen onheilige mensen die grote vreugde kwamen verstoren. Galaten 3:1; Galaten 4:17.
Apostel Paulus schrijft aan Timotheus,
dat:
"sommigen schipbreuk geleden hebben in het geloof" 1 Timotheus 1:19,20, en:
"sommigen die van het geloof zijn afgeweken". 1 Timotheus 6:21, en:
"dat allen, die in Azië waren, zich van hem hadden afgewend."
2 Timotheus 1:15.
Verder schrijft hij over hen:
"die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende dat de
opstanding reeds geschied is, en verkeren het geloof van sommigen."
2 Timotheus 2:18.
Hij schrijft in 2 Timotheus 4:10 van Demas, dat deze de tegenwoordige wereld lief gekregen heeft, en, hij klaagt in 2 Timotheus 4:16, dat "allen hem verlaten hebben", bij zijn eerste verantwoording.
De apostel Petrus schrijft in 2 Petrus 2 over de afvalligen en vergelijkt die dan bij een hond die terugkeert tot zijn uitbraaksel en bij het zwijn, dat, ná gewassen te zijn, zich weder in het slijk wentelt.
Oók in onzen tijd zien wij, dat sommigen, die in de geest zijn begonnen, in het vlees eindigen.
Dáárom is er ook voor óns geschreven dat wij op elkander moeten toezien dat wij niet verachteren in de genade, want: "die staat, zie toe dat hij niet valle."
Verachteren van de genade Gods, dat wil zeggen, vervallen van de heerlijke rijkdom, het bezit van, en het in- en door de Heiligen Geest worden geleid.
Droef is de toestand van verachtering en niet minder droef zijn de gevolgen van die toestand.
Verachteren van de genade Gods wil zeggen: geestelijk steeds armer worden, armer worden aan licht, aan troost, aan kracht, aan vreugde.
De mens, die verachtert van de genade Gods, die was voorheen rijk; voorheen was hij in levensgemeenschap met God, dóór de Heiligen Geest die in hem woonde, maar gaandeweg vervalt en verdort hij.
Uiterlijk is hij nog wel de mens die hij voorheen was, maar innerlijk is hij bezig om te versterven, want, de geestelijke levenssappen drogen op.
Wanneer apostel Paulus dit verval bij de gemeente bemerkt, dan probeert hij ze weder op te wekken om te komen tot de eerste liefde en ze zo te behoeden voor het verval.
Hij doet dit door Woord en Gebed, en, zegt daarvan in Galaten 4:19: "Mijne kinderkens, die ik wederom arbeid te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge."
Judas spreekt van mensen als van bomen, in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven. Vrs.12.
Aandoenlijk is de klacht die door Micha is uitgesproken in Micha 7:1, over de geestelijke toestand van Israel: "Ai mij.! want ik ben als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld, als wanneer de nalezingen in de wijnoogst zijn geschied, daar is geen druif om te eten, mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht."
Heeft U, die dit leest, wel eens een boom gezien die beladen was met vruchten en waarvan de takken door het gewicht van die vruchten gebogen waren.? En, heeft u diezelfde boom ook gezien nadat de vruchten geplukt waren.?
Dit was dan wel een trieste aanblik.
Een geweldig woord lezen wij in Psalm 106:15: "Toen gaf Hij hun hunne begeerte, maar Hij zond aan hunne zielen een magerheid."
Tegen de gemeente te Efeze sprak de Heer in Openbaring 2:4,5: "Ik heb tegen u dat gij uw eerste liefde hebt verlaten", en, daarop volgt dan: "bekeer u, en zo niet, Ik zal uwen kandelaar van zijne plaats weren."
De Heer vermaant hier tot bekering, éér het te laat is.
Wat kan nu toch de oorzaak zijn, dat de ziel lijkt op zo'n geplukte boom of op een stoppelveld waarvan de oogst is ingezameld.?
In verband met dit onderwerp kunnen wij het antwoord vinden in Hebreeën 12:15: "Dat niet enige wortel der bitterheid opwaarts spruitende, beroering make, en door dezelve velen verontreinigd worden."
En, daarop volgt dan een heenwijzing naar Ezau, die, om een spijze, het recht van zijn eerstgeboorte weggaf' om de begeerte zijns vlezes te bevredigen, en daarmede de zegen voor hem en zijn zaad verwierp.
De Heilige Schrift geeft ons zeer veel voorbeelden waaruit wij kunnen opmerken dat vele mensen om kleine, natuurlijke zaken, de eeuwige heilsgoederen versmaden.
Het volk van Israel werd in de woestijn telkens weer verzocht omdat het steeds weer de voldoening van de vleselijke lusten begeerde. 1Korinthe 10:6-12.
Het gevolg hiervan was echter, dat in 40 jaar tijds, 600000 mannen, behalve de vrouwen en de kinderen, hun graf in de woestijn vonden.
Welk een oceaan van leed hebben de vaderen aan hun nageslacht berokkend doordat zij er niet op toe zagen om elkander te vermanen en op des Heren Woord te letten.
Apostel Jacobus zegt in Jacobus 1:15: "De begeerte ontvangen hebbende, baart zonde."
Het geweten, dat overtuigd is van zonde, moet tot berouw komen, máár, het is er meestal veel te hoogmoedig voor, en, er worden allerlei vijgebladeren gezocht en óók gevonden, om de naaktheid te bedekken.
Dáárom moeten wij in de eerste plaats toezien op onszelf, opdat wij ons niet verhovaardigen wanneer wij gezondigd hebben, en, wij moeten toezien op anderen wanneer deze zondigen, en, in broederlijke liefde proberen om hen van hun zwakheden te overtuigen.
Wij moeten vooral letten op de verkoeling in de liefde bij anderen, zodat wij door onze liefde hun koude harten weer kunnen verwarmen.
Waar liefde woont, daar gebied de Heer Zijn zegen en daar is dan geen vrees voor het verachteren in de genade.
De oorzaak van het verachteren kan ook liggen in het niet bewandelen van de rechten weg.
In Hebreeën 12:1 wordt aan een ieder aanbevolen om de loopbaan te lopen die ons door Christus is voorgesteld; wij zoeken die loopbaan echter wel eens ergens anders, dan waar zij is.
In Filip. 3:18 zegt Paulus dat velen anders wandelen, waarvan hij wenende sprak dat zij vijanden waren om het kruis de Heer na te dragen.
Ach, velen hebben een verkeerde weg ingeslagen, soms wel bewust, eerst een weinig, maar daarna ging het steeds verder en verder totdat zij geheel, waren afgedwaald.
Er is wel moed voor nodig om een ander te vermanen, maar, wanneer de broederlijke liefde ons daartoe drijft, dan is het een aangenaam en Gode welgevallig werk.
De Heer spoort ons meerdere malen aan om elkander lief te hebben en niet, zoals eens een Kain te zeggen: "Ben ik mijns broeders hoeder?"
Wij leven nu in een tijd waarvan de Heer Zélf gezegd heeft: "En, omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden." Mattheus 24:12.
De haat en de vijandschap onder de mensen neemt dag bij dag nog meer toe en wij, die in de wereld leven, lopen gevaar om ook door deze tijdgeest meegevoerd of beïnvloed te worden.
Daarom hebben wij elkander zo zeer nodig om de vrede na te jagen en de heiligmaking opdat wij, wanneer de Heer komt, Hem zullen zien.
De Gemeente is één lichaam, waarvan wij de leden zijn, en, zo daar één lid lijdt, dan lijdt het gehele lichaam, en, zo daar één lid verheerlijkt wordt, dan wordt ook het gehele lichaam verheerlijkt.
In de oude tijden zongen de kinderen Gods reeds: "Zie, hoe goed, hoe lieflijk is het dat broeders ook tesamen wonen." Psalm 133.
Van de broederlijke liefde moet een reuk uitgaan naar buiten, waardoor de mensen die in de wereld leven en die liefde niet kennen, in bekoring komen.
Wanneer één lid lijdt, dan moet dit door het gehele lichaam gedragen worden, en, wanneer één lid zich onttrekt of misdraagt, dan moeten wij hem vermanen en voor hem bidden.
Het moet, zo mogelijk, verhindert worden dat hij verachtert.
Dit kan door ambtelijke waakzaamheid, maar ook door tucht geschieden, maar ook de gemeente moet hierin behulpzaam zijn.
De verachtering hoeft dus niet te liggen bij de achterblijvende zélf, maar zij kan ook bij de gemeente liggen, de gemeente, in wier schoot wij allen zijn opgenomen.
Zien wij niet op elkander toe, dán is er bij ons verachtering aanwezig.
Menigeen heeft wroeging en beweent de verloren vreugde en weet geen weg meer om weer tot die blijdschap te komen, maar dán hebben zij, die de blijdschap van de Heiligen Geest smaken, een heerlijke taak.
Om weer te komen tot de verloren genade is er slechts één weg, en dát is de weg van schuldbelijdenis. Alleen daardoor komt er weer een levende aanraking met de Heer, Die het Ambt der Verzoening in Zijn Kerk heeft gesteld. 2 Korinthe 5:20.
De gezanten des Heren bidden de gemeente: "Laat u met God verzoenen, want Christus is voor u gestorven."
En Hij, Die Zijn toezicht over ons niet laat glippen, ook niet als wij Hem bedroeven, komt dóór Zijn Geest onze zwakheden te hulp en bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. Romeinen 8:26.
Dán zijn de vertroostingen van de Heiligen Geest door Ambten en Gaven, ook weer voor ons en tot ons gesproken; dán wordt de dorstige ziel gedrenkt aan de levensstromen uit de fonteinen des heils.
Op déze wijze kunnen wij op elkander toezien met liefde en ontferming en een edele zorg voor elkander hebben.
"De Heer zag dat zij zich pijnigden om het schip voort te krijgen". Markus 6:48.
Eénmaal wordt die broederliefde beloond, als Hij komt, en, mag het nú voor Zijn volk een bange en moeilijke tijd zijn, Hij komt, Hij komt, en wandelt reeds langs de operuide golven.
De Heer, die op Zijn worstelend volk toeziet, blijft het vertroosten en bemoedigen door Zijn Geest, die Geest, die is als het geruis van het levende water.