EEN

ARMZALIG VIJGEBOOMBLAD:

Wij kennen allen de droevige geschiedenis van de zondeval.

Het eerste mensenpaar ontdekte, ná de gepleegde overtreding, de schande der naaktheid, en, om deze voor de Here God te bedekken, maakten Adam en Eva voor zich schorten van vijgeboombladeren.

In plaats van met berouw tot de Here God te naderen, meende de mens dat hij zich een schone schijn kon geven.

Voor de Kenner der harten en de Proever der nieren, van het verborgene, was de oorzaak bekend en, op de strenge vraag, een vraag die reeds uitdrukte dat deze boze daad niet aan Zijn Alziend oog was ontgaan, probeerde Adam zich vrij te pleiten door de Here God als de oorzaak van zijn overtreding aan te wijzen: "De vrouw, die Gíj bij mij hebt gegeven..."

De Goddelijke liefde, die zich aan Adam en Eva zo krachtig openbaarde door de heerlijke Schepping, een schepping, die nog niet door de zonde in disharmonie was geraakt, de Goddelijke liefde, die zich nog schoner openbaarde door de vriendelijke wijze waarop de Here God met de mensen in de Hof verkeerde, werd wel heel slecht door Adam beantwoord.

De majesteit van de werken van Gods hand en Zijn vertrouwelijke omgang hadden in Adam en Eva een groot vertrouwen moeten wekken, een vertrouwen, zó groot dat hun hart gesloten had moeten blijven voor de stem van de verleider. Het wantrouwen dat deze verleider wilde opwekken tegenóver de liefdevolle Schepper, had in de harten van deze eerste mensen geen plaats mogen vinden.

Zij miskenden hiermede Gods liefde en dachten dat het gebod was gegeven uit vrees bij de Schepper, dat Zijn schepsel aan Hem gelijk zou worden, kennende het goed en het kwaad. Miskenning van Gods liefde, ach, dit is in latere tijd meer aanschouwd.

We mogen wel stellen, dat wij allemaal, in meerdere of mindere mate Zijn liefde miskennen, wat wel heel sterk tot uiting komt door het niet aanvaarden van de rijke genade in Jezus Christus, die de Vader aan de GEHELE wereld wil schenken.

Wat wordt door ontelbaar velen de rijkdom van de genade tot een matig giftje gemaakt dat slechts voor enkelen bestemd is, terwijl juist de liefde Gods zo onmetelijk rijk is.

Men miskent de liefde Gods in de zending van Christus Jezus; men miskent haar in de verkeerde opvatting aangaande de Sacramenten. Wat nog erger is, is, dat zij die beter moesten weten, door hun woorden de kracht van de genademiddelen verloochenen.

Wanneer mensen die geloven, tenminste zeggen dat zij geloven, zondigen, dan zullen zij, wanneer hun zonde aan de openbaarheid is prijsgegeven, in plaats van met diep berouw tot de Here God te keren, dikwijls trachten om zich te verontschuldigen met de uitvlucht: "Ach, het was de oude Adam die in mij werkte."

En, ook vele gelovigen die bij ándere gelovigen een ernstige overtreding van de Goddelijke geboden waargenomen hebben, zeggen dikwijls verschonend of half spottend: "De oude Adam is nog niet dood."

Dergelijke uitdrukkingen zijn meestal niet kwaad bedoeld, maar, het zijn slechts armzalige vijgeboom bladeren, neen, nog veel erger: het zijn loocheningen van de liefdegiften Gods en grove, ondankbare miskenningen van de onnaspeurlijke rijkdom Zijner genade.

Misschien zal de lezer enigszins vreemd opkijken bij deze strenge woorden, maar tóch is het de leer van de Heilige Schrift die men met voeten treedt wanneer men bijvoorbeeld, om zijn verkeerdheden waarvan men zich wel bewust is, te vergoedelijken: "Ik ben nu eenmaal zo; dat moet men mij maar niet kwalijk nemen." Wie zó spreekt, meent het natuurlijk niet zo kwaad, maar, hij slaat, in zijn domheid, de Here Jezus nog erger op het heilig aangezicht dan de onwetende dienstknechten in de zaal van Kajafas.

Wij, gelovigen, en vóóral de verzegelde kinderen Gods, mogen zo echter niet spreken. De dienaren van Kajafas wisten niet, dat zij de CHRISTUS mishandelden, maar wij, die leraren moesten zijn, wij moeten toch zeker wel weten wie Christus is en wát wij door Zijn genade zijn geworden.

Wanneer een gedoopte woorden spreekt: "Ik ben nu eenmaal zo", of: "de oude Adam heeft in mij gezondigd", welnu, dan verstaat hij de kracht van de sacramenten niet en, hóe wil hij dan een leraar zijn voor anderen.?

En vooral zij, die door de Verzegeling noch dichter met de Heiland zijn verbonden, zullen toch verstaan wat zij geloven en maar niet in koudheid en onverschilligheid verder leven en zich niet bekommeren om het grote dat aan hen is geschied.

En, het eerste dat wij moeten verstaan en begrijpen, is toch zeker wel, wát de betekenis is van de Heilige Doop met water, die ons toegang geeft tot het Koninkrijk Gods. Paulus had in zijn tijd tegen verschillende tegenstanders te strijden, tegenstanders, die hem allerlei verkeerde uitleggingen toeschreven en die zijn woorden verdraaiden, waartegen de apostel Petrus waarschuwt.

Deze woord- en leerverdraaiers worden door Petrus ongeleerde en onvaste mensen genoemd; en, hun boos werk is tot hun eigen verderf. 2 Petr.3:16.

De genade leer zoals apostel Paulus die ontwikkelde en waarin hij alles aan de liefde Gods toeschreef, deed zijn tegenstander spreken: "Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde.?"

Alsof apostel Paulus er ook maar één ogenblik aan dacht om het geweten van de gelovigen in slaap te sussen. In al zijn brieven scherpt hij juist de kinderen Gods óp, om voortdurend te strijden tegen de macht der zonde.

Toch mogen wij in zekere zin deze tegenstanders dankbaar zijn, want wij danken aan hen een onderwijzing in de kracht van de Doop, die ons hart kan verblijden, maar die ook elk voorwendsel onmeedogend wegneemt. Bij het licht van dit zalige onderricht zal men zo spoedig mogelijk zijn armzalige vijgeboomblaadjes weg werpen en het kleed der gerechtigheid aantrekken om niet naakt bevonden te worden.

Wát antwoord apostel Paulus op deze onheilige beschuldiging in Romeinen 6:1-5: "Wij, die der zonde gestorven zijn, hóe zullen wij nog in dezelve leven.? Of weet gij niet, dat zovelen wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijnen dood gedoopt zijn.? Wij zijn dan mét Hem begraven dóór de doop, ín de dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot heerlijkheid des Vaders, alzó ook wij, in nieuwigheid des levens wandelen zouden. Want, indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het óók zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding."

Deze woorden zijn veelzeggend, en, het is jammer, dat de vertaling, hoe juist ook, voor ongeletterde mensen soms zeer moeilijk is en hier en daar opheldering nodig heeft.

Bij voorbeeld: "Wij zijn dan mét Hem begraven door de doop in de dood", moet eigenlijk zó verstaan worden: "Wij zijn met Hem begraven door de "D0OD-DOOP".

Met andere woorden: het doel van de doop is in de eerste plaats een doding. De oude mens, de oude Adam, moet dus gedood worden en deze wordt dan ook werkelijk gedood. Wie, die gedoopt is in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, mag dan nog zeggen, wanneer hij in de zonde gevallen is: "Dat is de oude Adam in mij?"

Die ontkent hiermede dus dat door de Doop deze doding heeft plaats gehad en die maakt de apostel Paulus, wiens wijsheid door apostel Petrus geprezen word, tot een leugenaar.

Erger nog: HIJ MAAKT DE ZONE GODS TOT EEN LEUGENAAR, want hij maakt het Woord van Christus krachteloos, Christus, die gezegd heeft dat we door water en Geest wedergeboren worden. WEDERGEBOREN, dat wil dus zeggen, dat er een nieuw leven is ontstaan.

Bemerken wij nu wel, dat, wanneer wij deze woorden van apostel Paulus in Romeinen 6:1-4 nauwkeurig lezen, dat Paulus hier ook spreekt van: "in nieuwigheid des levens wandelen."

Neen, apostel Paulus is geen uitvinder van nieuwe leerstellingen, hij ontwikkelt alleen de waarachtige kinderen Gods tot in rijke zin tot zaligheid; wat de Christus met een enkel woord had aangeduid.

En, wilt gij nóg duidelijker lezen dat de oude mens werkelijk gedood is door de Doop, lees dan eens het 6e vers: "dit wetende, dat onze oude mens met Hem, Christus, gekruisigd is opdat het lichaam der zonde teniet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen, want, "DIE GESTORVEN IS, DIE IS GERECHTVAARDIGD VAN DE ZONDE."

In andere vertalingen staat het nóg duidelijker: "Wie dood is, is vrij van de macht der zonde." Hieruit blijkt wel duidelijk, dat apostel Paulus eertijds de Joodse geschriften bestudeerd heeft, want de bovenstaande uitsprak is een zinsnede uit de Talmoed: "Wie dood is, is vrij van de geboden."

Paulus bedoelt hier dus: "wie lichamelijk dood is, kan in het lichaam niet meer zondigen, en, wie dus door de Doop gedood is, begraven, zegt vers 4; gekruisigd zegt vers6., wie dus der zonde gestorven is, die kan in de zonde niet meer leven.

Een andere mogelijkheid geeft het woord: "in de gelijkmaking Zijn doods en de gelijkmaking Zijner opstanding" vers 5.

Het woord "gelijk" heeft verschillende betekenissen, maar hier betekent het woord "gelijk" hetzelfde als wat het zeggen wil in deze zin: "de winterslaap van sommige dieren is een toestand, die aan de dood gelijk is, of: dit kind gelijkt op zijn vader".

Dus, met vers 5 overeenkomende betekent het: "want indien het waar is dat wij met Hem samengegroeid zijn door een dood, die met Zijn dood overeenkomt, zo zullen wij niet minder met Hem samengegroeid zijn door een opstanding die op de Zijne gelijkt."

De Doop heeft dus als eerste het doel: de doding van de oude mens, niet opdat die gedode mens dood zou blijven, maar opdat hij, door een wonder van Gods genade, tegelijkertijd weer opgewekt zou worden om nu een nieuw leven aan te vangen zodat wij nu niet meer de zonde zouden dienen.

Door de Doop geschiedt er dus werkelijk aan de mens een wonder. Ondoorgrondelijk voor het mensenverstand.!

"De wind blaast waarheen hij wil en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij komt, noch waar hij henengaat: alzó is een iegelijk die uit de Geest geboren wordt." Johannes 3:8.

Een wonder dus, waarneembaar, maar niet verklaarbaar.!

En dat wonder legde aan de apostel stoute woorden in de mond., want apostel Paulus durft te zeggen: "Ik ben met Christus gekruist, (dus, door de Doop gedood, zie boven,) en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en, hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoon Gods, Die mij liefgehad heeft en zichzelve voor mij overgegeven heeft." Galaten 2:20.

En: "Toen wij dood waren in onze misdaden, heeft God ons levend gemaakt met Christus-door genade zijt gij zalig geworden-en heeft ons mede opgewekt en heeft ons mede gezet in de Hemel, in Christus Jezus." Efeze 2:6.

Dat de Doop vernietiging is en tegelijkertijd redding, leven, dat leert apostel Petrus ons in zijn uitlegging over de Doop door het beeld van de zondvloed, een beeld van verdelging, maar ook van uitredding. 1 Petr.3:20-22.

Wie nu zondigt, en, helaas, wie doet dit niet dagelijks, kan dus niet de schuld geven aan de oude Adam want die is dood.!

Laten wij dit vijgeboomblad nooit gebruiken. Adam had, ná de zonde, moeten zeggen: "Heer, wij hebben getwijfeld aan Uwe liefde en genade; wij maakten U klein en daardoor vielen wij."

Hoe kunnen wij, die gedoopt zijn, zondigen.?

Doordat ons geloof te zwak is en wij twijfelen aan de kracht van de ontvangen genade; doordat wij aan de liefde des Heren twijfelen. Heer vermeerdert Gij ons geloof.!

MARAN-ATHA de Heer komt