DE

HEMELSE BOUWMEESTER.

Hebreeën 11:10: “Abraham verwachtte de stad, die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is”.

Hoe schoon zal deze stad zijn wanneer wij bedenken dat zij het einddoel is van het Goddelijk Raadsbesluit ten opzichte van de mens, die, wél gevallen door de zonde, maar tóch voorbestemd is tot een heerlijke staat waarvan het aardse Paradijs een zwak tegenbeeld was.

Hoe heerlijk was het reeds in de Hof van God, waar de volkomen schepping, door de beelddrager Gods, bewonderd en verstaan kon worden. De beelddrager, van wie het verstand, dat nog niet was beneveld door de zonde mocht indringen in haar grondbeginselen.

Hoe majestueus toont de Schepper Zich niet, zowel in Zijn oneindige grote als wel in Zijn oneindig kleine voortbrengselen.

Deze schoonheid in planten en dieren, in kristallen en in hemellichamen, maar vooral in het menselijk lichaam waarin de wonderlijke geest woont, maakt het voor ons licht om te geloven dat de stad die Abraham zocht, een wonderwerk van Gods bouwwerk zal zijn.

De Openbaring van Johannes beschrijft deze stad in een verheven taal wanneer de ziener van Patmos aan ons de indrukken weergeeft die het hemelse Jeruzalem dat van God uit de hemel neerdaalde, op hem maakte. Openbaring 21:1 en 22:5.

Hoe vol van geheimen verschijnt zij aan ons, wanneer wij verstaan dat er hier sprake is, niet van een natuurlijke stad, maar van een Heilige Godsorde die zal heersen ná de schepping van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarin de gerechtigheid zal heersen.

De brief aan de Galaten, (4:26), drukt het zo roerend uit wanneer daarin deze stad als ons aller moeder wordt genoemd.

Wie wordt er niet ontroerd wanneer er in Hebreeën 12:22 wordt gezegd: “Maar gij zijt gekomen tot de berg Sion en de stad des levenden Gods, tot het Hemelse Jeruzalem en de vele duizenden der Engelen, tot de algemene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen die in de hemelen zijn opgeschreven en tot God, de Rechter over allen en de geesten der volmaakt rechtvaardigen en tot de Middelaar des Nieuwen Testaments, Jezus, en het bloed der besprenging dat bétere dingen spreekt dan Abel.””

Wie voelt niet het heimwee in zich naar deze gelukzalige toestand.?

Als deze woorden, die ons toch niet geheel de hemelse stad kunnen beschrijven, ons reeds zulk een heerlijke voorsmaak geven, hóe groot moet dan niet het heil zálf zijn dat voor allen bereid is die hier op aarde Jezus Christus in onverderfelijkheid liefhebben.?

Oók de fundamenten van deze stad Gods moeten sierlijk zijn.!

Deze fundamenten worden ons beschreven als te zijn opgebouwd uit allerlei kostelijk gesteente zoals: jaspis, saffier, chalcedon, enz.

En, dit wonderschone is bestemd voor ons zondaren.!

Jesaja 54:11,12: “Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste, zie, Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen en Ik zal u op saffieren grondvesten en uwe glasvensters zal Ik kristallijnen maken en uwe poorten van robijnstenen en uwe ganse landpale van aangename stenen.”

Wij overdenken de grootsheid van al deze beloften meestal te weinig.

Wij dringen er niet genoeg in door, omdat wij door de zorgen van het dagelijkse leven te veel in beslag worden genomen.

Onze geest, die zich op arendsvleugelen moest laten verheffen, wordt veel te veel aan de aarde gebonden door allerlei strijd, óók wel in het werk Gods, waarbij wij altijd vergeten dat het steeds maar weer de mens is die de vrede die door God wordt aangeboden, verstoord.

Wie een schilderij van een groot kunstenaar bekijkt en weinig verstand heeft van de schilderkunst, die zal het kunstwerk misschien wel mooi vinden, waarschijnlijk omdat een ander het mooi vindt, maar het echte genieten ervan valt hem niet ten deel. Is er echter iemand die hem opmerkzaam maakt op datgene wat de schilder in zijn schilderij wilde uitdrukken, dan komt hij tot meerder waardering en gebniet wellicht van de schoonheid ervan.

Rembrandt schilderde graag Bijbelse voorstellingen; maar hij liet eerste een bepaalde gebeurtenis diep op zich inwerken en pas dan gaf hij met zijn penseel zijn indrukken op een wondermooie wijze weer.

Zo zagen wij een reproduktie van een beroemd schilderij: ‘Jezus en de Emmaüsgangers’ en, door dit schilderij kwamen wij ertoe om dit artikel te schrijven.

Wij zien in het schilderij de Heer Jezus, in een geheimzinnig licht, aan een tafel zitten waar Hij het brood zegent.

Een bediende staat er, diep eerbiedig, bij; en, één van de jongeren, hoewel hij met de rug naar de kijker staat, ziet men van verrassing de hand opheffen.

De andere Emmausganger zien wij in het gezicht, en, dat gezicht is een wonderwerk van schilderkunst!, want, wát een uitdrukking van verrukking en hemelse zin ligt daarop uitgespreid!

Wij zien duidelijk hoe het onderhoud met de geheimzinnige Wandelaar zijn hart brandende had gemaakt, en, hoe er in hem een vaag vermoeden moet zijn ontstaan, wíe daar op de weg tot hem sprak, en, nú herkent hij in het breken van het brood, de gestorven en beweende Vriend.

Hij zag door het kroonstuk van het wondervolle kunstenaarswerk: het Middelpunt van Gods raadsbesluit met het gevallen mensdom; hij zag de Opgestane Heiland!

De verrukking op het gezicht van deze discipel, was de vreugde van de ziel van Rembrandt!

O, dat wondervolle in het Woord van God, dat aan ons door de invloed van de Heilige Geest wordt bekend gemaakt, moet ons steeds maar weer tot bewondering stemmen.

Wij ontdekken telkens weer een steen van de grondslag van de Godsstad en de schoonheid van het Hemelse Jeruzalem wordt steeds minder vaag en wij verlustigen ons in de overpeinzingen over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

De schrijver van “Het Boek voor onzen Tijd” zegt in het voorwoord: “Een onbeschrijfelijke blijde verrassing maakte zich dikwijls van ons meester wanneer wij een beeld, een duister woord, binnen enige ogenblikken als door een toverslag in het duidelijkste Nederlandse aan ons zagen verklaard, en de betekenis daarvan als de éne wáre, als de, door de Heer Jezus zelf bedoelde zich met een onweerstaanbare kracht der waarheid aan het hart opdrong.”

Dát kan élke dienstknecht van de Heer getuigen wanneer bij biddend onderzoek van een geheimzinnig Bijbelwoord plotseling het volle licht voor hem opgaat!

Vooral ook bij het bestuderen van de beeldspraak in de profetieën kan de Heer ons telkens verblijden wanneer Zijn Geest ons verstand verlicht.

Hoe heerlijk is het niet voor de Gemeente wanneer Gods bedoelingen, die vaak in raadselachtige taal zijn gesproken, door de dienstknechten worden verklaard.

Dan kunnen wij ook juichen, dat ons hart brandende wordt in ons binnenste!

Dan kunnen wij zo van harte instemmen met de woorden van het pelgrimslied: Ginds rijst de stad wier gulden tinnen, zich baden in de hemelgloed.

Gelukkig is het kind Gods, dat zulk een geestelijke blik mag slaan in de verborgenheden van het hemelse Jeruzalem!

Gelukkig is hij, wiens, door de Geest verlichte ogen, reeds iets mogen aanschouwen van de komende heerlijkheid, al zou het aanschouwde zó heerlijk zijn, dat het voor de mens niet mogelijk zou wezen om te beschrijven wat nog geen oog gezien en nog geen oor had gehoord en in des mensen hart niet is opgekomen.

Dat hemelse bouwwerk, die Godsstad, wordt reeds gebouwd, want, het is het hemelse Jeruzalem dat éénmaal van God uit de hemel zal nederdalen, toebereid als een Bruid die voor haar man versierd is.

Zij wordt gevormd door de verzegelde eerstelingen die waardig bevonden zullen worden om deel te hebben aan dien Bruidsstaat.

Haar schoonheid is slechts zichtbaar voor hen, die geestelijke ogen hebben; die de Koning ion al Zijn luister zien kunnen wanneer Hij Zich weerspiegelt in Zijn werk, dat wél eens wordt geschonden door hen die het moeten helpen bouwen, maar dat geestelijk toch reed een schoonheidsontroering opwekt.

Zij is, als de Koningsdochter, inwendig geheel verheerlijkt; zij is schoon, zoals het eenvoudige landmeisje de Sulamith, welker schoonheid door de Bruidegom wordt geprezen, hoewel zij van zichzelf bekent dat zij zwartachtig is door het beschijnen van de zon.

Het is de liefde die de Sulamith schoon doet zijn en, wie zó met liefdeogen de voorbereidende bouw van de Godsstad ziet, kan zich, evenals de Bruidegom in het Hooglied, verheugen.

Geestelijk zien, geestelijk opvatten, kunnen slechts zij die geestelijk gezind zijn, want de natuurlijke mens verstaat niets van de geestelijke dingen omdat zijn oren daarvoor onbekwaam zijn.

Wie de ogenzalf van de Heer begeerd, én verkregen heeft, die kan het schone aanschouwen, wanneer hij zich niet verblinden laat door de vorst der duisternis die als een engel des lichts verschijnen kan en de zinnen van de mensen maar al te dikwijls verblindt.

Onmetelijke schatten van schoonheid liggen er nog on-ontgonnen in het onbegrijpelijke Woord Gods.

Dat de Heer aan ons de lust geeft om ze te ontginnen zodat ons hart steeds meer de grondslag bewondert van Zijn verlossingswerk, om dan op te stijgen, totdat wij eenmaal ons ‘ten dele mogen kennen’ mogen verwisselen voor een ‘volkomen kennen’, zoals wij door Hem gekend zijn.

De Heer schenke aan ons verlichte ogen des verstands om Zijn heerlijkheid te zien!sdj