HETWELK DINGEN ZIJN, DIE EEN ANDERE BETEKENIS HEBBEN.

(Galaten 4:21-24-31)

Veel, ja zeer veel zijn de dingen in de H. Schrift en wel in het bijzonder die van het Oude Testament, die meer tot ons spreken dan alleen de natuurlijke geschiedenis.

Bij het doorvorsen van de H.Schrift van Genesis tot en met de Openbaring van Johannes, komen wij herhaaldelijk zulke dingen tegen.

En, het is dan ook van deze dingen, dat de Heer spreekt: "Daarom een ieglijk Schriftgeleerde in het Koninkrijk der Hemelen onderwezen, is gelijk een heer des huizes die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt”.

Hoe kan de ziel van vreugde opspringen wanneer ons uit die schat die nieuwe en oude dingen tegen schitteren. Het zijn die dingen, waar het natuurlijke oog overheen leest, ze niet begrijpende, ze louter als een stuk oude geschiedenis beschouwt, wat wel goed is om te lezen en waar men ook wel kracht put uit de daden van de geloofshelden en de wonderen en tekenen die toen zijn geschied, doch waarvan men de diepere bedoeling niet vat

Daarom ontgaat hun zoveel schoons, gelijk als het iemand vergaat die een schilderij oppervlakkig bekijkt, dóch meer ook niet, omdat hij geen oog heeft voor uitdrukkingen en bijzonderheden, maar alleen oog heeft voor het oppervlakkige en niet tracht om door te dringen in de bedoeling van de schilder.

Heerlijk is het niet alleen voor de hoorders, door het ontvangen, maar ook voor de prediker zelf om een goed uitdeler van zulke zaken te mogen zijn, zoals Apostel Paulus het was, en met hem vele anderen.

Als Apostel Paulus, die geen gebrek aan woorden had (immers hij hield zijn rede tot aan het middernachtelijk uur, moet schrijven, dat de Corinthiërs zijn rede verachtelijk noemden, dan moet dit zeker een gebrek aan geestelijk leven onder hen geweest zijn, want als wij zijn betoog lezen over een doodgewone huiselijke twist en hij ons daarvan de diepere strekking doet zien, dan is die oplossing geen zaak van het menselijk verstand, doch de Geest Gods heeft hem dat geopenbaard.

Men moet toch wel veel geestelijk licht ontvangen hebben, om de personen, die bij deze twist betrokken waren, over te zetten op een wijze zoals hij dat deed. In deze moderne tijd haalt men veelal de schouders op voor zulke begrippen.

Dit is echter zeker: de leer der typologie bloeide in de dagen van de eerste apostelen en het: "Zij zullen allen van God geleerd zijn", is zeker op hen van toepassing.

Duizend keer per dag komt er op de wereld een huiselijke twist voor en zelfs vele malen ook bij halfbroeders, zoals Isaäc en Ismaël waren, doch deze spreekt vooral nu boekdelen en heden ten dage brandt die strijd nog tussen Jood en Arabier, zij het dan dat deze vlam een wijle schijnt te doven.

In de diepzinnige verklaring van deze personen geeft de Schrift ons een aansporing om verder te zoeken, gelijk ook de Openbaring enkele beelden verklaart, doch dan het overgrote deel overlaat aan de dienstknechten Gods, om de dingen te tonen, die haastig geschieden zullen.

Laten wij ons verheugen in deze beelden en in hetgeen zich verder aan het geestesoog voordoet.

Toen Abraham de schone belofte aangaande zijn zaad ontving, dan nemen wij waar, dat de vervulling daarvan door hem verbeid, even duurde, Nu wordt hij door het aanbod van Saraï, zijn huisvrouw verleid, menende dat, die belofte ook wel op een andere wijze vervuld zou kunnen worden.

Als dan Ismaël geboren wordt uit de dienstmaagd, dan is hij niet de zoon der belofte, neen, met hem zou de Heer geen verbond maken zoals Hij beloofd had. Zeker, Ismaël zou wel een zegen ontvangen, immers twaalf vorsten zou hij winnen en hij zou tot een groot volk worden, hetwelk vanwege de menigte niet geteld zou kunnen worden, maar het "grote verbond” zoals beloofd aan Abraham en zijn zaad, zou niet met deze zoon worden aangegaan.

Ismaël was de zoon  van een dienstbare, van één, die als een Egyptische maagd bij Abraham’s huis binnentrad en die slechts behoefde te doen wat haar opgedragen werd en dit vanzelfsprekend met liefde kon doen, doch ook enkel en alleen uit plichtsbesef.

De wet van het huis van Abraham was haar tuchtmeester; naar die wet moest zij zich gedragen; en, deed zij dat niet, dan kon zij vrezen voor de toepassing van de tuchtmaatregelen.

Zulk één kon geen schakel zijn in het beloofde zaad; neen, daartoe zou er een andere aanwezig moeten zijn, die, uit vrije wil, uit liefde verbonden was met Abraham.

De Schrift zegt:"Hagar is Sinaï, een berg in Arabië en komt overeen met het (natuurlijke) Jeruzalem, dat dienstbaar is met haar kinderen"

Dienstbaar door de wet, de tuchtmeester van de Israëlieten tot op deze dag. De wet, ontvangen op de berg Sinaï, die rookte vanwege de donder en bliksem des Heren, onze God, en, waar het volk niet kon verdragen, dat de Here God tot hen zou spreken, ja, zó, dat Mozes zelfs een deksel op zijn aangezicht moest leggen, vanwege de glinstering die als een weerkaatsing van de Goddelijke Majesteit tot onder aan de berg op hem bleef.

Siddering had Gods volk bevangen. Bange vrees vervulde ieders hart. Het eigenaardige, doch volkomen opgaande in de verklaring van Apostel Paulus is, dat het volk Israël, naar het vlees geboren uit Isaäc, in de geestelijken zin Ismaël is.

Zulks is het duidelijkste vervuld aan Israël door zijn dienen der letter en des vleses en niet des geestes.

Het aardse Jeruzalem was de plaats, vanwaar door de priesterschaar de wet, op Sinaï gegeven, uitging.

Deze was op zichzelf goed, doch zij was en bleef de tuchtmeester van Israël, die daaronder dienstbaar was, evenals Hagar ook een dienstbare was.

Uit dienstbaarheid werd Ismaël geboren, Jeruzalem in zijn priesterschap dienstbaar onder de wet, baarde kinderen, de Israëlieten, welke tezamen als een Ismaël werden.

Uit deze geboorte zou de Heer Zijn werk niet voortzetten. Zeker, ook Israël ontving zegeningen van de Heer, doch de wet heeft geen ding volmaakt (Hebr.7:19).

De wet is de schaduw van de toekomende goederen (Hebr.10:1). Uit de werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden, want door de wet is de kennis der zonde. (Rom.3: 20) .

De belofte aan Abraham, of zijn zaad, is niet door de wet, maar door de rechtvaardigheid des geloofs.

Israël was naar het vlees-(1 Cor.10:18-).

Toch is de wet op zichzelf heilig en goed.

Nu komen we tot Isaäc, het kind der belofte. Type in de eerste plaats van Christus, doch daarna ook van zijn gemeente.

De gemeente, niet geboren uit het vleselijk gebod, maar uit de wet des geestes, in Christus onze Heer en Heiland, geboren uit de vrije genade en barmhartigheid Gods, uit de wet des geestes geopenbaard in het grote gebod: “Heb God lief boven alles en uw naaste als uzelve”.

Ziedaar, de vrijheid, de blijheid van het Evangelie der genade.

Door één offerande bracht Christus dit tot stand en nu, gerechtvaardigd door het geloof, zien wij, dat de belofte  niet komt door de wet van het vleselijke geloof, maar door een hogere wet, de wet des Geestes, door het geloof in Christus, welke wet óns in het hart geschreven is door de waterdoop en de, daarop volgende verzegeling tot Eerstelingen Gode en het Lam, geschreven, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen des harten.

Dit is de Bruidsgemeente van Christus, gekocht door Zijn bloed, met de leer, zoals, Hij deze door Zijn Apostelen liet verkondigen.

De moeder is Sara of het Jeruzalem, dat boven is, dat Jeruzalem, waartoe volgens Hebr.12:22 de Christen-Hebreën gekomen waren.

Deze Christen-Hebreën waren gedoopt met water, doch zij waren ook verzegeld, met de Heilige Geest door handoplegging van het apostelambt, gelijk alle christenen in die dagen.

Dat Jeruzalem, van waaruit Christus, de Hogepriester, de Heilige Geest deed nederdalen om in des mensen hart te wonen. Zo zijn ook wij, als behorende tot de Bruidsgemeente van Christus, verbonden aan dat hemelse Jeruzalem, vanwaar de wet des Geestes uitgaat, die wij door het geloof ontvangen.

En dát geloof houdt in, dat wij de handoplegging van door God geroepen en geordende apostelen tot het ontvangen van de Heilige Geest niet versmaden.

Dat behoort tot het geloof  gelijkerwijs de Schrift het zegt.

Wij zijn dus door de Heilige Geest verbonden aan dat Jeruzalem dat boven is en waarheen Christus Zijn Bruidsgemeente zal trekken om dan als volmaakte gemeente dat Jeruzalem te vormen, waar niets meer ten dele is, maar alles volmaaktheid.

Daar zijn de straten (evangelieverkondiging en rechtspraak) van zuiver goud (zuivere waarheid) en doorzichtig als glas (niet vertroebeld door de zonde, en ieder zal er inzage in hebben en kennis van dragen). Dat is het Jeruzalem, dat als de Bruid van Christus als het Nieuwe Jeruzalem op aarde zal nederdalen in het Duizendjarig Vrederijk.

Wij keren terug en bezien nu de verhouding tussen de beide zonen, de beide half broers.

Wij lezen dat Ismaël die, naar het vlees was geboren, de zoon der vrije, de zoon der belofte, vervolgde. Hij bespotte hem, Hoe ver hij hiermede is gegaan, weten wij niet.

De ware Izaäk, Jezus Christus, werd steeds vervolgd door de Joden en hun bespotting is evenzeer bekend.

Dan komt de scheiding; scheiding tussen de dienstbaarheid der wet, en de vrije genade door het evangelie. Scheiding tussen het natuurlijke Jeruzalem en het hemelse Jeruzalem.

De Here God liet aan Abraham merken, dat het Zijn wil was, dat Hagar wegtrok. God had hiermee Zijn wijze bedoeling. De eis was: drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit, want de zoon van deze dienstmaagd zal niet erven met Mijn zoon.

En, zo geschiedde het. Hagar kreeg brood en een fles water mee, en Abraham zond haar weg en zij vertrok en dwaalde in de woestijn Berseba.

Die uitdrijving nemen wij bij de typische Hagar en Ismaël duidelijk waar.

Het was Gods vinger, die Jeruzalem met haar kinderen wegzond in het jaar 70, na Christus. Stad en tempel werden verwoest. En, van die ure af wandelde de Jood in de woestijn der volkeren. Zo was Christus het einde der wet.

De zoon van de dienstmaagd zal niet erven met mijn zoon. Neen, de zegening die het natuurlijk Israël zal verkrijgen, zijn niet zo schoon als die welke het gezonde, het ware deel van het geestelijke Israël zal ontvangen. Immers, de eerste christenen, die daartoe behoorden, waren gezegend met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus (Efeze 1,3). Dat is de Bruidsgemeente.

Het natuurlijk Israël heeft het Bruidschap miskend en de verzegelden uit de 12 stammen Israëls, zoals deze in de Openbaring van Johannes worden genoemd, kunnen dus niet uit het natuurlijk Israël zijn, maar wel uit het geestelijk Israël.

Het natuurlijk Israël houdt zich nog wel vast aan de Wet en de Profeten, doch er is op het gebied van de Godsdienst een geweldige verslapping onder hen waar te nemen.

Jeruzalem en zijn kinderen dwalen rond op de aarde en straks zal er grote dorst in haar zijn, want men zal geen bevrediging meer vinden in hetgeen men heeft gehad.

Offeren mag men alleen in de tempel te Jeruzalem, en de toestanden zullen dat verhinderen, juister gezegd: God zal het verhinderen,want de toestanden, die daar plaats vinden, zijn geen toeval.

Straks zal Israël inzien, dat het de ware Messias heeft verworpen. Voordat Jeruzalem en haar kinderen tot die ontdekking komen, zullen zij eerst een zeer groot leed moeten doormaken. Wij lezen daar voldoende over in de profeten van het Oude Verbond, die op vele plaatsen ook over het natuurlijk Jeruzalem schrijven.

De weedom, die zich van hen zal mees ter maken, zal uitermate groot zijn. Jeruzalem en haar kinderen hebben reeds lang gezworven en ontberingen meegemaakt, doch er komt nog een heel sterke weeklage.

Veel bloed is er vergoten, veel tranen hebben er gevloeid, doch een zeer benauwde ure is nog aanstaande. Als dan alle hoop verloren zal zijn en er geen verwachting op redding meer wezen zal, namelijk wanneer de gruwel der verwoesting ook Israel zal treffen, maw, als het kind in de verloren staat, onder de struik, zal zijn gelegd,  dán zal God het geroep horen. Het geroep van het kind zal doordringen in de heilige oren van de Hoge God en Hij zal zijn Engel zenden.

De Grote Verbondsengel, Jezus Christus zal troostend spreken, gelijk Jozef troostend sprak tot zijn broederen, nadat hij zich eerst als doof had gehouden voor hun geschrei.

Christus zal de boog nemen, nml. de boog van het evangelie der genade en Hij zal de pijl, Zijn Woord, recht in het hart van Israël schieten. En Israël, 0, het zal dan die Jezus zien, Die zij doorstoken heeft.

Men zal Hem zien en juichend aan Hem hulde bieden, én om genade smeken.

Het hart zal dan bereid zijn om de pijl van Jezus Christus te ontvangen. Men zal voor Hem neder knielen en Hem als Koning aannemen.

Zo zal ook dat Jeruzalem verlost worden uit zijn benauwdheden (Hosea: 5:15), als het hem bang zal zijn. Dit is de bekering van Israël.

God opende Hagars ogen, dat zij een waterput zag en zij ging en vulde de fles met water en gaf Ismaël te drinken. Zó zal God de ogen van Jeruzalem, de leidslieden van Israël, eenmaal openen, dat het de waterput Jezus Christus zal zien en met innerlijke blijdschap zal het, bevende van vreugde, dat Levenwater uit Hem, die de Fontein van het Levende Water is, de Fontein des Levens, nemen en aan haar kinderen dat water geven.

Eérst troostwoorden, daarná Levenswater. Wat een heerlijke uitkomst.

God was met de jongen en hij werd groot. Als Israël dat Levenswater genomen zal hebben, dan zullen Jeruzalem en haar kinderen groeien in de kracht van Christus.

Dan zal Israël aan de spits der volkeren worden gesteld. Evenwel zal het koning- en priesterschap niet voor hen zijn. Dát is aan de Bruid van Christus gegeven.

Gelijk Ismaël  dus nog een zegen ontving, zo zal ook Israël in de toekomst nog die zegen van God ontvangen, dat het het eerste volk onder de volkeren zal zijn.

Zó zal geheel Israël zalig worden. (Rom.l1:26), SdJ.