DANKDAG VOOR HET GEWAS
“Gij geeft,
dat d’uitgang van de morgen En van de avond juicht;
En dat men U, voor al Uw zorgen, Ootmoedig dank betuigt. Het land bezoekt Gij
met Uw zegen, En door U droog gemaakt,
Verrijkt Gij 't grootlijks weer met regen, Die tot de wortel raakt”.
Aldus zingen we van Gods Vaderlijke
zorgen, Die de schepping zo heeft ingericht, dat zij niet aan de
ondergang behoeft te worden prijsgegeven. We kunnen Gods Voorzienigheid nooit
genoeg loven.
Telkens ontdekken we, hoe Hij zelfs
nog tegemoetkomt aan de zondige mens, door hem allerlei te schenken, dat hem de
gevolgen van de zonde, ziekte b.v. lichter doet dragen. Denken we maar aan de vele
geneeskrachtige kruiden, die pijnen verzachten en zelfs genezend kunnen werken.
De gehele inrichting van de natuur wijst op een eenheid, die bewonderenswaardig
is en op wonderlijke wijze wordt hersteld en aangevuld, wat voor het stoffelijk leven nodig is.
We weten b.v., dat bij de ademhaling,
de zuurstof van de dampkringslucht gebruikt wordt en dat bij de uitademing een
deel van de ingeademde zuurstof blijkt vervangen te zijn door koolzuur. Wanneer dit zo eeuw in eeuw uit zou doorgaan, zou de zuurstof
langzamerhand uit de dampkring verdwijnen en de dood door verstikking zou dan
moeten intreden; maar geen nood!
De groene delen van de planten, zoals
de bladeren, zorgen er met de hulp van het zonlicht voor, dat het koolzuur
scheikundig ontleed wordt, en een deel van de hierbij geproduceerde zuurstof
aan de dampkring teruggeschonken wordt, terwijl de rest dient voor de groei van
de plant zelf. Zo kunnen we de uitdrukking verstaan, die de inwoners van Londen
gebruiken. “De stadsparken zijn de longen van de bewoners”.
En zo is er in de schepping zeer
veel, dat bewijst, dat de grote Formeerder letterlijk in alles voorziet.
Jammer, dat de mess in zijn domheid zo veel bederft en het evenwicht dreigt te
verstoren door veel, dat nuttig of noodzakelijk is, op te offeren aan zijn
hebzucht. Het uitroeien van bossen is zulk een evenwichtverstoorder. Wijs beheer
kan er echter voor zorgen, dat door nieuwe aanplantingen de schade wordt
opgeheven.
Een enigszins aandachtig beschouwen
van de natuur toont overal niet alleen de scheppende, maar ook de bewarende
werking van de Schepper en we worden met diepe eerbied vervuld voor die
onmetelijk wijze God, Die op zo heerlijke wijze Zijn almacht, wijsheid en
liefde toont.
Het is jammer, dat zo weinig mensen
belang stellen in al deze dingen, want ze missen daardoor rijke troost- en geloofsversterking
en ze kunnen de Formeerder van al het geschapene nooit de dank toebrengen,
waarop Hij toch zeer zeker aanspraak maken mag.
"Geef ons heden
ons dagelijks brood!", Door hoeveel monden zullen zelfs thans nog deze
woorden elke dag worden uitgesproken, zonder dat er gedacht wordt aan de vele
processen, die plaats hebben gehad, alvorens het brood op onze tafel
verschijnt! Vooral de bewoners van de grote steden zijn vaak zo onwetend ten
aanzien van al de wonderen die er hebben plaats gehad, voordat we onze spijzen
tot ons nemen. Men denkt er zelfs niet aan, dat er een goede God is Die voor
ons gezorgd heeft.
Men moet de opmerkingen maar eens
horen van spotters, wanneer ze zien, dat er mensen zijn, die bij de maaltijden bidden en danken! Jammer, dat ze niet
begrijpen, hoe oneindig dom ze zelf zijn, door te beweren, dat al deze
weldaden, die wij ontvangen "van zelf" ontstaan. De apostel Paulus
zegt, dat God de spijzen geschapen heeft tot nuttiging met dankzegging. En als
hij degenen bestrijdt, die verbieden om sommige spijzen te gebruiken, dan zegt
hij: "Want alle schepsel Gods is goed en er is niets verwerpelijk, met
dankzegging genomen zijnde, want het wordt geheiligd door het woord Gods en
door het gebed." (1Tim-4,3.4).
Welke grootse gedachten openbaart
hier deze grote dienaar des Heren! Hem was het niet ontgaan, dat de spijzen,
die hem ter nuttiging werden voorgezet, te danken waren aan de zorgende liefde
van Hem, Die het al heeft voortgebracht. Laten wij er voor zorgen, dat onze
dagelijkse gebeden en dankzeggingen bij de maaltijden geen sleur worden, maar
dat ze voortkomen uit waarlijk dankbare harten.
Paulus had oog voor het wonderlijke
in de schepping, wat wel blijkt uit het opstandings
hoofdstuk 1 Kor.15. Hij had gezien, dat men
allerlei zaden aan de aarde had toevertrouwd. Deze kleine voorwerpjes lagen
enige tijd in dezelfde soort bodem, ontvingen dezelfde regen en werden door
dezelfde zonnestralen verwarmd en wat zag hij? God gaf alle zaden een lichaam
gelijk Hij wilde, en een iegelijk zaad zijn eigen
lichaam (vers 38).
Hier blijkt steeds het scheppingwoord
van kracht te zijn: alle planten zouden zaad voortbrengen naar haar aard. En,
is het geen wonder, dat op dezelfde grond planten voorkomen, waarvan sommige
nuttig zijn voor het dagelijks eten en andere zware
vergiften bevatten?
Andere brengen welriekende geuren
voort, andere, die er naast groeien, een walgelijke reuk.
Ook de Heer Jezus verheugde zich in
de natuur en ook Hij ontleent troostgronden aan de zorgende liefde Gods, die zich
openbaarde in de zorgen voor planten en dieren. En de Heiland troost ons, dat
Hij, Die voor planten en dieren zorgt, toch zeker hen niet zal vergeten die
vele musjes te boven gaan. En, wat een troost is het, om afhankelijk te zijn
van zulk een liefderijke God en Vader!
De stedelingen zullen dat dikwijls
minder diep gevoelen dan zij, die de akker bewerken; Paulus ontleent hieraan
een beeld voor het werk in Gods Koninkrijk, waarvan hij o.a. zegt: "Gods
akkerwerk zijt gij”: dat is
de Kerk. En van de dienaren getuigt hij, dat ze kunnen planten en nat maken,
maar de wasdom van boven moet komen.
In letterlijke zin ervaren dat
degenen die het landbouwbedrijf uitoefenen. Ze zijn geheel afhankelijk van
God. Indien de regen uitblijft, dan gaat de oogst verloren. Eén enkele hagelbui
kan in weinige minuten het werk van weken vernietigen. Maar, is het weer
gunstig, dan, zo zegt Psalm 65 vers 9 het: “De dalen zijn bekleed met halmen, die van zwaarte schudden
en lonen des landmans zweet.
Zij juichen, elk op zijn eigen wijze;
“Uw eer klimt uit het stof; zij zingen, Uw naam ten prijze;
Uw goedheid en lof."
Zulke gedachten moesten eigenlijk
onze harten veel meer vervullen en daarom is het zo goed, om bij de maaltijden
eerbiedig te bidden en te danken. Laten we het ook maar doen in een vreemde
omgeving, opdat ongelovigen nog zien kunnen, dat er mensen zijn, die zich
afhankelijk weten van de almachtige God. Ze zullen ons bijna altijd met spottende
blikken aanschouwen, maar we hoeven ons niet te schamen, wanneer we geloven,
dat er een oneindig grote oorzaak voor al het bestaande is. Daar steekt meer
wijsheid in, dan in de gedachte, dat alles bij toeval ontstaan is, wat, gezien
al het doelmatige in de Schepping, toch wel het toppunt van oppervlakkigheid en
domheid is.
Het is goed, dat er eens in het
bijzonder de aandacht gevestigd wordt op Gods weldaden. De Apostel zegt:
"Weest dankbaar”. (Ko1-3,15)
En dankbaar kunnen we eerst dan zijn,
wanneer we onze afhankelijkheid verstaan en daarbij ontdekken, dat we door Liefde
geleid worden. Een dankdag voor de oogst is dus nuttig en troostrijk en grootse
gedachten kunnen we aan al het natuurlijke verbinden. Denken we eens aan het
woord des Heren: "De oogst is de voleinding der wereld”.
Deze woorden gebruikte de Heer Jezus
in de gelijkenis van het onkruid in de akker. Daar was goed
zaad gezaaid, maar, als de mensen sliepen, kwam de vijand en zaaide onkruid
midden in de tarwe en... ging weg. En pas toen het goede zaad tot kruid
opgeschoten was en vrucht voortbracht, openbaarde zich ook het onkruid.
Welk een les geeft de Heer hier aan
allen, die Hij als zaaiers heeft aangesteld. Zij mogen niet slapen, omdat anders
de vijand komt, ongemerkt zijn boos werk uitvoert en dan wegsluipt, zodat het
onkruid wortel kan schieten. Als het te laat is, dan wordt het ontdekt. En dan
ontwaakt dikwijls de ijver om te reinigen, waartegen de Heer waarschuwt, want
dan kan o zo licht, mét het onkruid het goede zaad uitgetrokken worden. De
reiniging moet wachten tot de dag des oogstes,
wanneer de Heer de maaiers gebieden zal, om eerst het onkruid te vergaderen,
in busselen te binden en in het vuur te werpen en daarna wordt de tarwe in de
schuur gebracht.
"Het goede zaad zijn de kinderen
des Koninkrijks en het onkruid zijn de kinderen des
bozen", zegt de Heer en "de maaiers zijn de Engelen." Deze
Engelen zijn de dienaren van de Zoon des mensen en zij zullen uit Zijn
Koninkrijk vergaderen alle de ergernissen en degenen,
die ongerechtigheid doen. Hun lot is vreselijk: "Zij zullen in de vurige
oven geworpen worden. Daar zal zijn wening en knersing der tanden." (Matt.13:24-30
en 36-43)"
“Dan zullen de rechtvaardigen blinken
gelijk de zon in het Koninkrijk huns Vaders”.En de Heiland eindigt met de
woorden: "Wie oren heeft, die hore!" Wanneer
we nu letten op het onmetelijk onderscheid tussen het
lot der verdoemden en dat der blinkende rechtvaardigen, dan is het zeker van
het hoogste belang, dat we onze oren openen voor de waarschuwende lessen
van de Heiland.
"De oogst is de voleinding der
wereld."
Deze nadert met rasse
schreden. "En ik zag en zie, een witte wolk en op
de wolk was één gezeten, des mensen Zoon gelijk, hebbende op Zijn hoofd een
gouden kroon en in Zijn hand een scherpe sikkel. En een
andere Engel kwam uit de Tempel, roepende met een grote stem tot degene die op
de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai; want de ure om te maaien is gekomen,
dewijl de oogst der aarde is rijp geworden”.
“En zie, die op de wolk zat, zond
zijn sikkel op de aarde en de aarde werd gemaaid. En een andere Engel kwam uit
de Tempel, die in de hemel is, hebbende ook zelf een scherpe sikkel. En een
andere Engel kwam uit van het altaar, die macht had over het vuur, en hij riep
met een groot geroep tot degene, die de scherpe sikkel had, zeggende: Zend uw
scherpe sikkel en snijd af de druiventakken van de wijngaard der aarde, want
zijn druiven zijn rijp. En de Engel zond zijn sikkel op de aarde en sneed de
druiven af van de wijngaard der aarde en wierp ze in de grote wijnpersbak van
de toorn Gods. En de wijnpers werd buiten de stad
getreden en daar is bloed uit de wijnpersbak gekomen, tot aan de tomen der
paarden, duizend zeshonderd stadiën ver”.
Het einde der wereld zal dus geweldige zaken met zich
brengen en de oordelen zullen zwaar drukken. Gelukkig degenen die de
eerstelingen van de wereldoogst mogen zijn! Zij zullen reeds in de schuur vergaderd zijn, eer dat al die oordelen
in volheid over de aarde zullen uitbarsten.
Zo worden door de dankdag voor de oogst onze gedachten
bepaald ook bij de geestelijke dingen, opdat we dankbaar kunnen zijn voor de
natuurlijke, maar bovenal voor de geestelijke zegeningen. Sdj.