MIJN RECHTER IS GOD.

Onder de geloofshelden die ons in het Oude Verbond worden beschreven, mogen wij zeer zeker ook Daniel rekenen, en, wanneer wij over hem lezen en zijn geschiedenis nagaan, dan zal in de eerste plaats zijn geloofsleven onze bewondering afdwingen, maar, daarnaast zal het ons een behoefte zijn om hem in zúlk een geloof na te volgen.

Zeker, de Here God geeft ons in de Bijbel vele geloofshelden te zien en een ieder van hen heeft ons persoonlijk wel iets te zeggen.

Wij hoeven slechts te verwijzen naar het bekende hoofdstuk 11 in de brief aan de Hebreeers om ons te overtuigen, dat daarin helden worden getoond door wier geloof wij niet anders dan ons kunnen laten bezielen.

Hóe spreken daarin tot ons niet een Abel, Henoch, Noach, Abraham en diens huisvrouw Sara en dan Izaäk, Jacob, Jozef, Mozes, Gideon en de richteren, een Samuel en de profeten; en grote reeks van geloofs pioniers. Hoe konden zij niet, door de grootheid en de krachtdadige werking van hun geloof, lijden en strijden.!

Oók het Nieuwe Verbond en de Kerkgeschiedenis vertonen ons eveneens een reeks van mannen die ons laten zien wat “geloof” vermag.

Al dezen ondergaan bespottingen en geselingen, de één zús, de ánder zó; er zijn er die gestenigd werden, weer anderen werden in de gevangenis geworpen of levend verbrand.

Maar, wát er ook met hen gebeurde, zij stonden pal in hun geloof dat hun door de vreselijkste martelingen niet kon worden ontnomen. En, nu vragen wij ons eerst eens af: “Is dat met óns óók zó?”

Bezitten wij ook die onoverwinbare geloofskracht.? Staan wij óók pal.?

Wij, die al klagen wanneer het brood ons wat karig wordt toebedeeld,en die reeds uit ons humeur raken wanneer de minste of geringste tegenslag ons treft, of wanneer het regent terwijl wij de zon verwachten.?

Maar wij keren terug naar Hebreeen 11 in welk hoofdstuk de verzen 33b en 34a ons onmiddellijk doen denken aan de geloofsheld Daniel.

Over hem willen wij schrijven, en wel, in het bijzonder zoals hij aan ons wordt voorgesteld in de geschiedenis van Daniel in de leeuwenkuil.  

Wie zou er zijn, die dit Bijbelgedeelte niet kent.?

Nietwaar, wij weten het allemaal: Daniel, op aandrang van de oversten van de koning Darius, in de leeuwenkuil geworpen zijnde, kwam daar, door des Heren genade, zónder ook maar énig letsel uit te voorschijn: “dewijl hij in zijnen God geloofd had.”Daniel 6:24b.

Daniel had Gode gegeven wat Gode was en aan de Koning wat des Konings was.

En, zónder tegenspraak is dít de wáre geloofsuiting waardoor wij alleen welbehaaglijk voor de Here God kunnen zijn.

In Daniels geloof komt dit wel zeer uitdrukkelijk naar voren.Wij onderkennen in deze geschiedenis ten eerste, hóe het geloof van Daniel op de proef word gesteld.

Vervolgens vinden wij de standvastigheid van Daniel in zijn geloof, en tenslotte dat Daniel mag genieten van de triomf van zijn geloof.

Moge deze korte overdenking ons allen tot zegen worden en ons bij vernieuwing doen pleiten op des Heren genade door het geloof in onze Here Jezus Christus, want, uit genade zijn wij zalig geworden, door het geloof, dat niet uit óns is, maar een gave Gods.

De profeet Daniel was tijdens de veldtocht van Nebukadnezar, die hij in het derde jaar van de koning Jojakim tegen Jeruzalem ondernam, met andere jongelingen die, óf van koninklijke bloede ware, óf tot de adelstand behoorden, op zeer jeugdige leeftijd uit Juda naar Babel weggevoerd.

Zijn aankomst te Babel vond plaats omstreeks het vierde jaar van de regering van koning Jojakim,in het eerste jaar van Nebukadnezar alleenheerschappij, (606 jaar v.Chr.), dús, in hetzelfde jaar van hetwelk Jeremia 25 de 70 jaren van de Babylonische monarchie rekent.

Daniel werd aan het heidense hof van Nebukadnezar onderwezen en opgevoed, maar, ofschoon hij een balling en een vreemdeling was, klom hij in aanzien steeds hoger op, niettegenstaande zijn standvastigheid in het geloof der vaderen.

Zo gaat dus de geschiedenis van Daniel verder en wordt hij ouder en ouder.

Het Babylonische Rijk gaat over op het rijk van de Meden en Perzen, waarover Darius, die, zoals wij kunnen lezen, een verstandig man was, als Koning regeerde.

Daniel was een eerlijk en trouw dienaar, en Darius, die zeer met hem ingenomen was, vond hierin de aanleiding om Daniel aan te stellen als hoogste vorst over 120 stadhouders, hetgeen, zoals dat meer in dergelijke omstandigheden gaat, de haat en de jalousie van deze 120 stadhouders opwekte.

Het gevolg hiervan was, dat zij een komplot smeedden om te trachten om Daniel uit de gunst van de koning te verbannen; daarvoor stelden zij spionnen aan die de gangen van Daniel moesten nagaan.

Deze spionnen keerden echter zonder enig resultaat terug, want, zo staat er: “Zij konden geen gelegenheid, noch misdaad vinden, dewijl Daniel getrouw was en geen vergrijp noch misdaad in hem gevonden werd.”

Wát een getuigenis om zoiets te lezen en wát een voorbeeld om na te volgen.!

Maar nu beramen Daniëls tegenstanders een ánder plan om hem in zijn geloof te treffen.

Zij gaan naar de Koning en weten deze, door vleierij, er toe te bewegen om een bevelschrift uit te vaardigen dat een ieder, die binnen 30 dagen een verzoek zal doen aan God of énig mens, behalve aan de Koning, in de kuil der leeuwen geworpen zal worden.

Zodra Daniel hoort dat dit bevelschrift is uitgevaardigd, gaat hij naar huis en, met de vensters van zijn opperzaal in de richting van Jeruzalem geopend, werp hij zich driemaal per dag op de knieën en aanbidt en looft zijn God, juist zoals hij vroeger gewoon was, want Daniel “geloofde” en zijn geloof gaf hem de getrouwheid om zijn God te dienen.

De keuze tussen de gunst van de Koning, of het bidden tot God, is voor hem niet moeilijk; beiden tegelijk dienen kan hij niet, en Daniel toont ons zijn geloof daarin, dat hij bereidt is om dit met zijn dood te bezegelen.

Zijn geloof eist van hem dat hij zich verzet tegen alles wat niet voor God is en dát brengt hij nu in praktijk, ook al zou hij daardoor de gunst van de koning verliezen.Vóórdat wij nu de geschiedenis van Daniel vervolgen, blijven wij eerst eens bij ons eigen leven staan.

Worden ook wij niet dikwijls, zij het dan ook in een geheel ándere zin, voor de keuze gesteld: God óf...?       

Beginnende de dag de Here God in onze gebeden aan te roepen, zou het toch eigenlijk niet mogelijk moeten zijn dat wij diezélfde dag al weer God verloochenen door het toegeven aan de vele verleidingen die de wereld ons biedt.?

Wij weten toch maar al te goed, en, wij hebben het bij ondervinding, dat de wereld er op uit is om, ondanks schone beloften en leuzen, ons ontrouw te doen zijn aan de Here God en het geloof in Jezus Christus.?        

Al laten wij ons dan ook slechts heimelijk en steels met de wereld in, dán maakt de vorst der wereld het ons zo gemakkelijk mogelijk want hij fluistert immers: “Wáárom kunt gij bij uw godsvrucht geen ruim geweten hebben.?”, terwijl hij in zichzelf lacht want de boze houdt van niemand anders dan van zichzelf.

Hij laat u gerust uw psalmen zingen want hij weet immers toch wel hoe dezulken die maar één handbreedte aan hem toegeven, het ééns zijn met de 120 stadhouders van Darius, die hij in zijn macht heeft.

Daniel, die ten tijde van deze geschiedenis 90 jaar oud was, typeert ons de Gemeente van Christus, die, als de belichaamde consciëntie, het kwaad durft te weerstaan.

Zo trouw, rechtvaardig, eerlijk en standvastig als Daniel, moet de Gemeente des Heren zijn in de aan haar opgedragen taak.

Daniel was gehaat om zijn onkreukbare eerlijkheid en getrouwheid.

Wanneer hetzelfde lot de Gemeente des Heren treft, dan is dat een reden tot blijdschap, maar, die blijdschap zal nimmer haar deel zijn als niet een ieder lid zich daarvoor zelf met al zijn vermogen inzet.

Alleen dáárom moet in de éérste plaats onze dagelijkse bede zijn: “Heer, vermeerder in ons de kracht des geloofs opdat wij élke verleiding van de boze kunnen weerstaan.”

Wij zagen, dat Daniel zich volkomen bewust was van het gevaar waarin hij zich bevond, maar, dat hij, niettegenstaande dat alles, zijn knieën buigt voor het openstaande venster, en wel zó, dat zijn aangezicht gericht is naar Jeruzalem.

Jeruzalem, dat hij niet vergeet, Jeruzalem met de Tempel des Heren, waarnaar hij zijn handen uitstrekt om boete te doen voor het volk en voor zichzelf, maar, óók dat Jeruzalem waarnaar hij met een groot verlangen uitziet om verlossing.

Een heerlijk beeld, óók van het verwachtend uitzien van de Gemeente van Christus, naar het Hemelse Jeruzalem.

Zeker, Daniel had wel een middenweg kunnen bewandelen door zich binnenshuis achter gesloten vensters terug te trekken, en waarschijnlijk zou hij zich ook nog wel op een andere manier in veiligheid hebben kunnen stellen, maar, door zijn getrouwheid en standvastigheid in het geloof en zijn volle vertrouwen op de Here God, denkt hij er niet aan om zich op de een of andere arglistige wijze te onttrekken.

. De naam Daniel betekent: “Mijn rechter is God”. Zonder enige schroom stelt Daniel zich voor zijn Rechter, want ziet, hóe hij bidtMaar, zijn vijanden liggen op de loer en vervuld van haat en jaloezie wordt hij door hen begluurd.

Zij zien dat hij bidt en verheugen zich er op dat zij nu een reden gevonden hebben om hem te kunnen aanbrengen bij de koning.

“O, Koning, Daniel, één van de Joodse ballingen, stoort zich niet aan u en ook niet aan het door u ondertekende verbod. Hij blijft bidden, driemaal per dag. Denk er aan, o, Koning, het is een wet van Meden en Perzen dat geen enkel verbod of besluit dat door de Koning is uitgevaardigd, kan worden herroepen".

De Koning, die nu in grote verlegenheid geraakt, verzint allerlei middelen om Daniel te redden, en, tot zonsondergang aan toe, stelt hij alles om het werk om Daniel vrij te laten.         Maar de Koning bezwijkt, hij blijkt, door het aanhoudend aandringen van Daniels vijanden, niet standvastig genoeg en, ten einde raad laat hij zijn gunsteling Daniel aan het oordeel van de levende God, van Daniels God, want hij zegt: “Uw God, dien gij geduriglijk eert, die verlosse u!.”

En, evenals 5 eeuwen later in de Hof van Arimathea een steen voor een grafspelonk , waarin een dode ter ruste was gelegd, Die door  de wereld niet werd geëerd, zó wordt de leeuwekuil waar Daniel menselijkerwijs gesproken niet levend uit zal komen, gesloten met een steen die de Koning verzegelde met zijn eigen zegel, én met het zegel van de hovelingen zodat niemand iets tegen Daniel zou kunnen ondernemen.

De Koning Darius is terneergeslagen; aan de feestmaaltijd die gehouden wordt neemt hij geen deel;, wég is zijn vreugde en onrust vervult nu zijn hart.

Hóe zal het aflopen met Daniel.?

En eindelijk, als een lange, slapeloze nacht teneinde is en de dageraad begint te gloren, dán snelt hij angstig naar de leeuwekuil en roept het uit: “O, Daniel, gij knecht des levenden Gods, heeft ook uw God, Dien gij geduriglijk eert, u van de leeuwen kunnen verlossen.?”

Verwacht de Koning dan nú nog een antwoord.?

O, ja, vol vrees en ontzetting ziet hij toe, als verwacht hij nog een ontkoming voor Daniel.En dán, hóór, boven alles uit klinkt daar dan de stem van Daniel: “O, Koning, leef in eeuwigheid; Mijn God heeft Zijn Engel gezonden en Hij heeft de muil der leeuwen toegesloten dat zij mij niet beschadigd hebben omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is.”

Opnieuw verplaatsen wij ons 5 eeuwen later, in de Hof van Arimathea en gedenken, hoe dáár op de Paasmorgen, in alle grootheid, in alle volkomenheid, onze Zaligmaker en Heiland, Jezus Christus, als de verheerlijkte Heer uit het graf verrees.

Koning Darius geeft nu onmiddellijk het bevel om de mannen te halen die Daniel hadden belasterd, en, om ze mét hun vrouwen en kinderen in de leeuwekuil te werpen.

En, zij hebben de bodem van de kuil nog niet eens bereikt of de leeuwen grijpen hen en kraken al hun beenderen stuk.

In letterlijke zin vinden wij nú niet meer zulke leeuwekuilen als in de tijd van Daniel, maar het schaduwbeeld dat wij er in mogen zien, blijft voor ons de toestand van gevaren die in de wereld verborgen ligt.

Wanneer verleidende machten in uren van aanvechting over ons komen, dan zijn wij een Daniel in de leeuwekuil. De leeuwen typeren de macht van de boze die immers ook rondgaat als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden; en, hoe dikwijls voelen wij die leeuwemuil niet dichtbij ons.

Was het niet dat de Here God Zijn Engel gezonden had in Jezus Christus, in Wien wij door genade mogen geloven, Die door Zijn Heiligen Geest ons steeds maar weer waarschuwt, dan zouden wij ook zeker door de boze gegrepen en vernield worden.

Maar, dóór en ín Hem, Die ons gewassen heeft in Zijn bloed, triomferen wij, want de briesende leeuw deinst terug voor Zijn macht, voor Zijn kruis en dan wordt zelfs de leeuwekuil ons tot heil want in het geloof zijn wij in die kuil van aangezicht tot aangezicht met de Engel des Verbonds geweest.

Laat dan de Here Jezus, Die in nood en dood onze Redder is, steeds uw en mijn toevlucht zijn, dan sluiten wij onze vensteren naar de kant van de wereld, het rijk der duisternis met zijn onreine en verderfelijke sfeer opdat wij met haar zonden geen gemeenschap hebben.

En wij doen dan als een Daniel: wij zoeken geen arglistige uitvluchten maar houden onze vensters wijd geopend gericht naar het Licht vanwaar wij Hem, onze Heiland en Verlosser verwachten, naar het Hemelse Jeruzalem, de stad Gods.

Ja, wij wagen het met die Sterke Held op Wien wij ons zelfs in de leeuwekuil kunnen verlaten en ons aller roem en blijheid in zúlk een geloof moge zich dan uiten in een eeuwige lof op de Overwinnaar, onze Zaligmaker, Jezus Christus. SdJ.78.