Iedere feestdag, en op de laatste zondag in september, wordt in alle gemeenten het Heilig Avondmaal voor de ontslapenen gehouden.
Voor ons, Apostolischen, is het een vertroosting dat wij mogen en kunnen geloven dat ook onze ontslapenen door middel van een levende broeder en zuster, het Heilig Avondmaal mogen ontvangen.
Niet voor een ieder onder ons, en zeker voor de jongeren niet, is dit even duidelijk en daarom willen wij trachten om bij dit leerstuk even stil te staan in de hoop dat het tot zegen en lering van de lezers mag zijn.
Onze tekst hebben wij genomen uit Romeinen 11:15, waar de Apostel Paulus zeer kernachtig zegt: "wat zal de aanneming van Israël anders wezen dan het leven uit de doden.?"
Uit de eeuwige dood heeft Christus een ieder die in Hem geloofd, tot het leven verwekt.
Deze lossing uit de dood wordt ons zeer duidelijk geleerd in de Heilige Schrift.
In het Oude Verbond worden, door de Wet, een drieërlei "lossing" bevolen.
Al de eerstgeborenen in Israël waren het eigendom des Heren. zie Exodus 13:2.
Als een volk onder de volkeren, groeide Israël op in Egypte en niemand zou hebben opgemerkt dat die slavenhorde het uitverkoren volk van God was, doch de Egyptenaren hebben dat terdege aan den lijve ondervonden.
De Here God noemde dat volk Zijn eerstgeboren zoon, Exodus 4:22,23, en Hij loste dat volk uit de dienstbaarheid met de dood van de eerstgeborenen van de Egyptenaren; daarom eiste Hij óók van Israël de eerstgeborenen. Exod.13:14,15.
Van de kinderen Israëls stonden altijd de eerstgeborenen voor het aangezicht des Heren in de Levieten die God uit hen genomen had.
Eigenlijk werden door hun verkiezing tot de dienst van de Here God, de eerstgeborenen van Israël gelost. Num.8:15-17.
Dóór de dienst Gods, werd Israël verlost van de zonden.
De eerstgeborenen moesten dus gelost worden, óók zelfs de onreine dieren en de prijs hiervoor was 5 sikkelen naar de sikkel des Heiligdoms. Numeri 18:15-17. Bovendien werd de eerstgeborene van de mensen gelost, óf met een lam, óf met een jonge duif, óf met twee tortelduiven óf met twee jonge duiven.
De lossing van het land.
Toen het volk van Israël in het land Kanaän kwam, ontving een ieder, door middel van het lot, zijn erfdeel.Ieder erfdeel werd als een heilig goed beschouwd omdat het van de Here God verkregen was.
Denken wij hierbij slechts eens aan het vaderlijk erfgoed van Naboth en aan het oordeel dat er over het huis van Achab kwam omdat hij dat erfdeel ontheiligde. 1 Koningen 21.
Wanneer nu iemand verarmde en de schuldeiser het erfgoed in bezit nam, dan moest een nabestaande als "losser" optreden en dat erfdeel weer terugkopen voor de rechthebbende.
Indien men geen losser had, dan kon hij in dienst treden bij de schuldeiser en zijn dienst als los-loon geven.Wanneer dát ook niet kon dan moest hij wachten tot het jubeljaar, want in dat jubeljaar werd hem zijn erfdeel teruggegeven zodat hij en zijn nageslacht niet geweerd zouden worden van de erve zijner vaderen. Leviticus 25:25-28.
De lossing van de kinderloze weduwe.
De weduwe die geen kinderen had, moest door de broer van de gestorven man gehuwd worden om voor zijn gestorven broer zaad te verwekken.
De eerstgeborene werd dan, om het zo te noemen, ingeschreven in de burgerlijke stand als zoon van de ontslapen man, zodat de naam van de gestorvene niet uitgeroeid werd in Israël en zijn vaderlijk erfdeel niet verdorven werd.
Deze regeling bestond al vóór de wet, zie Genesis 38, en de Here God bestendigde dit in Deuteronomium 25:5-10 (het zgn.leviraatshuwelijk; zwagershuwelijk).
De vervulling van het vorenstaande vinden wij onder andere in de geschiedenis van Boaz en Ruth.In Ruth 4:13-17, lezen wij echter dat de zoon die Ruth verkreeg, niet van Boaz noch van Ruth, maar de zoon van Naomi werd genoemd, waardoor dus Elimelech, de ontslapen man van Naomi, volgens de wet een zoon werd geboren.
Zó werd de naam van Elimelech levend over zijn erfdeel en in de geslachten van Israël.
De levende verwekte dus door de lossing het leven uit de dood.
Dit Leviraats-huwelijk zoals dit in Israël werd genoemd, bestond nog ten tijde van de omwandeling van de Here Jezus op aarde.
De Sadduceeërs, die niet in de opstanding der doden geloofden, dachten dat zij door deze wet de Heer konden strikken toen zij vroegen wie van de zeven mannen die de kinderloze weduwe had gehuwd, toch wel deze vrouw zou krijgen in de opstanding. Mattheus 22:23-28.
De lossing van de dode door een levende was eigenlijk al vastgelegd in het Paradijs, want toen heeft de Here God de zondaars Adam en Eva rokken van dierevellen gemaakt, en werd dit dier waarvan de vellen afkomstig waren, geofferd voor de zonden der mensen.
God had gezegd: "Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven."
Toen Adam en Eva gegeten hadden van de boom, toen moest dit vonnis worden voltrokken, máár, het dier loste hen zodat zij uitstel verkregen van de straf.
Dit dier, wiens bloed de losprijs was, verwierf het leven uit de dood voor de zondaar, die met zijn zondoffer tot het brandofferaltaar naderde.
Deze Goddelijke instelling was echter ook weer van tijdelijke aard want het zag op ""Het Lam Gods", dat de zonden der wereld dragen zou op Golgotha.
De losprijs was Zijn bloed, Zijn leven, dat Hij gaf voor het leven der wereld. Matth.20:28 e.a.p.
Sinds de oprichting van het verbond met Abraham, Izaäk en Jacob, zien wij de zegen van de ontslapenen overgaan op de levende nageslachten.
De kracht hiervan moeten wij niet in hoofdzaak zoeken bij de mensen, de ontslapenen, maar in het verbond; en, omdat de ontslapenen met wien de Here God het verbond oprichtte, trouw waren geweest aan dat verbond, spraken zij nog nádat zij gestorven waren.
Wij merken hierbij nog op, dat toen Mozes tot de Israëlieten moest gaan om hen uit Egypte te leiden, zijn kracht het was dat de Here God tot hem sprak: "Ik ben de God van Abraham, Izaäk en Jacob". Exodus 3.
Met deze naam wordt de Here God telkens en in ieder geslacht genoemd; de Here Jezus noemde óók deze naam om aan de Sadduceeërs te bewijzen dat God geen God der doden maar een God der levenden is, en Zich daarom telkens met dien naam liet noemen. Mattheus 22:31,32.
De zegen van Abraham, Izaäk en Jacob ging dus over op de kinderen.
Menigmaal spreekt de Heer in profetie, dat Hij is: "de God van Abraham, Izaäk en Jacob"; dat wil zeggen, "de trouwe verbonds God." die de zegen der vaderen, ook om de vaderen, op de kinderen brengen wil.
Mozes leidde het volk Israël en bracht ze aan de berg Sinaï waar het een priesterlijk volk werd omdat de Here God de stam Levi, als de eerstgeborene van het volk, eigende, en ze in Zijn dienst stelde.
Mozes was de Middelaar van het Oude Verbond, ziende op Christus als de Middelaar van het Nieuwe Verbond.
De Farizeeërs en Schriftgeleerden namen de Middelaar Christus niet aan, maar beriepen zich telkens weer op Mozes, en daarom sprak de Heer tot hen: "Meent niet dat Ik u verklagen zal bij de Vader, die u verklaagt is Mozes, op welke gij gehoopt hebt." Johannes 5:45.
De ontslapen Mozes klaagde de Israëlieten aan omdat zij ontrouw waren geworden aan zijn woord.
Door David werd Israël een koninklijk volk, want hij was de man naar Gods hart om Koning over Zijn volk te zijn.
Jerobeam scheurde tien stammen af van het huis Davids hoewel dat huis Gods eeuwige beloften had verkregen. 2 Samuël 7:10-16.
Eén stam zou echter het huis Davids blijven zodat David ten allen tijde een lamp voor zijn voet zou hebben. 1 Koningen 11:36.
Die lamp waren de beloften Gods die aan David gedaan waren en die lamp scheen vanuit het dodenrijk voor de levenden totdat de Christus kwam in wien het eeuwige koningschap opgesloten was.
Uit het vorenstaande hebben wij nu kunnen begrijpen hóe de zegen voor de levenden nauw verbonden was met de zegen der ontslapenen.
Dóór de Here Jezus gaat nu de zegen der levenden over op de ontslapenen want Hij is de Grote Losser, door Wiens leven de doden het leven ontvangen.
Hij ging in de gevangenis en predikte aan diegenen die reeds dood waren het Evangelie. 1 Petr. 3:19 en 4:6.
Hiervan had ook de profeet Jesaja in hoofdstuk 61:1 geprofeteerd.
Hij, de Levensvorst, heeft de sleutel der hel, dat wil zeggen van het dodenrijk, en van de dood, Openbaring 1:18, en door Hem is vervuld dát, wat in het Oude Verbond reeds zinnebeeld was.
De levende gemeente ontvangt de zaligheid door middelen.
Nicodemus, een leraar in Israël,gaat uit vrees voor de mensen, in de nacht naar de Heer, en hij begint Hem te prijzen, Johannes 3:1,2, de Heer gaat daar echter niet op in want Hij heeft een andere boodschap te brengen en zegt dan tegen Nicodemus: "Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij dat iemand wedergeboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet ingaan."
Dit wordt door Nicodemus niet begrepen en daarom verklaart de Heer Jezus dat de wedergeboorte moet geschieden door water en geest. (vs.5).
De Heer Jezus zegt daarbij niet, dat dat alleen voor de levenden geldt.!
De apostel Petrus voegt hier aan toe, dat het doopwater het tegenbeeld is van het water der zondvloed en ons tot behoud. 1 Petrus 3:12.
Wanneer de Heer aan de ontslapen gevangenen het Evangelie predikt, dan moeten zij ook wedergeboren worden door water en geest om het koninkrijk Gods te kunnen ingaan.
Zónder dit, is het onmogelijk om daaraan deel te hebben, zoals des Heren eigen woorden zeggen.
Zó is het nu ook met het gebruik van het Heilig Avondmaal; de Heer sprak, dat hij, die Zijn vlees en Zijn bloed niet eet en drinkt, géén deel aan Hem heeft. Johannes 6:51-55.
Willen de ontslapenen dus deel hebben aan Hem, en het leven in zich blijvende hebben, dan móeten zij ook het Heilig Avondmaal gebruiken.
Er zijn Christenen die de dingen zogenaamd ruimziend nemen en voor hen is het dan genoeg om alleen te geloven in het bloed van de Heer Jezus Christus.
Een zonderling geloof zeggen wij dan, omdat de Heer Jezus uitdrukkelijk het ontvangen van de sacramenten geboden heeft.
En, op grond van Gods Woord, moeten wij zeggen, dat zónder die sacramenten niemand deel kan hebben aan het Koninkrijk Gods.
Dus moeten ook de ontslapenen dat ontvangen.
Wel, dóor de levenden, die hen lossen, dat wil zeggen, voor de ontslapenen die naam verwekken opdat zij de aanneming tot kinderen krijgen, of wel het leven uit de dood; en daarom zegt de apostel Paulus, worden de levenden voor de doden gedoopt. 1 Korinthe 15:29.
Voor hen die niet geloven, blijft het Koninkrijk Gods een verborgenheid.Zij blijven zeer verre staan van de zaligheid.Maar wij geloven, dat de Levensvorst nog door de weg van de middelaar en/of plaatsvervanger de zaligheid der gestorvenen werkt, doordat de levenden voor de doden worden gedoopt.
Hiervan spreekt wel zeer duidelijk de wet op de lossing van de kinderloze weduwe.