Het werk van de Heilige Geest
Zijn openbaring volgens het Boek der boeken
Het verschijnsel van de profeten in het Oude Testament
De profeten onder het oude Israël vormen èn in de geschiedenis van Israël zelf èn in de geschiedenis van de gehele mensheid een uniek verschijnsel. Niets wat ter vergelijking wordt aangevoerd,kan in werkelijkheid met hen worden vergeleken. Het gaat hierbij niet alleen om een verschil in waarde,maar ook om een principieel verschil. De profeten worden ons in de Bijbel voorgesteld als mensen, die door God Zelf geroepen werden om Zijn boodschap aan Israël te verkondigen.
En die boodschap blijft zelfs niet tot Israël beperkt, maar is een boodschap voor alle volken.
De profeten waren dienaren van God. Hij Zelf noemt ze: 'Mijn knechten, de profeten (2Kon.9:7; Jer.7:25; 25:4; 29:19; 35:15; 44:4; Ezech.38:17; Zach.1:6). Zij moeten fungeren als de mond van God.
Dat de profeten tot hun taak door God Zelf werden geroepen, wordt herhaaldelijk gezegd.Van verschillende profeten wordt ons hun roeping uitvoerig gemeld.
Mozes werd door God geroepen, toen deze hem verscheen als een vuurvlam midden uit een braamstruik in de woestijn bij de berg Horeb. Daar was Mozes bezig de schapen van zijn schoonvader Jetro te hoeden (Ex.3).
Samuël ontving zijn roeping van God in een nachtelijke openbaring, toen hij als jonge man in dienst was van de (hoge) priester Eli, in het heiligdom te Silo (lSam.3).
Elisa werd door God tot profeet geroepen door middel van Elia, toen hij bezig was een stuk land te ploegen (lKon.19:19-21).
Heel bijzonder was de roeping van de profeet Jesaja. In een ontzagwekkend visioen,ziet hij zichzelf vol schrik als een verlorene tegenover de majesteit en de heiligheid van God. Maar, hij mag bemerken dat hij, als een zwak en onrein mens, desondanks door de HERE wordt geroepen en toegerust tot profeet.
Van de roeping van de profeet Jeremia lezen we in hoofdstuk 1 van zijn boek. Jeremia tracht eerst aan de verantwoordelijkheid en de strijd, die aan het profetenambt zijn verbonden, te ontkomen. Hij werpt de HERE tegen, dat hij zich nog zo jong voelt om de zware taak op zich te nemen. Maar dan zegt de HERE: 'Zeg niet, ik ben jong, want tot een ieder, tot wie Ik u zend, zult gij gaan, en alles, wat Ik u gebied, zult gij spreken. Vrees niet voor hen, want Ik ben met u om u te bevrijden, luidt het woord des HEREN' (Jer. 1:4-8).
Ezechiël wordt tot profeet geroepen, als hij zich als balling bevindt in het Babylonische land. Zijn roepingvisioen beschrijft hij in hoofdstuk 1-3 van zijn boek. Ook hij ziet een indrukwekkend gezicht, waarin de HERE, de heerser van de gehele wereld, zich aan Ezechiël vertoont in vurige mensengedaante. Het is een visioen waarin de heerlijkheid van God zich in heiligheid en goddelijke macht openbaart als de kracht die het wereldgebeuren beheerst en leidt. Evenals de eerder genoemde profeten hoort Ezechiël duidelijk de stem van de HEER. Al wordt ons de roeping van iedere profeet niet even uitvoerig beschreven, het is duidelijk dat ze zich allen door de HERE Zelf tot hun taak geroepen weten.
Amos zegt met nadruk, dat de HERE Zelf hem achter de schapen vandaan gehaald en tot hem gezegd heeft: 'Ga heen, profeteer tegen Mijn volk Israël' (Amos 7:15). Die roeping van God was een kracht, waartegen geen profeet zich kon verzetten. Amos zegt: 'De leeuw heeft gebruld wie zou niet vrezen? De Here HERE heeft gesproken, wie zou niet profeteren?' (Amos 3:8).
Jeremia heeft eens in zijn leven geprobeerd zich aan de roeping van God te onttrekken. Hij kon de spot en de smaad, die hij om zijn profeteren van de zijde van zijn volksgenoten ontving, niet langer dragen. Hij sprak bij zichzelf: 'ik wil aan Hem niet denken en in Zijn Naam niet meer spreken.'
Maar toen werd het woord van God als een brandend vuur. Hij deed zijn best om het in te houden. Maar zoals een brandend vuur wil doorbreken en uitlaaien, zo was het met Gods woord bij hem. Hij kon het niet inhouden. Hij moest spreken! (Jer.20).
De oudtestamentische profeten moesten niet slechts oordelen uitspreken over het afvallige Israël. Onverdiend voor hen en het gehele mensdom, spraken zij tevens over een heerlijke verlossing voor allen door Jezus Christus, onze Heer!
Ware en valse profeten
De taak van de profeet is de verkondiging van Gods Woord. Hij mag niet zijn eigen woord en zijn eigen gedachte brengen, maar Gods Woord en de gedachte van God. Eén van de verschillen tussen de ware en de valse profeten is, dat de eersten Gods Woord en de laatsten hun eigen woord verkondigen (Deut.18:9-22; Jer.23:9-32).
De profeten zeggen telkens uitdrukkelijk, dat ze niet hun eigen woord brengen, maar Gods Woord. Zij gebruiken in hun profetieën uitdrukkingen als:
de HERE spreekt (Jes.l:2;)
daarom luidt het Woord des HEREN (Jes.3:16); ,
de HERE der heerscharen sprak tot mij (Jes.5:8);
want aldus heeft de HERE tot mij gezegd (Jes.8:11);
zo zegt de HERE (Jes.31:4; Jer.4:27);
het Woord des HEREN kwam tot mij (Jer.l:4),
daarop zeide de HERE tot mij (Jer.l:14)
zo zegt de Here HERE over het land Israëls: het einde komt (Ezech.7:1,2)
Duidelijk komt het ook uit in het roepingvisioen van de profeet Ezechiël, dat een profeet niets anders heeft te doen dan het Woord van God te verkondigen, onverschillig of hem dit aangenaam is of niet. De boodschap, die Ezechiël moet brengen, is niet aangenaam. Het zijn de oordelen van God over een weerspannig volk. Maar nochtans heeft de profeet ze gewillig en met vreugde te brengen in de Naam van zijn God. Een profeet moet zijn eigen wil en gedachten gevangen nemen onder die van God. Hij mag niet zijn eigen gedachten en inzicht verkondigen.
De profeet is de knecht van de HEER om diens wil te verkondigen. Het is dan ook onjuist te beweren, dat de profeten hun eigen woorden brachten, maar die aandienden als woorden van God. Er blijkt soms een duidelijk onderscheid tussen het eigen woord van de profeet en het Woord van God, dat zij brengen.
Wanneer David aan de profeet Nathan de wens te kennen geeft om de HERE een tempel te bouwen, keurt deze de gedachte van David direct goed. (2Sam.7:3). Maar in de nacht kwam het Woord des HEREN tot Nathan. En de HERE. sprak tot Nathan, dat David Hem géén huis zou bouwen. Dat zou de zoon van David doen. Niet David zal de HERE een huis bouwen, maar de HERE zal David een huis bouwen.
In een prachtige woordspeling wordt hier het huis in twee betekenissen gebruikt. David bedoelt een stenen huis. Later mag zijn zoon Salomo dit huis bouwen. De HERE bedoelt een koningshuis, een geestelijk huis. God zal de koninklijke troon van David voor altijd bevestigen. Dit woord wijst heen naar de Messias, die eens uit het geslacht van David zal worden geboren en een eeuwig koning zal zijn. Dan moet Nathan als een correctie op zijn eigen woord met dit goddelijke woord naar David terug. Duidelijk blijkt hier het onderscheid tussen het eigen woord van de profeet en het Woord van God. En de profeet is zich dit onderscheid terdege bewust geweest (2Sam.7:1-17).
Ook de geschiedenis van de profeet Jona is in dit opzicht leerzaam. Zou hij zijn eigen boodschap in Ninevé moeten brengen, dan zou deze anders luiden dan het Woord van God, dat hem is opgedragen. Juist omdat dit Woord van God niet strookt met zijn eigen woord en bedoelingen, vlucht hij weg om zo aan de opdracht, het Woord van God te verkondigen, te ontkomen (Jona l:1-17). Hij kende Gods barmhartigheid en vermoedde dat op zijn profeteren die heidense mensen, met hun verschrikkelijke wandaden, zich wel zouden bekeren. Maar hij wilde juist dat de oordelen van God hen zouden vernietigen.
Ook dit is een duidelijk voorbeeld van het verschil tussen de eigen gedachten van de profeet en de gedachten van God: 'Zou Ik dan Ninevé niet sparen, de grote stad, waarin meer dan honderdtwintigduizend mensen zijn, die het onderscheid niet kennen tussen hun rechterhand en hun linkerhand, benevens veel vee?' (Jona.4:11).
Het is dus onjuist om te zeggen dat de profeten hun eigen woord brachten alsof het Gods eigen woorden zouden zijn. 'Want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens' zegt apostel Petrus, 'maar, door de Heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken'
Profeten en profetessen -[want die waren er ook: Mirjam, de zuster van Mozes, de richteres Debora (Rich.4:4) en Hulda (2Kon.2:14) - ontvangen dus hun boodschap niet van mensen of uit hun eigen hart, maar van God. Hier is sprake van goddelijke inspraak: zonder hoorbare stem brengt de HERE rechtstreeks Zijn gedachten in hun bewustzijn. Slechts deze gedachten mogen, als gewaarmerkte woorden van God, worden uitgesproken. Maar niet alleen op deze wijze wordt Gods Woord gehoord; God openbaart Zich ook, zoals we bemerkten aan de eerdergenoemde roepingen van bepaalde profeten, door het oog in visioenen.
Nieuwtestamentische profeten en profetessen
'Ik geloof in de Heilige Geest.'
Met deze woorden uit de Apostolische Geloofsbelijdenis -ontstaan in de tweede eeuw -belijdt de christen zijn geloof in de derde persoon van de heilige Drievuldigheid.
De Geloofsbelijdenis van Nicea (381) spreekt hierover in meer uitgebreide vorm -in de eerste persoon meervoud -: Wij geloven in de Heilige Geest, die Here is en levend maakt, die uitgaat van de Vader en de Zoon, die samen met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt, die gesproken heeft door de profeten.
Die Geest Gods was, zoals we eerder schreven, al geen onbekend verschijnsel in Israël aan het begin van onze jaartelling, zij kenden immers toen al de Heilige Schrift als het boek van de Wet en de Profeten. Weliswaar waren er gedurende de vierhonderd voorliggende jaren nauwelijks profeten opgetreden onder het volk, maar met name de priesterschap en de schriftgeleerden ontleenden wel hun gezag aan hun kennis van de wet èn de profeten!
Direct al aan het begin van het Nieuwe Testament wordt over de Heilige Geest gesproken. Maria, ondertrouwd met Jozef, bleek zwanger te zijn uit de Heilige Geest (Mat.l:18).
Jozef vernam dit feit in een droom (Mat.l:20).
Johannes de Doper zei: ... maar Hij, die na mij komt, die zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur. (Mat.3:11). Hij zag, nadat hij Jezus had gedoopt, de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem komen (Mat.3:16).
De Heer Jezus werd door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden. (Mat.4:1).
De priester Zacharias werd, nadat zijn zoon Johannes acht dagen na zijn geboorte werd besneden en zijn naam ontving, vervuld met de Heilige Geest en profeteerde (Luk. l:67).
Als het kind Jezus veertig dagen na zijn geboorte door zijn ouders in de tempel wordt gebracht, waren daar tegelijkertijd ook Simeon en Hanna: 'En zie, er was een man te Jeruzalem, wiens naam was Simeon, en deze man was rechtvaardig en vroom, en hij verwachtte de vertroosting van Israël, en de Heilige Geest was op hem. En hem was door de Heilige Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zien zou, eer hij de Christus des Heren gezien had. En hij kwam door de Geest in de tempel' (...) 'Ook was daar Hanna, een profetes, een dochter van Fanuël, uit de stam Aser' (Luk.2:22-39).
Tot Zijn discipelen sprak de Heer: ... weest dan niet van tevoren bezorgd wat gij zeggen moet; want gij zijt het niet, die spreekt, maar de Heilige Geest. (Marc.13:11).
In het Johannes- evangelie vinden we de volgende woorden van Jezus. 7:38,39: 'Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien'. Dit zeide Hij (Jezus) van de Geest, welke zij, die tot geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden; want de Heilige Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was' 14:26: Maar de Trooster, de Heilige Geest, die de Vader zenden zal in Mijn Naam, die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb. 20:21,22: 'Jezus dan zeide nogmaals tot hen: Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u. En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zeide tot hen: Ontvangt de Heilige Geest.'
In de eerste gemeente
Het is duidelijk dat het werk van de Heilige Geest in de eerste gemeente een dominante plaats innam. De Heilige Geest was immers gegeven om hen te leiden tot de volle waarheid (Joh.16:12). Daarom zou het bijbelboek 'de Handelingen der Apostelen' beter benoemd kunnen worden als 'De handelingen van de herrezen Christus door middel van de Heilige Geest bij de apostelen' In de apostolische brieven wordt dan ook op ± 170 plaatsen melding gemaakt van de Heilige Geest.
De Openbaring van Johannes is geheel en al profetie: 'Zalig hij, die voorleest, en zij die horen de woorden der profetie, en bewaren, hetgeen daarin geschreven staat, want de tijd is nabij' (Opb.l:3). Deze woorden zijn in Opb.22:7,18,19 nog eens bevestigd.
In 1Kor.12-14 geeft apostel Paulus een uitgebreide verhandeling over het werk van de Heilige Geest. Hij waarschuwt in 1 Thes.5:19-21 'Dooft de Geest niet uit, veracht de profetieën niet, maar toetst alles en behoudt het goede.'
Tot een jonge evangelist zegt hij in 1Tim.1:18 'Deze opdracht vertrouw ik u toe, mijn kind Timotheüs, overeenkomstig de profetieën, die vroeger aangaande u zijn uitgesproken...' In de eerste gemeente werden christelijke profeten dus erkend (lKor.12:28-31; Ef.4:11). De gave van profetie was niet ongewoon.
We lezen over de profeten Agabus (Hand.11:27,28), Judas en Silas (Hand.15:32) en de vier dochters van Filippus, de evangelist, die profetessen waren. Het schijnt dat er nogal veel profetessen zijn geweest, want in Paulus eerste brief aan de Korinthiërs worden voor hen voorschriften gegeven omtrent het bedekken van het hoofd tijdens de erediensten in het algemeen en dus tijdens het profeteren in het bijzonder (11:5).
Ten slotte
Kort samengevat kunnen we stellen: 'het getuigenis van Jezus is de Geest der profetie!' (Joh.15:26; Opb.19:10b). Hoe zou het Evangelie kunnen worden verkondigd als de wind van Heilige Geest niet waait?
In een artikel in ons volgend nummer zullen we schrijven over het werk van de Heilige Geest in onze tijd.©,hfr
Het werk van de Heilige Geest in onze tijd.
Nadat we ons in beknopte zin hebben verdiept in het werk van de Heilige Geest gedurende de oudtestamentische en nieuwtestamentische tijden (zie het voorgaande), bezien we thans hoe en waarom de Heilige Geest Zich ook in onze tijd openbaart.
Aan de Israëlieten gaf de HERE God de belofte, dat Hij in Kanaän zou geven de 'vroege en late regen', opdat ze hun koren, most (wijn) en olie zouden kunnen inzamelen. Hij spreekt dit door de mond van de profeet Mozes, die tevens de voorwaarden daartoe moet aanzeggen: aandachtig luisteren naar de geboden, die hij hun heden oplegt, zodat ze de HERE, hun God, liefhebben en Hem dienen, met hun gehele hart en ziel, dan zal die belofte worden vervuld. Indien ze echter terugvallen in hun dienst aan de afgoden, zal de toorn van de HERE tegen hen ontbranden en wordt door Hem de ,hemel toegesloten en zal het dus niet regenen (Deut.ll:13-17).
God dienen, betekent welvaart voor het volk Israël in Kanaän. Het is de profeet Joël, die ongeveer 600 jaar later, ook over de vroege en late regen profeteert: 'En gij, kinderen van Sion, juicht en verheugt u in de HERE, uw God, want Hij geeft u de Leraar ter gerechtigheid; ja, regenstromen laat Hij voor u neerdalen, vroege regen en late regen, zoals voorheen' (Joel 2:23).
Allereerst heeft de regen hier een natuurlijke betekenis.
Uitstorting van de Heilige Geest
Het volk Israël was weer afgeweken van de juiste weg en had haar heil gezocht bij de goden van de heidenen. Gods oordeel kwam uiteindelijk over hen in de vorm van grote droogte en sprinkhanenplagen. Na zijn boetedoening belooft God uitkomst. Maar over de toenmalige situatie heen profeteert Joël over de komende grote Dag van de HEER en over het feit dat Hij Zijn Geest zal uitstorten over alle vlees (Joel 2:23-32).
Als op de eerste Pinksterdag van de christelijke gemeente de Heilige Geest dan daadwerkelijk wordt uitgestort, verwijst apostel Petrus naar de belofte hiervoor in deze profetie (Hand.2:14-21).
De vroege regen valt in het Midden-Oosten in het najaar en de late regen in het voorjaar. Daarop volgt de oogst in de hete zomer. De vroege regen maakt het dan volkomen uitgedroogde land zodanig vochtig dat het zaad daarin kan ontkiemen. De late regen zorgt ervoor dat het zaad tot volkomen ontwikkeling komt. Daarna rijpen de gewassen onder de hete zomerzon, zodat ze geoogst kunnen worden.
Regen is het profetische beeld van geestelijke zegeningen; in het bijzonder het beeld van de Heilige Geest en Zijn gaven. De uitstorting van de Heilige Geest op bovengenoemde Pinksterdag is de eerste, de vroege regen, die op de Kerk neerdaalde. Ondanks de waarschuwingen van apostel Paulus de Heilige Geest niet uit te blussen, is dit toch geschied. De zevenvoudige volheid van Zijn kracht en pracht is in de vierde eeuw uit de Kerk verdwenen. Dit betekende niet dat de Heilige Geest de Kerk had verlaten, want de Geest waait waarheen Hij wil. Wel werd de openbaring van de geestelijke gaven uiterst zeldzaam. De Geest kon niet meer wonen in de individuele gelovige, omdat de apostolische handoplegging daartoe onmogelijk was: het apostelambt ontbrak (Hand.8:14-17).
Sindsdien was de Heilige Geest bijwonend aanwezig. De geestelijke gaven, de sieraden die de bruid van Christus moesten tooien konden niet meer worden uitgedeeld.
De late regen
Gezien het feit dat de Heer niet slechts de vroege regen beloofde, maar ook de late, mocht de Kerk deze tweede uitstorting van de Heilige Geest verwachten. In de laatste tijd, voordat de grote oogst' kan worden binnengehaald, zal de late regen de geestelijke akker doordrenken. Door de kracht van de Zon van de Gerechtigheid rijpt het graan.
Een stukje historie
De Franse revolutie, die begon op 14 juli 1789, ontwrichtte Europa. Met name op godsdienstig gebied. Ongeloof en verguizing van het christendom waren het gevolg. Toch waren er velen, in Engeland en ook in andere Europese landen, die troost zochten bij God en Zijn Woord. De verschrikkingen van de Napoleontische oorlogen leken voor hen tekenen van de laatste tijd. Men begon de Heilige Schrift met meer aandacht dan voorheen, te lezen. Daardoor ontdekte men dat de Kerk veel van haar schoonheid had verloren, in vergelijking met de gemeente uit de eerste eeuw. Men hield bidstonden waarin de Heer van de Kerk werd gevraagd de Heilige Geest met Zijn gaven opnieuw uit te storten. In Engeland verzamelde de bankier Sir Hemy Drummond een groep bekende en bekwame theologen om zich heen. Deze groep mensen, die veel belangstelling toonde in geestelijke opwekking, hield regelmatig studiebijeenkomsten op het landgoed van de heer Drummond te Albury. Men onderzocht met name de profetische geschriften van de bijbel. Na een aantal jaren van gedegen onderzoek kwamen zij tot de volgende conclusies (kort samengevat):
1: De tegenwoordige christenheid zal haar einde vinden door oordelen van God, die veroorzaken dat de huidige instituten van kerk en staat vernietigd worden, zoals eenmaal de Joodse staat is vernietigd;
2: Ten tijde van de oordelen zullen de Joden in hun land worden hersteld;
3: Deze oordelen zullen waarschijnlijk hoofdzakelijk over de christenheid komen; het zwaarst over dat deel van Gods Kerk dat het meest gezegend is geweest en daardoor de grootste verantwoordelijkheid draagt;
4: Na deze oordelen vangt het Duizendjarig Vrederijk aan voor alle mensen, ja zelfs voor de onbewuste schepping;
5: De Wederkomst van Christus vindt plaats vóór of bij de aanvang van dit Rijk;
6: De Heer zal spoedig komen want wij leven in de laatste tijd!
Zoals wij geloven, werden de vele gebeden tijdens de eerdergenoemde bidstonden door de Heer van de Kerk verhoord. Vooral in Engeland werd in verschillende gemeenten plotseling de stem van profetie weer gehoord. Aangezien een bepaald aantal profetieën snel werd vervuld (b.v. Juli revolutie 1830 in Frankrijk -opstand Belgen tegen Nederland -oproeren in Duitsland en Engeland), kwamen velen tot de overtuiging, dat deze opwekkingsbeweging temidden van de verscheurde christenheid, door God was gewild. Tevens werd de gave van gezondmaking openbaar bij enige zeer ernstige zieken.
Allengs ontving de Kerk,-dat is in onze opvatting de UNA SANCTA, in de geloofsbelijdenis van Nicea genoemd: de Heilige, Katholieke en Apostolische Kerk -ook weer de bijbelse priesterlijke bedieningen, zoals die onder meer in Efe.4:11 worden vermeld.
Door de Heilige Geest, sprekend door gelovigen, die de gave van profetie ontvingen, werden twaalf apostelen geroepen. Hun werd het algemene bestuur van de wereldkerk opgedragen. Deze opdracht betekende vooral de verscheurde Christelijke Kerk op te roepen tot eenheid: de eerste oecumenische beweging was geboren. Niet door menselijk ingrijpen, maar door goddelijke opdracht. Voor de opbouw en het bestuur van de plaatselijke gemeenten gaf de Koning van de Kerk, door de stem van profetie, herders en leraars, profeten en evangelisten. Tesamen met de apostelen vormen zij de viervoudige priesterlijke bediening van de Kerk. Zij dienen de gelovigen voor en toe te bereiden op de wederkomst van de Heer Jezus Christus. Een zeer groot aantal gelovigen uit de veelheid van de onderscheiden kerkgenootschappen, waaronder vele vooraanstaanden uit Kerk en staat, kon het' apostolische werk' als van God gegeven aanvaarden. De meerderheid van het grote Godsvolk bleef hiertegenover echter afwijzend staan. Daardoor kon dit werk helaas niet binnen de bestaande kerken worden ontplooid en moest men afzonderlijk vergaderen. Zo ontstond de Katholiek Apostolische Kerk.
Maranatha-getuigenis
De twaalf apostelen en hun mededienaren hebben in geheel Europa het Maranatha- getuigenis verkondigd. Ze riepen de christenen van alle kerkafdelingen (denominaties) op zich voor te bereiden op de spoedige komst van de Messias en zich daartoe te laten verzegelen met de Heilige Geest (d.i. de Doop met de Heilige Geest). Aan alle hoofden van Kerk en staat zonden zij een indrukwekkend Manifest, waarin uitvoerig het apostolische werk werd omschreven. Zij hebben ongeveer 450 gemeenten gesticht. Onze kerkgemeenschap is in 1863 direct uit de Katholiek Apostolische Kerk voortgekomen en heeft het apostolische werk onder de naam Hersteld Apostolische Zendingkerk onverminderd voortgezet. Helaas hebben mensen het apostolische werk veel schade berokkend, waardoor velen het, met name in onze tijd, de rug hebben toegekeerd. Dit werk, zo prachtig begonnen, is een verscheurd werk geworden. Maar ondanks alle schade die door mensen is aangebracht, zal het oorspronkelijk apostolische werk toch doorgaan. De geloofwaardigheid van het bijbelse getuigenis kan nooit worden aangetast.
Op grond van onze geloofservaringen durven we nog steeds te geloven dat de Heer in ons midden spreekt door het woord van profetie, opdat Hij ons 'in alle waarheid' kan leiden. Vaak voelen we ons zwak en tot weinig in staat. Onze geloofsgemeenschap in Nederland telt slechts 500 zielen. Zij is als het ware' een druppel aan een emmer en een stofje aan een weegschaal' (Jes.40:15). Toch troost de Heer ons zodanig dat we steeds weer de kracht vinden om door te gaan. We roepen ieder christen op 'het apostolische getuigenis naar de Heilige Schrift' aandachtig te onderzoeken. Het is alleszins de moeite waard om deze ontdekkingsreis, uiteraard geheel vrijblijvend, te ondernemen. U zult ontdekken dat de 'late regen' nog steeds voor iedere gelovige in de Kerk neerdaalt. U zult ontdekken dat dit is: het werk van de Heilige Geest in onze tijd. U zult ontdekken dat de Heer van de Kerk, Zijn gemeente nog altijd, niet alleen door Zijn Woord, maar ook daadwerkelijk door Zijn Heilige Geest wil leiden en besturen. De Heer zegen u op deze tocht!©hfr.