De voorstelling in de tempel kunnen wij gedenken als een onderpand, als een profetie van datgene wat er éénmaal zal plaatsvinden in de volheid der tijden naar het eeuwige raadsbesluit van de Here God.
Gods gedachten zijn zo geheel anders dan de gedachten van de mensen en daardoor komt het, dat wij dat niet kunnen begrijpen en opmerken tenzij wij ons laten leiden door de Heilige Geest, Die ons de ogen opent om de dingen te zien zoals de Here God ze ziet.
Zo is het ook met de voorstelling in de Tempel.
Wie, en wát werd daar voor het menselijk oog voorgesteld?
Een kindje van arme ouders, en, noch aan dit Kindje, noch aan de ouders was iets bijzonders te zien of te herkennen.
Zélfs de priester die de handeling verrichtte, zag en bemerkte niets.
De wereld wist niets af van dit Kindje; Het werd geboren in een stal uit een arme moeder en iedereen moest wel denken dat Jozef, een eenvoudige timmerman, de vader was.
Wél waren er enige herders geweest die beweerden dat zij een gezicht van engelen gehad hadden en een boodschap uit de Hemel hadden gekregen, maar, dat was in de nacht gebeurt toen iedereen sliep en er niets van zag of hoorde.
Bij de koning Herodes waren wijzen uit het Oosten gekomen die zeiden dat zij een ster gezien hadden en die dit in verband brachten met een oude profetie over de Messias; maar ook deze wijzen waren weer stilletjes vertrokken en men had niets meer van ze gehoord.
Bovendien had Herodus in Bethlehem alle kinderen laten vermoorden, en dus, al zou het zijn dat daar een bijzonder Kind geboren was, dan was dat natuurlijk ook wel vermoord gelijk met de andere kinderen.
Toch was dit Kindje dat daar in de Tempel werd voorgesteld de vervulling van alle profetieën, vanaf Adam, en, niet alleen van alle profetieën maar óók van alle ordonnantiën, van alle daden van de Here God en van alle verwachtingen van het volk van Israël, ja, nog meer, zelfs van alle verwachting van de gehele mensheid.
Wel sprak een oude grijsaard bijzondere woorden over dit Kindje, maar, aangezien sedert een viertal eeuwen de stem der profeten niet meer was vernomen in Israél, was het de vraag,welke waarde men aan de woorden van deze oude man moest toekennen.
Zelfs de priester schijnt noch aan de woorden van Simeon, noch aan die van Anna de profetes, een bijzondere betekenis te hebben gehecht.
En tóch, WAT WAS DAAR IN DE TEMPEL VERTEGENWOORDIGD?
De Heilige Drie-eenheid:
God de Vader, Die, in de persoon van de priester Zijn eigen Zoon aanneemt.
God de Zoon, in dit Kindeke-God geopenbaard in het vlees, de mens geworden Zoon.
God, de Heilige Geest, Die de lippen van een Simeon opent om te verkondigen hoe Gods Raadsbesluit in dit Kindeke ligt opgesloten.
En, waaróm brachten Jozef en Maria dit Kindeke in de Tempel?
Om de eenvoudige redenen dat de Wet dit voorschreef.!
Zij brachten het Kindeke te Jeruzalem om het aan de Here God voor te stellen zoals er geschreven is in de Wet des Heren:"al wat mannelijk is dat de baarmoeder opent, zal den Here heilig genaamd worden."
Deze Wet vond haar oorsprong in een historisch feit, namelijk de uittocht uit het land Egypte.
Egypte was aan Israël, met name aan Jozef, veel dank verschuldigd.
Maar, een nieuwe koning stond op over Egypte, een koning, die Jozef niet gekend had en hij verdrukte het volk van Israël, doch de Here God verwekte hun een verlosser in de persoon van Mozes.
Deze Godsgezant zei tegen de Farao: "Alzo zegt de Heer:Mijn Zoon, Mijn eerstgeborene is Israël; laat Mijne Zoon trekken opdat hij Mij diene; maar gij hebt geweigerd om hem te laten trekken en zie, Ikzal uwen zoon, uwen eerstgeborene doden."
Doch, ondanks alle wondertekenen die door Mozes en Aäron werden gedaan, verharde de Farao zijn hart en liet het volk niet gaan, totdat de Here God élke eerstgeborene in het Egypteland doodde, van de mens tot het vee toe.
Egypte had geweigerd om aan de Here God Zijn eerstgeborene terug te geven en nu doodde de Here God de eerstgeborenen van Egypte, daarmede aantonende dat geheel Egypte onder het oordeel van de doods gekomen was.
Zowel het oordeel over Egypte, als de verlossing van Israël, werd dus verwezenlijkt door het uitstorten van bloed!!!.
Het oordeel over Egypte door het bloed van de eerstgeborenen; de verlossing van Israël door het bloed van het Paaslam.!
De Here God, in Zijn gerechtigheid, snijdt Egypte af in de persoon van de eerstgeborenen, zowel van mensen als van dieren; en, in Zijn lankmoedigheid neemt Hij geheel Israël aan en bewaart het voor Zichzelve in de persoon van de eerstgeborenen, zowel van mensen als van dieren.
Van de eerstgeborenen van de mensen vormt Hij de priesters en bedienaars van Zijn Heiligdom.
Van de eerstgeborenen der dieren, Zijn zondoffers.
"Alle eerstgeborene is Mijn", spreekt de Heer; en, om nu de gedachtenis aan deze wonderbaarlijke daad van de Here God levendig te houden stelde Hij het Pascha als een blijvend, jaarlijks terugkerend feest; als een bewijs Zijner rechtvaardigheid en van Zijn oordeel over het kwaad en tevens als een voortdurend bewijs van Zijn lankmoedigheid en trouw over Zijn volk.
De oorzaak van de voorstelling in de Tempel is dus gelegen in het vorengenoemde historische feit van de uittocht uit Egypte.
Bij élke voorstelling in de Tempel, is het alsof de Here God sprak: "Ik heb u van de dood verlost; Mijn engel heeft destijds uw huisgezinnen gespaard en uw eerstgeborenen zijn ontkomen aan het zwaard, aan het verdelgend zwaard; niet omdat gij het verdiende en ook niet omdat gij beter was dan Egypte; niet omdat gij waardig waart om te leven; neen,gij was evenzeer onder het oordeel des doods maar Ik heb u gered omdat Ik Mijn trouw wilde bewijzen aan Mijn verbond met Abraham Mijn knecht. Ik heb u gered, niet om uwentwil, maar om mijnentwil.Ik heb u gered, niet door uzelf, maar door het bloed van het Paaslam; niet om eigen verdienste maar om de verdienste van het geslachte lam; om de verdienste van deszelfs bloed aan de posten uwer deuren. Het Paaslam heeft alle eerstgeborenen uwer huisgezinnen gekocht door Zijn bloed. Het doodsoordeel lag over u allen en in de persoon uwer eerstgeborenen heb Ik u allen uit de dood gered."
Doch, er is méér. De Here God had gezegd: "Laat Mijn Zoon trekken", waartoe? alleen om hem te redden uit de hand van de Farao en hem daarna zijn eigen wegen te laten bewandelen?
Neen, "laat Mijn Zoon trekken, DAT HIJ MIJ DIENE!""
In dubbele mate was dus de roeping van elke eerstgeborene, om de Heer, de God van Israël te dienen.!
Zoals wij weten, kon elke eerstgeborene zich vrijmaken van die wet om de Here God in de tempel te dienen door een losgeld te storten van vijf sikkelen.
Het gevolg van deze, door de Here God gegeven vrijheid, kon zijn, dat velen er gebruik van maakten en dat er daardoor een te kort kon ontstaan van dienaren in de Tempel.
Vandaar dat de Here God in Zijn wijsheid de stam Levi aannam om Hem te dienen.
Niettegenstaande dat, bleef elke eerstgeborene vrij om zich de Heer geheel en al te wijden volgens de oorspronkelijke wet.
En, was de voorstelling in de Tempel van enig eerstgeborene der baarmoeder niet een aanschouwelijke herinnering aan de aloude profetie dat het zaad der vrouw de kop der slang zou vermorzelen.?
Wie zal of kan ons vertellen wat er in het hart van Maria is omgegaan toen zij het Kindeke in de Tempel voorstelde?
Is het een wonder, dat zij, als moeder in Israël, zich zozeer beijverde om dat Kindeke waarover zoveel wonderlijks aan haar was medegedeeld, voor te stellen in de Tempel?
Het Kindeke was uit het geslacht van Juda en niet uit dat van Levi, maar, was het niet de leiding van de Heilige Geest die Maria drong om dit Kindeke NIET te lossen maar om het voor te stellen in de Tempel en het te wijden aan de dienst des Heren?
En, zal dit Kindeke dan niet opgesprongen zijn van vreugde in de Heiligen Geest dát het aan de Heer werd voorgesteld?
Ook hierin vervulde de Here Jezus alle gerechtigheid.
Wie kan peilen wat er in het hart van het Kindeke is omgegaan?
Van dit Kindeke dat op 12-jarigen leeftijd Zich helder en duidelijk bewust was dat het moest zijn in de dingen Zijns Vaders, niet Zijner moeder, maar Zijns Vaders,niet van Jozef, maar van Zijn Hemelse Vader.!
Het zaad der vrouw dat de kop der slang zou vermorzelen, was dus geboren; het had Zijn eerste bloed reeds in de besnijdenis vergoten en werd nú aan de Heer voorgesteld.
Hij was het, van Wien geschreven stond: "Zie, Ik kom om Uwen wil te doen, o, God."
En, dien wil heeft Hij volkomen vervuld; én in Zijn leven als een gedurig brandoffer, én in Zijn offer aan het kruis, en, dien wil vervult Hij nog steeds in de Hemel als onze Hemelse Hogepriester.
Veertig dagen ná Zijn geboorte wordt Hij, als eerstgeborene, aan de Heer voorgesteld in de Tempel, máár, IN EEN TEMPEL MET HANDEN GEMAAKT.!
Veertig dagen ná zijn opstanding wordt Hij, als eerstgeborene uit de doden, aan de Vader voorgesteld, máar, NU IN DE HEMEL ZELF.!
Toen sprak God: "Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik u gegenereerd. Gij zijt priester in der eeuwigheid naar de ordening Melchizedek."
Tot nu toe overdachten wij het feit van de voorstelling in de Tempel in zijn historische betekenis. Echter, zoals wij reeds in het begin met een enkel woord zeiden: de grote betekenis van de christelijke kerkelijke feestdagen is gelegen in het profetische karakter waarvan die historische feiten getuigen.
Zo is Maria een type en schaduwvoorbeeld van de Kerk van Christus.
In het 12e hoofdstuk van het boek der Openbaring lezen wij:
"Er werd een groot teken gezien in de hemel: een vrouw, bekleed met de zon; en de maan was onder hare voeten en op haar hoofd een kroon van 12 sterren; en zij was zwanger en barensnood hebbende in de pijn om te baren.En zij baarde een mannelijke zoon die al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en Zijnen troon."
En, in het 7e hoofdstuk lezen wij van dien engel, opkomende van de opgang der zon, hebbende het zegel des levenden Gods en er werden 144.000 verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israëls.
"Na dezen", vervolgt Johannes, "zag ik en ziet, een grote schare die niemand tellen kon uit alle natie en geslachten en volken en talen, staande voor de troon en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte klederen en palmtakken waren in hun handen."
Eén der ouderlingen onderricht Johannes dan wie die schare vormen en zegt: "Deze zijn het, die uit de grote verdrukking komen en zij hebben hunne lange klederen gewassen en hebben hun lange klederen wit gemaakt in de bloed des Lams, Daarom zijn zij voor de troon van God en dienen Hem dag en nacht in Zijnen Tempel en Die op de troon zit zal hen overschaduwen."
Wij zien dus twéé groepen:
een schare van 144.000, en:
een schare die niemand tellen kan.
De schare van de 144.000 vinden wij terug in het 14e hoofdstuk,aldaar staande met het Lam op de berg Sion en zingende een nieuw gezang voor de troon. Van die 144.000wordt in dit tekstgedeelte gezegd: "Dezen zijn gekocht uit de mensen tot eerstelingen Gode en het Lam..... zij zijn onberispelijk voor de troon van God."
En, deze uitdrukking: "onberispelijk voor de troon van God", herinnert ons als vanzelf aan het woord van apostel Paulus aan de Efezers, waar hij zegt dat Christus de gemeente heeft liefgehad en Zichzelve voor haar heeft overgegeven opdat Hij haar heiligen zoude; haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord opdat Hij haar Zichzelve heerlijk zou stellen, een gemeente, die geen vlek of rimpel heeft of iets dergelijks maar dat zij heilig zou zijn en onberispelijk. Efeze 5: 25-27.
Op een andere plaats, namelijk in 3 Kor.11:2, zegt dezelfde apostel: "Ik ben ijverig,.....enz."
Er is dus sprake van een voorstelling aan Christus, aan God voor Zijnen troon én van de 144.000, én van de schare die niemand tellen kan, van de gehele gemeente, de Bruid des Lams met wie het Lam de hemelse bruiloft éénmaal zal vieren.
Als de gemeente eens in de tempel zonder handen gemaakt, aan Christus zal worden voorgesteld als de Bruid, dán zal het type van de voorstelling in de tempel te Jeruzalem zijn volkomen vervulling en verwezelijking vinden.
Wát ging er echter eerst nog vooraf aan de voorstelling in de tempel?
De reiniging van Maria; Maria was van koninklijken bloede en begenadigd boven alle vrouwen in Israël; uit haar was, voor zover het vlees betreft de Heiland geboren, altemaal type van de Kerk, maar tóch bleef zij 40 dagen onrein en mocht zij gedurende die tijd de tempel niet betreden en moest zij, na afloop van de periode van 40 dagen een zondoffer en een brandoffer brengen.
Het zondoffer betekende schuldbelijdenis; een erkenning van de zondeval en van de onprofijtelijkheid van het vlees en was tevens een erkenning van Gods rechtvaardigheid om het gevallen vlees buiten het Koninkrijk der Hemelen te sluiten.
Ja, het zag op de verwachting van Een, Dien God zou geven voor de zonde van de gehele wereld.
Het brandoffer betekent niet alleen verzoening, niet alleen een wegnemen van schuld, maar het was ook een weder opnieuw intreden in de dienst van de Here God; een opnieuw aanbidden van Hem als één volk; een staan voor Zijn Aangezicht in Zijn verbond en aangenomen door Hem om van Hem, bij vernieuwing, Zijn zegen te mogen ontvangen.
En, aangezien er niemand is die de Here God kan aanbidden tenzij hij eerst met God verzoend is, en niemand zichzelve Gode kan offeren; noch zijn gaven, noch zijn diensten dan in het geloofgereinigd te zijn van alle zonden,dáárom moet eerst het zondeoffer en daarná het brandoffer Gode geofferd worden.!
Zoals wij weten was Maria arm, en wel zó arm dat zij geen lam ten brandoffer kon brengen maar gebruik moest maken van de genade van déze bepaling in de wet: "indien hare hand niet genoeg voor een lam vindt, zo zal zij twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen, éne ten brandoffer en éne ten zondoffer."
Nu weten wij ook,dat bij een offer van gevogelte de priester de kop er af moest wringen en die kop niet mede ten offer moest brengen.
Verder, dat van de duif ten zondoffer het bloed gesprenkeld moest worden aan de zijde van het koperen altaar; terwijl het bloed van de duif ten brandoffer geheel uitgestort moest worden zonder dat het enig deel van het altaar aanraakte.
Het afwringen van de kop symboliseerde dat Maria,als vrouw, onder de macht van een ander was zoals apostel Paulus het uitdrukt: "de vrouw moet voor Gods Aangezicht met bedekten hoofd verschijnen."
Het uitstorten van het bloed van het brandoffer, wanneer het van gevogelte was,- symboliseerde de noodzakelijkheid voor een ieder om van het natuurlijke leven geheel en al afstand te doen voor zijn zaligheid; in het geloof in Hem, Die ons bekwaam maakt om door onze vereniging mét en deelname áán Hem het vuur van de Heiligen Geest te verdragen en het nieuwe eeuwige leven te verwerven en te gebruiken.
En tóch is het bloed dat reinigt en heiligt en verzoent, het bloed van Hem Die aan niemand onderworpen is, maar Wien God gemaakt heeft tot een Hoofd en Heerser, tot een Bedekking van een ieder.
En, is het dan eigenlijk niet als vanzelfsprekend dat de geestelijke Maria óók éérst haar zondoffer, en wel het zondoffer van de arme, zal hebben te brengen?
Maria was van koninklijke bloede; de geestelijke Maria is een Koninklijk Priesterdom maar zij is tevens tot een grote geestelijke armoede vervallen en niet in staat om een lam ten zondoffer te brengen.
Zij zal tot de erkenning moeten komen van die armoede; tot erkenning dat zij niet zit als een koningin en aan geens dings gebrek heeft, maar dat zij afhankelijk is en onderworpen is aan Hem Die de gemeente tot een Hoofd is gesteld,en Die Zijn gemeente bestuurt door de ambten en gaven zoals wij reeds eerder met u hebben mogen bespreken.
Eerst dan, wanneer zij dat zondoffer gebracht heeft en gereinigd is, eerst dán zal zij een brandoffer kunnen brengen waarbij het natuurlijke leven wordt afgelegd en het geestelijke leven in waarheid haar leven wordt.
Pas 40 dagen ná de geboorte van Maria's eerstgeboren Zoon kon Maria de tempel betreden om haar offers te mogen brengen en daarná haar Kind Gode voor te stellen.
Zeven dagen lang, ná de geboorte, was zij onrein; op de achtste dag werd de Zoon besneden terwijl de moeder nog 33 dagen in het bloed harer reiniging verbleef.
Wellicht ligt hierin nog een zeer grote verborgenheid die ook in de Kerk haar vervulling zal zien en die ons wellicht later zal worden geopenbaard.
Tenslotte nog een enkele opmerking.
Niemand meent, dat, uit hetgeen in het vorenstaande besproken is, de gevolgtrekking gemaakt zou mogen worden dat er dus nog heel wat zal moeten geschieden voordat onze Heer en Heiland zal wederkomen.
Dit zou een geheel onjuiste gevolgtrekking zijn, want wij schreven NIET over de komst des Heren en ook NIET over onze toevergadering tot Hem in de lucht,máár, wij schreven OVER ONZE VOORSTELLING AAN HEM IN DE TEMPEL, zonder handen gemaakt, namelijk: IN DE HEMEL.!
Wanneer en hoe deze toekomstige heilige handelingen zullen plaatsvinden, dát zullen wij eerst later verstaan, want het past ons niet om de tijd en de ure te berekenen van des Heren wederkomt.
Laten wij ons echter toebereiden volgens de éne ware en een voudige leer die in de Bijbel beschreven wordt, namelijk de leer van het Apostolisch-Profetisch Getuigenis, opdat wij als een reine maagd mogen worden voorgesteld aan Enen Man, namelijk aan de Heer Jezus Christus; en moge die toebereiding zodanig zijn dat voor ons de vermaning van de apostel Paulus aan de gemeente te Korinthe niet geldt: "Doch ik vrees dat niet enigszins gelijk de slang Eva door haar arglistigheid bedrogen heeft alzo uwe zinnen bedorven worden, om af te wijken van de eenvoudigheid die in Christus is".
Daartoe helpe ons de Here God.