Indien gij naar het vlees leeft,

zult gij sterven.

Romeinen 8:13.

Het leven van de Christen is een voortdurende strijd die hij, zijn gehele leven door, met alle schriftuurlijke krijgsmiddelen moet voeren als hij de overwinning wil behalen.

Steeds maar weer moet hij bidden: "Leid ons niet in verzoeking maar verlos ons van de boze.!"

Zolang als wij in het vlees leven, zal dat vlees zijn verzorging nodig hebben, en, dán komt telkens weer de vraag naar voren: "In hoeverre is de verzorging van het vlees onzondig, en, wanneer wij op zondig terrein komen, wáár ligt dan de grens.?"

De verzorging van het vlees is nodig, dat wil zeggen, het natuurlijke leven stelt zijn eisen die wij, zónder ons schade aan te doen, niet kunnen verwaarlozen.

In de Kerkgeschiedenis vinden wij voorbeelden van mensen die meenden dat zij God dienden door hun lichamen op een buitengewone manier te kwellen door zich alles wat genoegen kon verschaffen te ontzeggen en die daardoor, uitgeteerd tot op het gebeente, hun leven voortsleepten en hoopten om op deze manier de zaligheid te verkrijgen.

Het voorbeeld van de Here Jezus Zélf leert ons echter dat zulk een levenswijze met de wáre heiligheid niets te maken heeft, want Hij onttrok Zich niet aan het dagelijkse leven.

Hij nam uitnodigingen tot de maaltijd aan en nam zelfs deel aan een bruiloft.

De Wet van Mozes schreef, ter inwijding van de Grote Verzoendag, slechts één vastendag per jaar voor, maar de Farizeeërs vastten wekelijks twéé keer, terwijl zij de Heer uitscholden voor een vraat en wijnzuiper.

De Heer eiste dus niet van Zijn volgelingen dat zij zich aan het gezellige,dagelijkse leven zouden onttrekken, noch dat zij zich van allerlei spijze en drank zouden onthouden.

Alléén, deze zaken moesten geen levensdoel worden.!

"Werkt niet om de spijze die vergaat", zo roept de Heer in de Synagoge te Kapernaum de Joden toe.

De Heer bedoelde hiermede dat het doel van het leven niet uitsluitend op het stoffelijke gericht moest zijn; waarin Hij óók Zélf weer het voorbeeld gaf.

De Heer nam het leven zoals dat zich voordeed, zodat Hij er zelfs op wees dat de vossen holen hadden en de vogelen des hemels nesten, maar dat de Zoon des mensen zelfs geen steen had om het hoofd op neder te leggen.

Het natuurlijke leven stelt zijn eisen, en, wanneer wij daaraan voldoen dan vervullen wij een vanzelfsprekende plicht.

Maar, dát is dan ook NIET naar het vlees leven.! Naar het vlees leven, wil zeggen: alleen het natuurlijke leven tot doel van ons streven maken, of, zoals Romeinen 13:14 het zegt: "Verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden."

Welke zijn die begeerlijkheden.?

De Apostel noemt er enkele op: wandelen in brasserijen en dronkenschappen; in slaapkameren en ontuchtigheden; in twist en nijdigheid.

Dit zestal zou met een lange reeks vermeerderd kunnen worden, maar de kern ervan vinden wij er toch wel in vervat.

Wélk rechtschapen mens, het behoeft nog niet eens een godsdienstig mens te zijn, ziet niet met afkeer dat sommigen bij allerlei gelegenheden maar zwelgen.

Wie keert zich niet vol weerzin af wanneer hij een mens, geschapen naar Gods beeld, dronken ziet en in die dronkenschap allerlei onzin uitbraakt, ja, zelfs ijselijke vloeken uitbraakt terwijl hij voor zich en de zijnen de ondergang bereidt.?

Wie ergert zich niet, wanneer hij hoort dat gehuwde lieden hun huweljks-eed breken of dat ongehuwden hun krachten offeren op het schandaltaar van de ontucht.?

Wie zich aan dergelijke dingen overgeeft, die verzorgt het vlees tot begeerlijkheden en hun levensdoel is dan om zoveel mogelijk het dierlijke te bevredigen.

Tegenover deze zondige gedragingen stelt de Apostel iets geheel anders: "Laat ons als in de dag, eerbaar wandelen", en, "Doet aan de Here Jezus Christus." Romeinen 13:13,14.

Wat een hooggespannen voorbeeld; de Here Jezus Christus aandoen.!

Dat wil zeggen: ons gehele leven, dus óók het naar buiten zichtbare, moet de heiligheid van onze Heer en Heiland weerspiegelen, moet van Zijn Geest doortrokken zijn, opdat wij Zijn deugden verkondigen, de deugden van Hem, die ons geplaatst heeft in Zijn wonderbaar licht.

Dáárom zegt Paulus dan ook: "De nacht is voorbijgegaan en de dag is nabij gekomen,laat ons dan afleggen de werken der duisternis en aandoen de wapenen des licht." Vers 12.

Het Licht is het leven mét en ín Christus en de duisternis is het leven in de zonde.

Licht en duisternis sluiten elkander uit en dús kán het dienen van het vlees niet samengaan met het dienen van Christus; hier is géén verbroedering mogelijk.

"Wie niet vóór Mij is, die is tégen Mij", heeft de Heiland Zélf gezegd.

Hinken op twee gedachten is de Here niet welgevallig, men moet een afgesneden zaak maken, en, wanneer men dat niet doet, dan blijft men steeds een tobber, een krukkebeen op het pad des levens waarvan het einde zal zijn dat men het doel niet zal bereiken.

"Indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; de eeuwige dood wordt uw deel."

Wie met het wereldse gedoe niet breekt, die zal er steeds meer door worden verstrikt, want de spin weeft haar web en het vliegje denkt er een ogenblik in te kunnen rusten maar haar pootjes raken in dat web verward, en de giftige beet van de weefster van het web bedwelmd het vliegje zodat het niet meer weg kan vliegen.

Snel spint de weefster dan nog enige draden om haar slachtoffer heen waardoor deze prooi nu geheel weerloos is geworden.

Vinden wij in dit natuurverschijnsel niet het voorbeeld van zo menige verleiding.?

Men denkt dat men in een of ander gezelschap een ogenblik rust en verkwikking kan vinden; men ontkomt niet gemakkelijk aan de eerste kennismaking en wordt bedwelmd en dan is het einde de morele ondergang.

Ook híer geldt: "Wie staat, ziet toe dat hij niet valle."

Niemand kan denken: "mij overkomt zoiets niet, ik heb weerstand genoeg".

Dikwijls wordt er gevraagd of dit of dat verm aak geoorloofd is.

Máár, bewijst dit vragen op zichzelf dan reeds niet, dat de vrager er in zijn hart van overtuigd is dat hij iets verkeerds zoekt maar dat hij/zij geen kracht heeft om aan de verleiding weerstand te bieden.?

Wanneer nu een ander maar aan hem verzekert dat het voldoen aan zijn begeerte geen kwaad is, dan meent hij dat hij door dat antwoord de vrijheid heeft gekregen om aan zijn lusten te voldoen.

Wordt hij door de ander echter gewezen op het ongeoorloofde van zijn begeerte dan zal hij onbevredigd zijn en zich misschien tot weer een ander wenden van wie hij hoopt dat deze meer inschikkelijk zal zijn.

Hij zal vooral ook kijken naar datgene wat een ander doet,om,door hun voorbeeld, de vrijheid te vinden om ook zo te handelen.

Wie echter op deze manier handelt,die leeft niet volgens vaste beginselen en is,in de grond der zaak,geen overtuigd Christen; voor hem is het nog geen dag maar hij wandelt nog in de nacht,op zijn best in een vage schemering waarin geen vaste omtrekken zijn te onderscheiden.

Wij weten uit eigen ervaring wat het zeggen wil om in de wereld te verkeren.

Dit wordt dikwijls door onze betrekking, die wij bekleden om ons dagelijks brood te verdienen, met zich meegebracht.

De Heilige Schrift zegt hiervan, dat we wél IN de wereld, maar niet VAN de wereld zijn, dikwijls moeten wij omgaan met mensen waarmede wij het liefst niet willen verkeren.

Reeds Paulus zegt hiervan,in 1 Korinthe 5:9,10,wanneer hij bevolen heeft om te breken met de hoereerders in de Gemeente: "Doch niet geheellijk met de hoereerders dezer wereld of met de gierigaards of met de rovers of met de afgodendienaars.? Want anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan."

Apostel Paulus houdt dus wel degelijk rekening met de eisen van de praktijk.

Máár, wanneer wij nu met zulke goddeloze lieden verkeren moeten, hóe zullen wij ons dan gedragen.?

Zullen wij dan met hem mede zondigen, óf een verkeerde toepassing maken van het woord van de Heer: "Als zij u dwingen om één mijl met hen te gaan,gaat dan twéé mijlen?"

Nee, in zúlk een omgeving zullen wij ons principe moeten handhaven en de Heer niet verloochenen, maar een voorbeeld moeten zijn.

Men zal ons dan wél bespotten en belachen, maar, en ook dát weet ik uit eigen ervaring, men kan ook eerbied afdwingen en tot zegen zijn.!

Wanneer in een goddeloze omgeving,waarin wij dagelijks moeten verkeren om ons dagelijks brood te verdienen, de verleider tot ons komt,toon dan,van het eerste ogenblik af aan,dat gij de boze wederstaat.

Onverschrokken,niet met vrome woorden die in zulk een kring toch geen weerklank vinden,maar beslist en dán zal het woord van Jacobus worden vervuld: "Wederstaat de boze en hij zal van u vlieden."

Het eerste optreden is meestal beslissend, maar, begint men met toe te geven, denk dan eens aan het vliegje in het spinneweb.!

Toen Mozes het volk van Israël tot aan de grenzen van het Beloofde Land had gevoerd, sprak de Heer in Numeri 33:52-55: "Gij zult alle inwoners des lands voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven; ook zult gij alle hun gegoten beelden verderven en alle hun hoogten verdelgen. Maar,indien gij de inwoners des lands niet zult voor uw aangezicht verdrijven,zo zal het geschieden,dat,die gij van hen zult laten overblijven,tot doornen zullen zijn in uwe ogen en tot prikkelen in uwe zijden en zullen u benauwen op het land waarin gij woont."

Wij weten,hoe er gedeeltelijk aan dit gebod is voldaan, maar ook van de ellende die daardoor is ontstaan. Want, moesten de Profeten dan soms niet klagen dat Israël nóg zwáárder zondigde dan de volkeren rondom hen, en, vroeg een Godsgezant niet of men onder de heidenen een ontrouw vond, gróter dan de ontrouw onder het uitverkoren volk.? De straffen konden toen niet uitblijven.!

En,was er in de gemeente te Korinthe dan geen zonde,zoals men die onder de heidenen niet vond.? 1 Korinthe 5:1.

Zulke toestanden ontstaan niet meteen,maar ze worden geboren daardat men niet geheel breekt met het verkeerde,dán wint het kwade ongemerkt meer en meer veld en is men bezweken eer dat men dat weet.

Wil dit artikeltje nu alle levensvreugde verbieden.?

Wil dit artikel aansporen om aan onze kinderen alle vermaak te ontzeggen en ze,als oude mannetjes en vrouwtjes te laten opgroeien.?

De Here Jezus zag met innerlijke vreugde neer op het spelen van de kinderen wanneer zij bruiloftje of begrafenisje speelden. Mattheüs 11:17.

De strenge, zwaarmoedige Prediker zegt: "Verblijdt u, o jongeling, in uw jeugd en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap en wandel in de wegen uws harten en in de aanschouwing uwer ogen."

Krijgen de jongelingen hier nu in zekere zin een vrijbrief om nu maar te doen wat hun hart hun ingeeft en wat de zinnen streelt.?

Neen.! Want, lees nu verder: "Maar wéét, dat God u om alle dingen u zal doen komen voor het gericht." Prediker 11:9.

En hoofdstuk 12:1 zegt ons: "En gedenk uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschap."

De Prediker besluit zijn boek: "Van alles wat gehoord is, is het einde van de zak: Vreest God en houdt Zijne geboden want dit betaamt alle mensen, want God zal ieder werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is,hetzij goed,hetzij kwaad."

Hier vinden wij nu een praktische les.!

Het goede,dat het leven ons biedt,mogen wij gerust genieten,máár,bij álles zullen wij moeten gedenken aan de geboden des Heren.! Dáárom zullen deze geboden bij de kinderen moeten worden ingeprent, en, wat van véél méér nut is: de ouders zullen het voorbeeld, dat hun leven geleid wordt door de beginselen van Gods Woord, moeten geven.

Daarmede wordt de levensvreugde niet veroordeeld, want ook in onze gezinnen mag een blijde lach weerklinken; geestigheden zijn niet verboden en scherts is geoorloofd, maar schunnigheden, dubbelzinnigheden en het zich vermaken ten koste van anderen, zal niet worden toegestaan.

De Apostel leert in Fil.4:8: "Al wat liefelijk is en wel luidt, zal bedacht worden", en, in Efeze 4:29: "geen vuile rede ga uit uwen mond."

Het verblijven in een wérkelijk Christelijk gezin, is iets kostelijks dat zelfs op ongelovigen een aantrekkende werking kan uitoefenen; en, in dat opzicht hebben de moeders en vrouwen een mooie taak. Zij immers in het bijzonder, zijn het die de huiselijke atmosfeer rein moeten houden en, als zij in een verwarde tijd als de onze, haar eigen aard weten te bewaren en het vrouwelijke niet opofferen aan de gelijkvormigheid met de wereld, daar zullen zij in het gezin een stille, maar o zo krachtige werking tonen te bezitten tot heil van de kinderen en van allen die met zulk een gezin in aanraking komen.

Ook voor de meisjes en vrouwen is de tijd waarin wij nú leven,vol gevaren, want de maatschappelijke verhoudingen dwingen haar dikwijls om zich in een werkkring buiten het gezin te begeven waardoor er aan haar strikken en lagen gelegd worden.

Zij zullen zich echter moeten houden aan de geboden des Heren en alle wereld gelijkvormigheid trachten te vermijden; het is veel flinker om zich een Christin te betonen dan met de ongelovigen mee te doen, en, waarmee men dan de eerste stappen zet op een gevaarlijke weg waarvan het einde niet altijd te zien, maar wel met zekerheid te vermoeden is.

Naar het vlees leven, brengt de geestelijke dood met zich mede, zo zegt de Apostel die wél in een lang voorbijgegane tijd leefde, maar wiens woord ook voor onze dagen nog dezelfde volle betekenis heeft als toen het werd geschreven.

Dit is nu juist het bijzondere van de Heilige Schrift,namelijk,dat zij geldig is voor álle tijden,want,al zijn de omstandigheden door de loop der eeuwen wel eens gewijzigd, het eigenlijke, de kern der dingen, is meestal gelijk gebleven.

Herkennen wij, in dát, wat de Bijbel beschrijft, niet heel dikwijls ons eigen beeld en dat van de onzen.?

Dáárom is het goed om met dat Boek rekening te houden, want nóg geldt het woord in 1 Johannes 2:17: "De wereld gaat voorbij met hare begeerlijkheid, maar, die de wil Gods doet, blijft in eeuwigheid."

"Er zijn, twijfel er nooit aan, twee soorten van genot, die niet te verenigen zijn: gij kunt hier op aarde niet de genoegens der wereld smaken en daarná met Christus regeren." Een citaat uit: De navolging Christi.

Maran-atha, de Heer komt.!