DOOR HET GELOOF

"Het geloof is een vaste grond der dingen die men hoopt,en een bewijs der zaken die men niet ziet."

Zo wordt de vermelding van de vele geloofshelden die in Hebreeën 11 worden beschreven, ingeluid, en, in déze vaste grond wordt het anker der ziel--de hoop--, diep ingeslagen.---Hebreeën 6:19--.

Wanneer dezelfde schrijver wijst op de korte tijd die er nog is, vóór Hem, die te komen staat en die niet zal vertoeven, dan roept hij het uit: "Maar de rechtvaardige zal uit zijn geloof leven.!"---10: 37,38---.

Het geloof wordt door de Heiligen Geest in het hart gewerkt; het geloof is een gave.---Efeze 2:8---.

Er zijn christenen die het geloof onderscheiden in: zaligmakend geloof, historisch geloof en in wondergeloof.

Wij doen dit echter niet en achten deze zaken als één.

De zaligheid zou geen grond hebben zonder de heilige historie en het geloof in wonderen kan niet los gemaakt worden van het geloof in onze Here Jezus Christus.

Het is ons er om te doen om dat heerlijke geloof dat de wereld overwint, te mogen bezitten, en, dat geloof is in Jezus Christus.-1Johannes 5:4--.

Het geloof in Jezus Christus en het Evangelie der Zaligheid hangen nauw samen met het Koninkrijk van Christus.

Wij zijn er wel eens van beschuldigd dat wij te veel hoop hebben gevestigd op de komst van Christus als Koning en dat wij te weinig prediken van de verlossing van de ziel.

Zulke beschuldigers weten echter niet, dat het in de Bijbel om het Koninkrijk van Christus gaat, waarvan de zaligheid der ziel het gevolg is.

Wie in Jezus Christus gelooft, die verbindt hieraan, en dat kan niet anders, de komst van Zijn koninkrijk.

De Here Jezus zál Koning zijn over al de koninkrijken der wereld, en, dát is de hoop van een ieder die in Hem geloofd.

Toen de Heer op aarde wandelde heeft Hij de komst van Zijn koninkrijk reeds voorzegd.

De tekenen en de wonderen die Hij deed, waren het bewijs van Zijn almacht en tevens een prediking dat in Zijn rijk geen dood noch duivel meer zullen heersen, en, "geen inwoner meer zal zeggen, ik ben ziek."---Jesaja 33:24--.

Daarom zullen er in de Gemeente van eerstgeborenen, waar de kinderen Gods opgevoed worden tot priesters en koningen om met Christus te heersen---Openbaring 20:6---, krachten der toekomende eeuw gevonden worden.---Hebreeën 6:5---.

De ernstige vraag is nu: "Bezitten wij dat heerlijke, overwinnende geloof.?"

Toen de Apostelen een maanzieke knaap niet konden genezen en zij aan de Heer vroegen naar de oorzaak van hun onmacht, toen sprak de Heer: "Om uws ongeloofs wil; want voorwaar zeg ik u, zo gij een geloof had als een mosterdzaad, gij zoudt tot deze berg zeggen: Ga henen van hier derwaarts, en hij zal henengaan; en niets zal u onmogelijk zijn."---Mattheus 17:20---.

En, toen de apostelen baden om vermeerdering van hun geloof, toen antwoordde de Heer: "Zo gij een geloof had als een mosterdzaad, gij zoudt tot deze moerbezieboom zeggen: wordt ontworteld en in de zee geplant, en hij zoude u gehoorzaam zijn."---Lukas 17:5,6--.

Welk een wondere zaak is toch het geloof.!!!

De Heer deed vele wonderen en, slechts zelden op dezelfde wijze, en, uit de geschiedenis blijkt wel, dat de Her nooit een vastehandelwijze volgde.

Hij beval aan Zijn dienaren dat zij op kranken de handen zouden leggen---Markus 16:28--, en, Jacobus zegt dat zieken gezalfd moeten worden met olie.---Jacobus 5:14--, maar nergenslezen wij dat de Heer voorgeschreven heeft hoe ernstig de zieken moeten zijn, of welke woorden er gesproken moeten worden bij zulk een handeling.

In Lukas 10:9 en 19, lezen wij wel van een opdracht om de zieken te genezen en om over alle kracht der vijand te heersen, maar niet, hoe dit geschieden moet.

Bij sommigen heeft de Heer wel overeenkomstig hun geloof gedaan, maar bij anderen lezen wij daar niets van.

In Mattheus 9"1-7 lezen wij dat enige mensen een geraakte voor Hem legden in de hoop dat Hij hem genas, en, zo als wij lezen:...."En Jezus, hun geloof ziende."

Hier verricht de Heer een wonder in verband met het geloof der mensen die niet ziek waren.

Tegen de vrouw met de ongeneeslijke kwaal, een kwaal die haar 12 jaren gebonden had, sprak de Heer: "Weest welgemoed, dochter, uw geloof heeft u behouden."----Mattheus 9:22----.

Dit woord sprak de Heer óók tegen een blinde bij wien Hij de ogen opende.----Markus 10:52----.

Door het geloof van de hoofdman heeft de Heer diens knecht genezen---Mattheüs 8:5-13----.

De Heer genas ook vele kranken en wierp vele duivelen uit, waarbij er niets geschreven is of dit gepaard ging met het geloof van deze belijders.

Zelfs uit Syrië kwamen er mensen om genezen, en, de Heer genas allen die tot Hem kwamen.

Zo lezen wij in Mattheus 4:23,24: "En Jezus omging geheel Galiléa, lerende in hunne synagogen en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle zieken en alle kwalen onder het volk. En Zijn gerucht ging vandaar uit in geheel Syrië, en zij brachten tot Hem allen die kwalijk gesteld waren en met verscheidene ziekten bevangen zijnde, en van de duivel bezeten, en maanzieken en geraakten; en Hij genas dezelve."

Maar, in Zijn éigen woonplaats deed Hij geen krachten vanwege het ongeloof Zijner medeburgers.----Mattheus 15:58---.

De dienaren des Heren ontvingen de opdracht om het Evangelie van het Koninkrijk te prediken, om kranken te genezen, om duivelen uit te werpen en doden op te wekken.---Mattheüs 10:7,8, e.a.p.----.

In de eerste eeuw der Kerk heeft de Heer op velerlei wijze medegewerkt tot bevestiging van het Getuigenis en van Zijn dienaren.

Het zou in dit verband een te groot artikel worden wanneer wij alle bijzonderheden zouden opnoemen, maar een ieder kan constateren dat Zijn dienaren hun opdracht volbrachten.

Zij volgden echter nooit een vaste lijn, maar de tekenen en de wonderen die zij verrichtten geschieden altijd in verband met de omstandigheden, en, DOOR HET GELOOF.!

Door het geloof, dat betekent, dat het geloof der heidenen verschilde van het geloof der Joden.

De kennis staat dikwijls het geloof in de weg; de Jood overwoog en beschouwde de zaak des Heren kritisch.

De heidenen bezaten hoogstens de kennis dat de Joden éénmaal een Koning zouden verkrijgen die de oude glorie van hun rijk weer in ere zou herstellen.

Toen deze heidenen nu vernamen welke grote krachten er door Jezus van Nazareth werden gewerkt, kwamen zij bij Hem met hun kranken.

Zó was het óók ten tijde van de apostelen, en, daarom kunnen wij lezen in Handelingen 19:11,12, dat zelfs de gordeldoek van Paulus dienst deed tot genezing van kranken.

De Heer is wonderlijk in al Zijn doen en dit brengt ons dikwijls in verlegenheid want wij willen zo graag één lijn trekken, alsof ieder geval hetzelfde is en gelijk is aan een ander.

Maar, het geloof helpt ons over bergen heen.!!

Wanneer een dienaar bij een ziek geroepen wordt om hem de handen op te leggen of hem met olie te zalven, dan gaat die dienaar heen in het geloof aan zijn opdracht.

De Heer die hem riep, heeft hem bevolen om alzo te doen en Hij verbindt zich dan al of niet aan zijn werk.

Hij kan ook in de kracht van zijn persoonlijk geloof handelen, dus niet alléén in opdracht.

Zó is het óók met de zieke, want, deze kan aan de dienaar vragen om aan hem te doen wat de Heer in Zijn Woord heeft bevolen.

De zieke vraagt dit dan op grond van zijn geloof in het Woord van de Heer; hij kan dit ook vragen uit geloofsovertuiging dat aan hem een teken zal geschieden.

De dicipelen hadden meerdere malen in de Naam des Heren, tekenen gedaan, maar, toen zij die maanzieke knaap niet konden genezen, zei de Heer tegen hun dat dit kwam door hun ongeloof.!

Geloofden die dicipelen toen niet in hun opdracht.??

Daar twijfelen wij echter niet aan, maar wellicht hebben wij hier te doen met een geval dat de dicipelen hun persoonlijk geloof moesten tonen, het geloof, dat bergen verzet.

Zo'n geloof hadden zij nog niet.

Aan de Schone Poort toonden Petrus en Johannes zulk een geloof.---Handel.3-

Toen de dicipelen tot de Heer baden om vermeerdering van hun geloof, kregen zij ten antwoord dat ze zelfs niet een geloof hadden als een mosterdzaad.

Wij willen uit het antwoord van de Heer in Lukas 17:6 lezen, dat de dicipelen niet om vermeerdering van geloof hadden moeten bidden, maar om geloof.!

Zij hadden geen geloof, niet eens zo klein als een mosterdzaad, dat het kleinste zaad was van de moeskruiden in Palestina.

Tóch geloofden de dicipelen wel, want dat hadden zij eerder bewezen, maar, zij hadden geen geloof dat bergen verzette en bomen deed ontwortelen.

Als wij dit nu zó moeten verstaan en begrijpen, wat bidden wij dan van verkeerd, hoe beschamend, nog geen geloof als een mosterdzaad.!

Het geval van de maanzieke knaap heeft ons zeer veel te leren.

Deze geschiedenis wordt in drie Evangelien verteld, waarvan het Evangelie van Markus het uitvoerigste is.---zie Markus 9:14-29---.

Toen de Heer van de berg der verheerlijking kwam, toen zag Hij de apostelen, omringd door een grote schare, twistende met enige schriftgeleerden.

Deze jaloerse en onoprechte schriftgeleerden loerden altijd of zij ook aanmerkingen konden maken op de Heer en Zijn dienaren.

Nú hadden zij stof om te bekritiseren want de onmacht van de dicipelen was gebleken.

Wát konden de dicipelen daartegen inbrengen.? Zij waren zélf teleurgesteld want hun arbeid aan deze jongen was tevergeefs geweest.

Juist op dit kritieke moment kwam de Heer bij hen en vroeg aan de schriftgeleerden: "Wat twist gij met dezen.?"

Wel opmerkelijk: de schriftgeleerden antwoordden Hem niet, en ook de dicipelen zeiden niets.

De teleurgestelde vader had zich reeds teruggetrokken maar nu kwam hij naar voren en sprak: "Meester, ik heb mijn zoon tot U gebracht, die een stomme geest heeft; en waar hij hem ook aangrijpt, zo scheurt hij hem, en hij schuimt en knerst met zijn tanden en verdort; en ik heb Uwen dicipelen gezegd dat zij hem zouden uitwerpen en zij hebben NIET GEKUND."

En, als de jongen voor de Heer gebracht was en het kind lag te wentelen op de aarde, al schuimende, riep de teleurgestelde vader, omringd door de teleurgestelde dicipelen, uit: "Maar zo Gíj iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen en help ons."

"ZO GIJ IETS KUNT", dit woord grenst haast aan vertwijfeling.

Die vader had gehoopt dat zijn kind genezen zou worden, maar nú ziet hij zijn kind in een vreselijke toestand op de aarde liggen wentelen.

Dán antwoord de Heer hem: "ZO GIJ KUNT GELOVEN",alle dingen zijn mogelijk degene die gelooft".

Wij kunnen ons indenken hoe het in de ziel van deze vader heeft gestormd, want, wanneer zijn kind niet genas, dan zou het aan zíjn geloof liggen en was hij de schuld van alle verdere ellende die over zijn kind kwam.

Lang kon hij daar echter niet over nadenken: "En terstond, de vader des kinds roependen met tranen, zeide: Ik geloof Here, kom mijn ongelovigheid te hulp."

De overwinning, in het erkennen van de onmacht tot geloven, was behaald.

En, temidden van een grote schare die steeds aangroeide, en die zeer zeker verschillend over het geval oordeelden, riep de Heer:"Gij stomme en dove geest, Ik beveel u, ga uit van hem en kom niet meer in hem."

Toen, nog een ogenblik van een geweldige strijd: "En hij, roepende, en hem zeer scheurende, ging uit; en het kind werd als dood zodat velen zeiden dat het gestorven was. En Jezus, hem bij de hand grijpende, richtte hem op, en hij stond op."

Nee, de zaak des geloofs is geen gemakkelijke zaak, want, hóe klein is ons geloof soms en dikwijls zij wij nog ongelovig.

Hoe vaak doet de Heer ons onze onmacht niet gevoelen, en, als wij dan maar eerlijk genoeg zijn om ons ongeloof te erkennen, ja, onze onmacht om te geloven.

Laten wij daarom bidden om geloof en een kinderlijk, eerlijk hart, om een overwinnend geloof.

In Hebreeën 11 wordt verhaald van hen, die door het geloof vreemdelingen waren op aarde; die door het geloof grote daden deden, koninkrijken overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen der leeuwen toegestopt hebben; de kracht des vuurs hebben geblust, enz.

Weer anderen hebben door het geloof vervolgingen geleden en hebben het kruis de Heer nagedragen.

Mogen deze voorbeelden ons sterken in de geloofsstrijd.

Wij zijn dikwijls nog zo wankelmoedig en zien dan naar de golven van de wereldzee, op aardse moeite en strijd en op de vele, onopgeloste, raadsels en zinken, evenals eens een Petrus.

Wij leven in een zeer moeilijke tijd, maar, wij hebben een Voorbidder in de hemel, die bidt, dat ons geloof niet ophoudt.

Zonder Hem zou niemand ooit de overwinning behalen.

Wij willen dit schrijven besluiten met het woord uit Judas, vers 20:

"Maar geliefden, bouwt gij uzelve op uw allerheiligst geloof, biddende in de Heiligen Geest."

MARAN-ATHA.

de Heer komt.!!