Onder economen?
Op het eerste gezicht is hier sprake van een typisch opschrift, "onder economen", hetgeen toch betekent dat men zich bevindt temidden van mensen, die op de een of andere manier betiteld worden als econoom.
Dat is, in ons spraakgebruik, een beoefenaar van de economie, de leer van het streven naar welvaart met schaarse middelen. Nu is de vraag wat bezoekers van het huis Gods te maken hebben met mensen, die wij beschouwen als vooral bezig zijnde met geld en het streven naar meer.
Dit heeft te maken met de tekst uit lPt.4:10, waar we dit woord tegenkomen: Dient elkander, een ieder naar de genadegave, die hij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods. In het Grieks, waarin het Nieuwe Testament oorspronkelijk geschreven is, vinden we hier het woord oikonomos, waar we ons woord econoom in herkennen.
De apostel Petrus zegt hier dus dat christenen elkaar moeten dienen met behulp van de gaven, die we door Gods genade gekregen hebben.
Hoe dienen we dit te doen?
Als economen, rentmeesters die hun verantwoordelijkheid dragen voor het huis (oikos betekent huis) van de Heer, niemand uitgezonderd.
Genadegaven
Hierbij ondersteunt men elkaar door verkregen genadegaven in te zetten. Uit het woord genade gaven blijkt reeds, dat we deze gekregen hebben van de Heer. Maar wat houden ze nu in?
Laten we eerst maar weer naar het Grieks kijken. We lezen hier charisma. We kennen dit woord door de zgn. charismatische beweging, die bijvoorbeeld in 'pinksterkerken' streeft naar de gaven van de Heilige Geest. Nu is de eerste vraag, of we deze geestelijke gaven kunnen beperken tot de zevenvoudige gaven, die we vinden opgetekend in lKor.12:8-10. Al gauw blijkt dan, dat tot de charisma ook andere zaken gerekend worden, die wij in eerste instantie zouden aanmerken als talenten, zoals bijvoorbeeld bekwaamheid om te helpen en te besturen (lKor.12:28). Ook dat Paulus alleen (niet getrouwd) kon zijn, noemt hij een charisma in lKor.7:7.
Rm.12:6,7 noemt nog onderwijzen, vermanen en barmhartigheid bewijzen. Het ultieme charisma is volgens Rom.5:15,16 het geschenk van het leven van Christus Jezus tot rechtvaardiging van hen die geloven. Het zijn alle niet verdiende cadeaus, geschonken door de Drievuldige God aan Zijn kinderen, opdat men elkaar dient, ondersteunt, draagt en helpt.
In geen enkel geval is een gave Gods gegeven om er de mens zelf mee te laten pronken of er zich op voor te laten staan. Ze zijn tot eer gegeven van Zijn Naam en tot versterking van het huis Gods, dat opgebouwd is uit levende stenen, waar nog geldt: Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neder, van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer. Het is nimmer iets dat de gelovige zelf bearbeid heeft of voor zich verzekerd.
In het Oude Verbond
Dat God uitdeelt,
opdat Zijn huis gebouwd worde, kunnen we in het Oude Verbond op
verschillende plaatsen opmerken. Bijvoorbeeld van Besaleël (en
Oholiab) vinden we in Ex.35:30 en verder onder andere: "Mozes
zeide tot de Israëlieten": Ziet, de Here heeft Besaleël,
de zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Juda, bij name
geroepen, en heeft hem vervuld met Gods Geest, met wijsheid,
inzicht en kennis en dat voor allerlei werk, om ontwerpen te
bedenken en om die uit te voeren in goud, zilver en koper, om
stenen te bewerken en om die in te zetten; om hout te snijden en
om al het ontworpen werk te maken. En Hij heeft hem en Oholiab,
de zoon van Achisamak, uit de stam van Dan in het hart gegeven
om anderen te onderrichten.

Gebrandschilderde impressie van de Gaven van de Heilige Geest
We kunnen hier niet volstaan met te zeggen, dat deze beide mannen typen zijn van apostelen en profeten, omdat hier in het natuurlijke geschiedt, wat in het Nieuwe Verbond geestelijk wordt toegepast, zoals in 2Cor.3:5,6 waar Paulus schrijft: Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets als ons werk in rekening te brengen, maar onze bekwaamheid is Gods werk, die ons ook bekwaam gemaakt heeft om dienaren te zijn van een nieuw verbond niet der letter, maar des Geestes, want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. We bemerken toch duidelijk dat ook de kunstvaardigheid een gave is, die Gods Geest letterlijk in de bouwers van de ark legde. Ook Chiram uit Tyrus is iemand waarvan geschreven staat dat hij de wijsheid (!), verstand en kennis had om elk werk in koper te verrichten (zie 1Kon.7:13vv). Misschien is zo meer duidelijk dat David kon opmerken: Want Gij hebt mijn nieren gevormd, mij in de schoot van mijn moeder geweven. Ik loof U, omdat ik gans wonderbaar ben toebereid, wonderbaar zijn uw werken; mijn ziel weet dat zeer wel. (Ps.139: 13, 14). Tegenstelling In het verbond des Geestes is, in tegenstelling tot wat in de officiële verklaring van het woord economie naar voren kwam, geen sprake van scháárse middelen. Integendeel, voor iemand die gelooft is toch alles mogelijk (Mt.17:20)? Wat wel voor kan komen, is dat de gelovigen minder hebben aan allerlei gaven. Laten we wel zijn, hoe lang is het in de kerkgeschiedenis niet voorgekomen dat de gaven van Christus in ambten (Ef.4:8vv) verdwenen waren. En, als we tegenwoordig rondkijken, kunnen we een schaarste onderkennen op het gebied van de openbare gaven van de Heilige Geest.
Toen de Here Samuël verwekte als profeet in Israël, bestond er ook een dergelijke situatie, zoals we in lSam.3:1b kunnen lezen: Nu was in die dagen het woord des Heren schaars; gezichten waren niet talrijk. Over oorzaken kan men twisten, een feit is dat elkeen de hand in eigen boezem zal moeten steken en zich afvragen: Wat wil de Here dat ik doen zal?. Het is nooit de bedoeling van de Heer dat Zijn lichaam op deze aarde gehandicapt zal rondgaan. Ons Hoofd zal er alles aan doen, opdat wij in staat worden gesteld Zijn werk uit te voeren met als doel dat alle volken het evangelie moet worden verkondigd, opdat men behouden wordt. Maar wij moeten willen en niet lauw zijn. Alles wat wij hebben en kunnen verkrijgen aan gaven horen we te benutten teneinde elkaar te dienen, zoals de apostel Petrus in onze uitgangstekst aangeeft. Uit het hierboven geschrevene kunnen we opmaken, dat wij allen begiftigd zijn met allerlei gaven op velerlei gebied. Het hoeft niet perse de zeven gaven uit lKor.12 te betreffen. Ook het elkaar dienen met barmhartigheid of de gemeente helpen met iets organiseren zijn Gods geschenken die we kunnen inzetten voor Zijn volk. Niet dat er dan allerlei hulde zal volgen, maar gegrond op de liefde, waar we als eerste toe opgeroepen worden. De weg omhoog lKor.12:31 zegt: Streeft dan naar de hoogste gaven. En ik wijs u een weg, die nog veel verder omhoog voert. Volgens deze tekst kunnen we streven naar gaven. Het is niet zo, dat zoals alles nu is, het zal blijven. Hoe kunnen we die hoge gaven dan verkrijgen? Als we naar het Griekse woord kijken, dat in onze vertaling gebruikt wordt voor streeft, (jaagt in de SV), zien we dat er een woord gebruikt wordt dat betekent van ijver branden, hevig verlangen naar, gloeien, of zelfs benijden. Het is op de goede wijze jaloers zijn. Het gaat namelijk uiteindelijk niet om het verkrijgen van geestelijke gaven, het gaat er in werkelijkheid om met de liefde van God vervuld te raken. Niet voor niets vervolgt de apostel Paulus op deze plaats met zijn hooglied van de liefde, waarin we toch duidelijk vermeld vinden, dat de gaven zonder liefde niets voorstellen.
Zoals zo vaak in het christelijke bestaan, is wat men moet doen, anders dan wat men in de wereld zou verwachten. Men bereikt iets in het christelijk leven vooral door te laten, waarbij we niet alleen wijzen op zonde en ongerechtigheid. Christelijke ijver is gericht op God en de naaste. Niet dat wat je krijgt, is belangrijk, maar dat wat je geeft, want het is zaliger te geven dan te ontvangen. Het wezen van Petrus' woord is de verantwoordelijkheid die elke christen heeft voor het christelijk huis. Het gaat om elkaar dienen. Dat kan iedereen, want dat heeft men ook gekregen. Het charisma van Christus' offer is door iedereen ontvangen. Dat wat men gekregen heeft, kan men rustig doorgeven. Zo is ons grote Voorbeeld de Weg omhoog, via de waarheid naar het leven. Hij is ons grote Charisma en heeft daarnaast nog vele genadegaven en middelen aangebracht, waarover we rentmeester en econoom zijn. Christenen zijn daarom geen economen van schaarste, maar van overvloed: Hij heeft Zich niet onbetuigd gelaten door wel te doen, door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan uw harten overvloed van spijs en vrolijkheid te schenken. (Hd.14;17), Dat geldt niet slechts voor het heden, maar evenzeer voor de weg die werkelijk omhoog voert: Want, indien door de overtreding van de ene, de dood als koning is gaan heersen door die ene, veel meer zullen zij, die de overvloed van genade en van de gave der gerechtigheid ontvangen, leven, en als koningen heersen door de ene, Jezus Christus. (Rom.5:17).AWB