HET HEILIGDOM IN DE HEMEL
(Hebr.9:ll,12)
De eeuwige dingen, waarvan God in Zijn Woord ons openbaringen geeft, zijn steeds in beelden aan het aardse leven ontleend, om daarin ons denken te hulp te komen en ons iets van de eeuwige dingen te doen verstaan.
De apostel Paulus heeft een hemels visioen gezien, hij is opgetrokken geweest in de derde hemel en dat feit is voor hem zó wonderlijk, dat hij daarvan zegt: of het in het lichaam geschied zij weet ik niet, of buiten het lichaam weet ik niet God weet het! Maar hij is opgetrokken geweest in de Geest, eerst in de derde hemel en daarna in een plaats, die door hem het Paradijs wordt genoemd.
En, als hij daarvan mededeling wil doen in menselijke taal, dan kan hij geen woorden vinden om daarin zijn gedachten uit te drukken en belijdt hij zijn onmacht, om dat te kunnen doen. Hij zegt dan ook, dat hij de woorden gehoord heeft, die onuitsprekelijk zijn, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken (2Cor.12:2-4). De koningin van Scheba, uit Arabië, heeft een verre reis uit het Zuiden naar Jeruzalem ondernomen, om koning Salomo in het paleis zijner heerlijkheid te zien en zijn rijkdom en glorie te aanschouwen, waarvan het gerucht tot haar in Scheba was doorgedrongen.
Maar als zij in Jeruzalem is aangekomen en haar bezoek aan het hof van Salomo brengt, en met eigen ogen die glans en die schittering aanschouwt, dan is zij overweldigd in de geest en roept het in verrukking uit: "De helft ervan is mij niet aangezegd!"
Bij het lezen van die treffende en leerrijke historie, denken wij aan het woord van de Heiland, als Hij dit feit in herinnering brengt: "Meer dan Salomo is hier".
Dan ligt de toepassing voor de hand, dat wij, als wij de grote Koning Jezus Christus in Zijn heerlijkheid aanschouwen zullen in het Jeruzalem, dat boven is, en dat eens uit de hemel op de aarde zal nederdalen, dan in nog sterker mate zullen uitroepen: "De helft is mij niet aangezegd, ja, veel minder dan de helft."
Van die heerlijkheid des hemels, die alle aardse pracht en praal verre te boven gaat, geldt het woord van de apostel, dat wij bij de overdenking van deze dingen zo menigmaal uitroepen: "Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart der mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft, dien die Hem liefhebben."
En dan volgt daarna het apostolische woord: "Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest, want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods."
Op de vraag van Jezus' discipelen, bij het horen van de gelijkenis van de zaaier: "Waarom spreekt Gij tot hen door gelijkenissen, antwoordt de Heer hen: "Omdat het u gegeven is de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven. Want wie heeft "dien" zal gegeven worden, en hij zal overvloed hebben, maar wie niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft."
Dit vonnis wordt voltrokken aan zo velen, die Jezus en de Wet des Geestes des Levens niet gehoorzaam zijn!
De Paulus-hymne van hetgeen des mensen oog en oor en hart nog niet gesmaakt heeft, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben, doelt in de eerste plaats op de openbaringen, die God aan Zijn volk geeft van de hogere waarheid en de hemelse wijsheid, die een mens nooit van zichzelf verkrijgen kan,doch alleen door de openbaring van boven ontvangen wordt.
Daarom wordt in de H.Schrift gesproken over de hemel en over, het hemelse leven en over de dingen die in de hemel zijn.
Dat wordt steeds gedaan in beeldspraak die aan het aardse leven is ontleend, alsook aan het leven der natuur. Een mosterdzaad, een zuurdesem, een parel, een visnet, een wijnstok, ieder op zijn wijze, worden zij gebruikt, om ons de dingen die boven zijn en eeuwig blijven, te doen verstaan.
Dit geldt ook voor wat de H.Schrift aangaande de hemel der hemelen, de woonstede Gods en der engelen, aan ons wil bekend maken. Van die hemel wordt in de eerste plaats gesproken, als van het Heiligdom dat boven is, niet met handen gemaakt -in tegenstelling van het heiligdom dat wél op aarde was en wel met handen gemaakt was.
In de tweede plaats horen wij van de hemel, als van het Vaderhuis met zijn vele woningen, waarheen Christus is opgevaren om dáár plaats te bereiden voor allen, die Hem van de Vader gegeven zijn.
En, in de derde plaats wordt in die hemel ons getekend de stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is, het Jeruzalem dat boven is, de stad, door God voor Zijn uitverkoren volk bereid en die eens als het Nieuwe Jeruzalem uit de hoge zal nederdalen op de nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont.
In de Christenheid bestaat nog veel verschil van opvatting over de hemelen. Doch "wij" geloven in en beroepen ons op Gods woord in zake de hemel en de hemel der hemelen.
Reeds Salomo erkende, dat aller hemelen hemel de oneindige God niet vermag te omvatten. Bij de inwijding van de Tempel bidt hij: Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel der hemelen zouden U niet bevatten, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb.
Desalniettemin bidt hij: "Hoor dan in de hemel, de vaste plaats Uwer woning, hun gebed en hun smekingen voer het recht uit, en vergeef aan uw volk... al hun overtredingen!
Jesaja heeft de stem van God doen horen met de woorden: "Want alzó zegt de Hoge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont, en wiens naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden."
De Zoon des mensen brengt de hemel meê, leefde ook op aarde in de hemel.Hij sprak: "En niemand is opgevaren in de hemel, dan die uit de hemel nedergekomen is, nl.de Zoon des mensen, die in de hemel is. (Joh.3: 13)
De hemel der hemelen is Gods troon, maar óók Zijn heiligdom.
Wij hebben er op te letten, dat de hemeltroon in het hemelse Heiligdom staat, want zó is het in de aardse tabernakel aan ons afgebeeld. De Ark des Verbonds, door Cherubijnen overschaduwd, met de tafelen der Wet in haar geborgen, was "de troon des Heren".
Daar werd de koninklijke wet gevonden, daar werd het recht Gods gesproken, en daar werd koninklijke gratie verleend.
Die Ark des Verbonds éérst in de Tabernakel, later in de Tempel, was de troon der majesteit van God Almachtig, die de hemel en de aarde gemaakt heeft. Maar, die Ark, als troon Gods, stond niet alleen los op zichzelf, doch had haar plaats in het Heiligdom, nader bepaald: in het Heilige der Heiligen. Wie naar de Arke Gods zag, sloeg het oog naar het Heiligdom. Daarom is de hemel der hemelen niet alleen Gods troon, maar óók Gods Heiligdom!
Van die hemel spreken wij vóór alle dingen, als van het volmaakt heilige! De serafijnen zingen God de Heer het onafgebroken "Heilig, heilig, heilig is de Heer der heerscharen" toe, en de Kerk op aarde voegt het, van de Drienlaal Heilige te spreken.
Eens is op aarde óók de heiligheid geweest: in het Paradijs, de hof van Eden, maar dat was een heiligheid voor de aarde en deze heiligheid was niet volkomen, slechts in aanvang, en stond onder de eis om zich tot volkomenheid te ontwikkelen.
Met de heiligheid des hemels was het anders gelegen. Deze was niet voor de aarde, maar voor de hemel bestemd, was volmaakt en volkomen en schitterde in hemelse glans.
In die hemel heeft de Driemaal heilige Zijn woonstede en vormen de heilige Engelen Zijn heirscharen, die Hem dienen in volmaakte gehoorzaamheid. Daar is louter heiligheid, in al wat daar leeft en beweegt.
Na de zondeval is er wel een heiligdom op aarde opgericht in Tabernakel en Tempel maar het ware Heiligdom was niet beneden, doch boven, het aardse Heiligdom was daarvan een afbeelding!
Een tweetal vragen doen zich hierbij voor, die wij willen beantwoorden.
Ten eerste: Zal de hemel der hemelen ook vernieuwing ondergaan daar toch "het nieuwe" van de hemel een ander karakter draagt dan het nieuwe van de aarde, omdat de aarde gereinigd en gezuiverd wordt, verlost van vloek en ellende, en de hemel, als de sfeer van het heilige, verontreiniging en loutering niet in aanmerking komt. Het nieuwe van de hemel die komt, moet dus anders verstaan worden n.l. daarin, dat nevens de engelen, die louter "geest" zijn, ook verheerlijkte mensen met hun ziel en opstandinglichaam zullen wonen, die de Heer der heirscharen met de engelen, zullen verheerlijken.
Van de andere zijde staat in Job l5:15: "Zie op Zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen en de hemelen zijn niet zuiver in Zijn ogen".
Strijdt deze uitspraak niet met de vorige, zoeven genoemde, dat de hemel niet gezuiverd wordt of dat er alleen een nieuw element in de hemel wordt aangebracht? Deze twee vragen komen voort uit een precies tegenovergesteld standpunt.
De nieuwe hemel die voor ons komt kan niet een gezuiverde hemel zijn, om de, alles afdoende reden, dat daar de sfeer van het heilige is, dat daar de heiligen met de Heiligen wonen, en daar dus niets te zuiveren en te reinigen is.
Toch moeten wij nog op iets wijzen, nl. dat het anders zal zijn dan het in de beginne was. De hemel is de bijzondere plaats in het groot Heelal, waar God de Heer Zijn heiligheid en niets dan heiligheid allèèn, gevonden wordt.
Die hemel is in den beginne geschapen met de aarde, die toen woest en ledig was. Hoe heilig die hemel ook was, waarin de sfeer van Gods heiligheid woonde, toch ligt het feit er, dat in die hemel eenmaal de zonde is uitgebroken in de engelenwereld. Satan, die grote en machtige archangel, als troongeest voor het hemelrijk geschapen is van zijn God afgevallen, en heeft in den hemel de "revolutie" tegen God uitgeroepen, heeft zelf "als God" willen zijn.
En, die vorst in het heir der geesten heeft in zijn val een "menigte van geesten" meegesleurd, die daarom demonen zijn geworden.
Daarover heeft in zijn tijd ook apostel Schwartz meermalen gesproken. Misschien kunnen de ouden onder ons zich dat nog wel herinneren.
Wij staan dus voor het feit, dat in de heilige hemel de zonde heeft kunnen bedacht en uitgevoerd worden in de engelenwereld.
Maar juist, omdat de hemel het Heiligdom Gods is, heeft Satan met zijn gevallen mede-engelen geen ogenblik in de hemel stand kunnen houden en is met al zijn trawanten door het ontbranden van de heiligheid Gods uit de hemel geworpen, met Goddelijke kracht en majesteit, in de eeuwige diepte, van waaruit hij de volken verleid en zelfs de kinderen Gods zoekt aan te klagen en tot zonde aan te porren, als bij David door de telling van het volk, en aan de rechtvaardige Job alles te ontnemen, wat hij bezat, onder de toelating Gods, doch zijn leven moest hij sparen.
De hemel is door het bedrijf van Satan niet onheilig geworden, de heiligheid heeft zich Goddelijk gehandhaafd. Hierin ligt juist het onderscheid tussen wat op aarde en in de hemel gebeurde, toen de zonde was ontstaan, en door de zonde de eeuwige dood ontstaan is, die alle mensen ondergaan, zo zij geen Heiland, geen Helper en verlosser erkennen en aannemen. Door de zonde ging het Paradijs verloren en werd over de aarde de vloek uitgesproken. En het nieuwe, dat in de hemel zijn zal is, dat wat eens mogelijk was in den beginne, nooit meer mogelijk zal zijn, n.l. dat in de hemel de zonde kan worden uitgedacht en bedreven door de engelen Gods.
Eens zijn engelen duivelen geworden, maar in de nieuwe hemel zijn alleen de heilige engelen en de uitverkorenen, die tot in alle eeuwigheid heilig zullen blijven; en de verloste zondaren, die opklimmen in het geloof tot de volmaking zal gekomen zijn, en die de heerlijkheid des Heren met Hem zullen delen.
Met betrekking tot het woord van Elifaz, een der vrienden van Job, die van verre gekomen waren om de beproefde Job te troosten, is in de H.Schrift ook dit mensenwoord opgenomen. Wij hebben hier niet te doen met een of andere profeet, die in de naam des Heren heeft gesproken, maar dat een mensenwoord was, dat de eer des Heren te na gekomen is, alsof het Heiligdom in de hemel niet geheel,"niet volmaakt zuiver" is (Job 15: 15).
Wij hebben juist heden van het heiligdom in de hemel, in de hoogste hemelen, waar vlekkeloze heiligheid is en schittert in de glans der volmaaktheid gesproken. Over het heiligdom in de hemel moet "diep geestelijk" gedacht worden.
Het is de woonplaats van Christus, de Hogepriester der toekomende goederen, die door de meerdere en volmaakte Tabernakel, niet met handen gemaakt, niet van dit maaksel is doorgegaan.
Christus is de Tabernakel Gods, want in Hem woont de volheid der Godheid. Zijn lichaam is de Tempel Gods, want in het lichaam van Christus woont de H.Geest, door Hem in de Kerk uitgestort.
Daarom zegt de apostel Johannes op Patmos, als hij profeteert van de nieuwe he- mel en van de nieuwe aarde:"Ik zag geen Tempel in dezelve, want de Here, de almachtige God is haar Tempel én het Lam. (Openb.21:22). ©jgksdj