DE

GEESTELIJKE STEENROTS

DIE VOLGDE:

1 Korinthe 10:4

Wanneer wij de beide brieven van Apostel Paulus aan de Korinthieërs lezen, dan treft het ons, hoeveel verkeerde toestanden deze dienaar des Heren in die gemeente moest bestrijden.

Tevens ontdekken wij, hoe juist de naam "Wedergeboorte" door de Heer Jezus gekozen is, wanneer Hij spreekt over het werk des Geestes in en aan het hart van mensen die nog niet tot de Here God gericht zijn.

Evenals de natuurlijke geboorte het begin is van, het natuurlijke leven, zo is de wedergeboorte het begin van het geestelijke leven, nml. HET BEGIN.

Alle begin gaat langzaam en moeilijk; hoe lang duurt het wel niet eerdat onze kinderen zelfstandige mensen zijn geworden.!

En, hóe lang duurt het dikwijls niet, eer de wedergeboren mens een manlijke gestalte in Christus verkregen heeft.

Soms zou men wel eens aan de geestelijke wasdom gaan twijfelen.

De Galatiëers b.v. bleven zó lang in hun groei staan, dat Paulus moest arbeiden om ze wederom te baren, totdat Christus een gestalte in hen zou krijgen. Galaten 4:19.

En, in de gemeente te Korinthe konden de leden de vaste spijze nog niet verdragen, nadat zij reeds zó lang gevolgd hadden, dat men redelijkerwijs mocht verwachten dat ze steviger kost konden verdragen. 1 Korinthe 3:1,2.

De gebreken in de gemeente te Korinthe waren van tweeërlei aard, namelijk: geestelijk én vleselijk.

De geestelijke tekortkomingen bestonden uit wijsheid, die niet van- of uit God was, in betweterij, in partijschap, in slordigheid ten opzichte van het Heilige.

De vleselijke gebreken waren van een grof-zinnelijke aard, zodat er zelfs een daad geschied was die ook bij de heidenen ongewoon zou zijn. 1 Korinthe 5:1.

En, het ergste was nog, dat de Gemeente in het algemeen, dit nog niet eens zó erg vond.

In plaats van zich diep te schamen over zulke toestanden, roemde men er nog op dat het in hun gemeente beter was dan in andere gemeenten.

Verder was er weinig offervaardigheid zodat de arme Macedoniërs aan hen als een beschamend voorbeeld voor ogen werden gesteld. 2 Korinthe 11:9 en 8:1-5.

Er zijn zeer zeker wel redenen te vinden waardoor nu juist déze Gemeente geen sierlijke parel aan de kroon van de Here God was, die, hoewel rijk versierd met geestelijke gaven, zo weinig vruchten des Geestes opleverde.

We moeten hier dus wél onderscheid maken tussen de GAVENen de VRUCHTEN des Geestes.!

De vruchten vinden wij opgetekend in Galaten 5:22: Liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.

De gave kennen wij als: het woord der wijsheid, het woord der kennis, het geloof, de gave der gezondmaking, de werkingen der krachten, de profetie, met inbegrip van visioenen en dromen, de onderscheidingen der geesten, menigerlei talen en uitlegging der talen. 1 Korinthe 12:8-10.

De gaven schenkt de Heilige Geest gelijk Hij wil; maar de vruchten mag de Heer verwachten van ieder wedegeborene door water en Geest.

Welke redenen waren er nu als verontschuldiging aan te voeren.?

Ter verontschuldiging.? Eigenlijk niets.! want, dan zou er geen schuld zijn.!

Welke redenen dan die tot een milder oordeel zouden kunnen leiden.?

Voor een Rechtbank spreken wij dan van verzachtende omstandigheden.

Nu, deze waren er wél te vinden.!

De Korinthieërs hadden, als heidenen, in een zeer zedeloze stad geleefd; deze stad was in de oude tijden berucht, want, een vrouw van verdachte zeden werd toen bij voorbeeld "een Korinthische meid" genoemd.

Bij toneelvoorstellingen was een Korinthische boemelaar een bekend typetje; en, wanneer men zich uitgelaten vermaakte, dan vierde men feest op "zijn Korinthisch".

De bevolking van Korinthe telde ten tijde van apostel Paulus omstreeks 800000 zielen, waarvan ongeveer de helft bestond uit slaven en vrijgelaten slaven die voor een groot deel in deze grote handelsstad als bootwerkers grof geld verdienden en het weer even gemakkelijk lieten rollen als ze het ontvingen.

Er was geen eenheid in levenswijze omdat de bevolking uit allerlei vreemde bestanddelen was samengesteld.

Zó kunnen wij nog wel meer oorzaken kunnen opnoemen, maar, als laatste willen wij nog vermelden, dat de diensten ter ere van de godin Afrodite, die in een schatrijk tempeltje vereerd werd, gepaard gingen met het plegen van ontucht.

We willen niet vergeten dat de lichamelijke oefeningen in Korinthe in hoog aanzien stonden omdat er veel aan sort werd gedaan, en, wij weten uit onze dagen maar al te goed, welke wrange vruchten een eenzijdig sportleven op levert.

Men hield onder andere de Isthmische spelen die wel niet zo beroemd waren als de Olympische, maar toch zeer geliefd waren, en, waarbij het ging om de eer van het spel en waarvan de prijs bestond uit een krans van dennegroen.

Deze, en meerdere gegevens, kan men vinden in het deeltje van de serie: "Tekst en Uitleg, Paulus brieven aan de Korinthieërs.".

Uit de bevolking van deze stad was dus de Gemeente van Christus samengesteld.

Dat wij dus enkele trekken van de verschillende bevolkingsgroepen in de gemeente terugvinden, dat spreekt dus vanzelf, en, hierin schuilt dan ook de verzachtende omstandigheid, die wij hiervoren bedoelden.

Maar, wij zeiden het reeds, wij mogen als kinderen Gods, niet van verzachtende omstandigheden, van een goed praten van wat er tegen de voorschriften van de Goddelijke leer indruist, spreken.

Dáárom bestrijdt apostel Paulus dan ook zeer krachtig het slappe toegeven aan het verkeerde.

Hij wil ook déze Gemeente zien als een Gemeente zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, en, dáárom moest de gedachte uitgeroeid worden dat men, als Christenen die de Heilige Geest ontvangen hadden, het doel reeds bereikt had.

Zij moesten bedenken, dat de Here God véél eisen zou van allen, die véél ontvangen hadden.!

De leden van de Gemeente te Korinthe moesten beseffen dat ze wedergeboren waren en dus in een nieuwe gestalte moesten opwassen; dat Christus in hen een gestalte moest verkrijgen.

Met andere woorden: dat zij het Beeld van de hemelsen reeds een weinig moesten tonen; dat zij Christus moesten aandoen; en dat zij Zijn deugden zouden verkondigen; dat hun woord en wandel de heidenen zouden overtuigen van de heiligheid Gods; een heiligheid, die van Zijn wedergeboren kinderen moest afstralen.

De apostel Paulus moest dus toen al bestrijden datgene waartegen wij óók strijden moeten, namelijk de gedachte: "wij zijn verzegeld, en dus...zijn wij er, het doel is bereikt.!"

Welk een jammerlijk zelfbedrog is zulk een gedachte, en, dat opbaart zich wel heel duidelijk bij het lezen van deze beide door Paulus aan deze gemeente geschreven brieven.

Wij vragen daarom: "Kan zoiets gevonden worden bij mensen die de Heilige Geest ontvangen hebben.?" .

Laten wij de hand voor de mond houden en liever overgaan tot zelf onderzoek, in plaats van met stenen naar deze gemeente uit de oudheid te smijten; want de waarschuwing van apostel Paulus kan ook in onze tijd zeer nuttig zijn.

In Hoofdstuk 9, de verzen 24-27, wijst de apostel op de grote zelfopoffering, in onze tijd noemt men dat "trainen", die de kampspelers zich zelf oplegden om de begeerde prijs te behalen.

De strijders bij de hedendaagse Olympische Spelen leggen zichzelf ook zulke grote opofferingen/zware training, op en onthouden zich van alles waardoor hun lichaamskracht kan worden verzwakt.

En, dat alles voor de eer der mensen, voor een kroon, die verwelken gaat.!

Ons wacht echter een andere kroon.!

Ons wacht een beter lot dan de eer van ijdele mensen.!

Bedenken wij dat wel steeds.?

Zo ja, dán moeten óók wij ons offeren, want het leven van een kind van God zal op het brandofferaltaar geofferd moeten worden.!

Het leven in Christus, eist zelfdoding; het ten óndergaan van het éigen ik en van de vleselijke begeerten.

Wíj moeten mínder worden, maar Christus' gestalte moet in ons toenemen.

Daarvoor zal dus een strijd gestreden moeten worden in onze leden; wie deze strijd echter ontlopen wil, zal trachten om voorwendsels te zoeken.

Hij zal zichzelf voorhouden, dat wij niet meer onder de Wet, maar onder het Evangelie leven, alsof het Evangelie niet nog véél hoger eisen aan ons stelt dan de Wet van Israel.!

O, hóe kan men, met Bijbelse uitdrukkingen, zichzelf wel niet misleiden.!

Paulus was voor zichzelf ook niet toegevend, want hij zegt: "Ik bedwing mijn lichaam en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet enigszins, dat ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worden."

En, nú wijst hij in hoofdstuk 10 op het Oude volk dat van Zijn God zoveel weldaden ontving, en, waar niet één kind van Israel van uitgesloten was van de zegeningen Gods: ALLEN zijn zij uitgered, door de zee gegaan; ALLEN werden zij beschut en geleid door de Wolk- en Vuurkolom; ALLEN werden zij in Mozes gedoopt, dat wil zeggen, met Mozes verbonden door deze tekenen; ALLEN aten het manna uit de Hemel en ALLEN dronken het water uit de rots.

Israel was dus een gezegend volk, een natie, die meer dan elke andere, buitengewone weldaden ontving.

En, wíe bereikten het doel van de reis.?

Van allen, die uit Egypte togen en die ouder waren dan 20 jaren, waren dat slechts Jozua en Kaleb.

Van Kaleb lezen wij: "Omdat in hem een andere geest was." (Numeri 14:24): "Maar in het merendeel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ternedergeslagen. En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs zij lust gehad hebben."

Wie wijs is, die spiegelt zich aan dit voorbeeld.

Ook wíj genieten voorrechten bóven andere Christenen.

Geestelijke spijze en drank valt ons ruimschoots ten deel.

De Geestelijke Steenrots volgt ook ons op onze woestijnreis.

"En de Steenrots was Christus".

Een wonderlijke tekst, hóe moeten wij deze nu verstaan.?

De beschrijving van de uittocht uit Egypte levert vele moeilijkheden op door de omstandigheid dat de plaatsen, in de Bijbel genoemd, óf verdwenen zijn, óf in de loop der tijden een andere naam gekregen hebben, zodat men zich moeilijk een juiste voorstelling kan vormen.

Zo bestaat er onder de uitleggers zelfs verschil van mening of er, voor het volk in de woestijn één of twéémaal op wonderbare wijze water uit een rots gevloeid is. Exodus 17:6 en Numeri 20:8.

Er is een Joods verhaal, dat vermeld dat de rots van het Twistwater, evenals de Wolk- en Vuurkolom met het leger meetrok, zodat er steeds water was.

Hierin zien sommige uitleggers de grond voor de uitdrukking van apostel Paulus: "Want zij dronken uit de geestelijke steenrots die volgde."

Wij geloven echter niet dat apostel Paulus hier zinspeelt op een fabel, maar dat hij de wonderbare spijziging en drenking vergeestelijkt.

Hij noemt het manna immers geestelijke spijze en het water uit de rots geestelijke drank, niet alleen omdat beiden op een wonderlijke wijze verkregen werden, maar veeleer omdat hij daar een voorafschaduwing in zag van hetgeen Christus aan Zijn volk zou schenken op de reis door de woestijn van het geestelijke Egypte, het land der geestelijke duisternis om zo het Kanaän der ruste tegemoet te gaan.

Het Heilig Avondmaal is in de wonderlijke verzorging van het Oude Volk voorafgeschaduwd; het zag op de Christus, de Steenrots.

Maar, hoe dan te verklaren dat de: "steenrots volgde"?

In Exodus 23:2023, is er sprake van een Engel in Wiens binnenste Gods Naam, dus Zijn wezen, is.

Deze zou het volk leiden en men zou Hem eerbiedig behandelen, omdat Hij zelfs de macht had om zonden te vergeven.

Hierin zien wij de Grote Engel des Verbonds afgebeeld, een voorafgaande verschijning van het Woord, dat éénmaal Vlees zou worden.

Hij verzorgde het volk en droeg het in Zijn liefde; en, wanneer het volk Hem zou gehoorzamen, zo lezen wij, dan zou Hij het in het Beloofde Land invoeren.

Wij weten, hoe halsstarrig het volk steeds was, met het droevige gevolg, dat, op twéé uitzonderingen na, alle, zélfs Mozes en Aäron, in de woestijn gevallen zijn.

Zo ontslaan de veelvuldige zegeningen die wij, als volk des Heren, genieten, ons niet van de plicht om onze Overste Leidsman en Voleinder des geloofs stipt te gehoorzamen.

Want zalig kunnen we alleen worden, wanneer wij Zijn Woord horen, en het DOEN.!

Massa en Meriba hebben onder ons een slechte klank, en, terecht; verzoeking en twist zijn zaken die onder Gods kinderen niet mogen voorkomen.

Vertrouwen in Zijn Almacht mag de Heer van ons eisen.

Wanneer er noden van geestelijke aard mogen ontstaan, want, er MOETEN, let wel MOETEN, nu eenmaal ergernissen komen, dan zullen wij niet twisten, niet met God, niet met de dienstknechten, niet met de broeders en zusters, maar ons vertrouwen zal zijn in dien liefdevolle Aanvoerder, in Wien Gods Naam is, in de Heer der Kerk, die haar liefgehad heeft en gekocht heeft met Zijn bloed, die haar nóg liefheeft en haar, wanneer zij Hem gehoorzaam volgt, in de hemelse rust zal binnenleiden.

MARAN-ATHA,

de Heer komt.!