SCHAPEN EN HERDERS.

Het SCHAAP: Hebreeuws: verschillende benamingen : son, kleinvee; seh, een enkel schaap; ajil, een ram; rachel, een ooi; lat.: ovis

Het schaap behoort, evenals de geit, tot de evenhoevige zoogdieren en vormt de familie van de holhoornige herkauwers.

Het schaap onderscheidt zich van de geit vooral door het lage voorhoofd en de in doorsnede driehoekige schroefvormig gewonden geringde horens. De snuit is behaard en heeft een gespleten bovenlip, maar het schaap bezit geen baard zoals de geit.

Speciaal dient genoemd te worden het vetstaartschaap, ovis laticaudata, omdat er veel aanwijzingen zijn, dat dit schaap in de bijbelse tijd in Palestina voorkwam.

Terwijl de staart van het schaap kort is, is die van het vetstaartschaap lang, breed en vethoudend en weegt 5-7 kg, ja, bij de ram zelfs tot 15 kg.

In de mozaïsche wetgeving wordt verscheidene malen het vetstaartschaap genoemd, speciaal in de voorschriften over de manier waarop de offers gebracht moeten worden: "Indien hij een schaap als zijn offergave brengt, dan zal hij het voor het aangezicht des Heren brengen,.....van het vredeoffer zal hij het vet brengen als vuuroffer voor de Here; de gehele vetstaart....." Leviticus 3:7 en 9; vgl. Leviticus 7:3; 8:25; 9:19; Exodus 29:22.

In 1 Samuël 9:24 heeft onze vertaling "schenkel", ha-aleha. Daarvoor moet wellicht worden gelezen ha'alja, dwz. "vetstaart".

De vetstaart speelde, zoals men ziet, een belangrijke rol bij de offers; hij werd zowel bij vrede- als bij zonde- en schuldoffers gebruikt.

Bij het vetstaartschaap heeft alleen de ram horens. Ramshorens zijn goede stootwapens, ongeveer zeven cm dik. De Israëlieten gebruikten die in hun oorlogen als signaalinstrumenten. Toen Jericho veroverd werd zei de Here tegen Jozua: "Gij moet om de stad heentrekken; terwijl alle krijgslieden eenmaal om de stad heen gaan; zo moet gij zes dagen doen, terwijl zeven priesters zeven ramshorens voor de ark uitdragen. Maar op de zevende dag moet gij zeven maal om de stad heen trekken en de priesters zullen op de horens blazen" Jozua 6:3,4.

Maar de ramshoorn werd ook gebruikt voor het bewaren, bijv. van olie, wanneer men op reis was; de brede opening van de hoorn werd dan afgesloten, terwijl men een gat boorde in de spits.

Toen Samuël David tot koning moest zalven gaf God hem dit bevel!: "VuI uw hoorn met olie en ga heen". 1Samuël 16:1. Samuël bevond zich op dat tijdstip in Rama, ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, en hij moest naar Bethlehem dat op ongeveer dezelfde afstand ten zuiden van Jeruzalem was gelegen.

De oorspronkelijke woonplaats van het schaap zijn de bergstreken, vooral in Midden-Azië. Met spelend gemak, klauterend en springend, gingen de dieren de steile rotshellingen op en af, op zoek naar hun voedsel: gras en kruiden die tussen de stenen groeien. Maar omdat het schaap in dienst van de mens gekomen is, zijn z'n levendigheid en snelheid verdwenen; het is een afhankelijk en onzelfstandig dier geworden, dat er ongelukkig aan toe is zodra het alleen komt te staan. Daarom trekt het altijd in kudden op; als één schaap zich naar links draait lopen alle andere het achterna.

Voor het schaap wordt in de Bijbel vaak alleen de aanduiding "klein vee" gebruikt; een uitdrukking, die zowel schapen als geiten omvat; maar, van het kleinvee waren de schapen de belangrijkste en de talrijkste.

De rijke Nabal had 3000 schapen en 1OOO geiten, 1 Samuël 25:2; de rijke Job had alles bij elkaar 14000 stuks kleinvee. Job 42:12.

Grote kudden schapen waren een teken van rijkdom, en daarom konden ze in profetische beeldspraak een uitdrukking worden van Gods zegening en van vruchtbaarheid.

Ezechiël schildert de gelukzaligheid van het teruggekeerde volk met deze woorden: "Als de kudden schapen op Jerulalems feesten, zo vol zullen de verwoeste steden zijn met mensenkudden" Ezechiël 36:38; vgl. Psalm l07:41.

De man daarentegen, over wie Jezus in een gelijkenis vertelt, dat hij honderd schapen had, was niet rijk en dus kon hij het zich niet permitteren om een enkel schaap kwijt te raken; vandaar dat hij er dadelijk op uitging om het verloren schaap te zoeken.

Het schaap wordt in de Bijbel onder de eerste huisdieren van de mens genoemd: "Abel werd schaapherder" Genesis 4 : 2.

De grote betekenis van het schaap lag allereerst bij zijn vlees, dat in die tijd reeds een gewaard eten vormde. Voor het psychologisch begrip van de voorschriften van de mozaïsche wetgeving over reine en onreine dieren kan dienen de oude Israëlitische voorstelling, dat ziel en lichaam met elkaar verbonden zijn: "Wie een dier eet neemt iets van een vreemde ziel in zijn eigen ziel op".

De dieren die de Israëlieten kunnen eten, moeten dus tot hun intiemste wereld behoren. Dat zijn dan allereerst: de os, het schaap, en de geit, die altijd het belangrijkste bestanddeel hebben uitgemaakt van de kudden van de nomaden. In dit verband kan er ook op gewezen worden, dat de reinheidswetten bepalingen van grote hygiënische betekenis inhouden.

Allereerst doordat het verbod van het eten van het vlees van bepaalde dieren indirect de verplichting inhield om alleen vlees te eten van dieren die zich vegetarisch voedden.Voor mensen die in warme streken wonen is die van groot gewicht. Verder is ook het verbod, om het bloed van dieren te drinken, van sanitaire betekenis.

"Vet van schapen en rammen", wordt als een uitgezochte lekkernij genoemd onder de goede gaven, die God aan het volk Israël schonk . Het lied van Mozes: Deuteronomium 32:14; vgl. Ezechiël 39:18.

Aan het hof van Koning Salomo was er iedere dag een groot verbruik van geslacht kleinvee: "Honderd schapen, behalve geiten, gazellen, damherten en gemeste ganzen" 1 Koningen 4:23.

In de huishouding van Nehemia, die ook al niet zo klein was, speelden schapen een voorname rol, want, voor Nehemia's tafel werden dagelijks bereid: "een rund, zes uitgelezen stuks kleinvee, en gevogelte" Nehemia 5:18.

Schapen vonden hun voedsel op de weiden en tussen de kruidengewassen op steenrijke plaatsen. Máár er was verschil tussen de weideplaatsen. Gilead, Ammon en Moab waren de belangrijkste streken voor de schapenhouderij in de tijd van de Bijbel. Deze landen stonden bekend om hun weelderige weiden, en, lammeren van Basan in het Oostjordaanland worden in de Bijbel genoemd als een uitgezochte lekkernij om hun vet en goede smaak. Exodus 39:18; Deuteronomium 82:14.

Het was dus geen wonder, dat de koning van Moab, Mesa, zich op de schapenteelt toelegde en dat hij belangrijke leveranties deed aan Israël; genoemd worden: honderdduizend lammeren en de wol van honderdduizend rammen. 2 Koningen 3:4, deze lammeren zullen wel voor de slacht bestemd geweest zijn.

Toen de Arabieren een groot aantal mannelijk kleinvee moesten leveren aan koning Josafat: 77OO bokken en 77OO rammen, 2 Kronieken 17:11, zal dat eveneens wel geweest zijn omdat koning Josafat ze voor de slacht nodig had.

Het schaap was echter op allerlei manieren een nuttig dier en daarom bij uitstek geschikt als geschenk om iemand te huldigen.

Ook de Saron-vlakte bij de kust wordt genoemd als weideplaats voor schapen en geiten. Jesaja 65:10.

Tijdens het grazen wordt het kleinvee bewaakt door de herder. Omdat hij echter dikwijls een lange tijd achtereen moet rondtrekken is het redelijk, dat hij het recht heeft om de melk van de kudde te drinken; dit was een zó vanzelfsprekend en algemeen erkend recht, dat apostel Paulus hiernaar verwijst om aan te tonen hóe redelijk het geweest zou zijn: "als door de gemeenten werd voorzien in het levensonderhoud van hem en Barnabas. "Of wie weidt een kudde en geniet niet van de melk der kudde.?". 1Corinthe 9:7.

De schapemelk was geen onbelangrijk bijprodukt; bij de Joden was het een zeer gewaardeerde drank; éen enkel schaap kon tot 4° kg per jaar leveren. Het schijnt dat de herder er daarentegen niet het recht toe had, om enkele van de dieren van de kudde te slachten om ze te eten; zo kon Jakob zich erop beroemen, dit hij, in de loop van de twintig jaar, dat hij Laban diende, dit nooit had gedaan. Genesis 31:38.

Het was een teken dat men een slecht herder was, wanneer men de vette dieren voor zichzelf slachtte: "hij eet het vet; kleedt zich met de wol; het gemeste slacht hij; maar de schapen weidt hij niet" Ezechiël 34:3; vgl. Zach.11:6.

Wanneer de herder met zijn kudde rondtrekt, dan loopt hij óf vooraan, óf achteraan. Wanneer hij vooraan gaat rust op hem de taak, om de weg te wijzen aan, of een weg te banen voor de kudde, die achter hem aan komt. Wanneer hij achter de kudde loopt dan is dat om de kudde te drijven en het tempo aan te geven.

Zowel over het voorgaan van de kudde, als het achter de kudde aan komen, wordt in de Bijbel gesproken. Wanneer er gezegd wordt, dat God "David van achter de schapen gehaald heeft om een vorst te zijn over Israël", 2 Samuël 7:8, dan is dit een aanduiding dat de herder soms áchter de kudde aankomt om ze voort te drijven.

Natuurlijk is het voor de herder noodzakelijk om de kudde nu en dan aan op te drijven; máár, hij moet er dan wel voor zorgen, dat het tempo niet geforceerd wordt met het oog op de zwakke dieren en de zogende ooien; dáárom kan hij het best achteraan de kudde lopen, samen met de langzaamste dieren en om zo zijn tempo te bepalen. "Mijn heer weet", zegt Jakob tegen zijn broeder Esau in Genesis 33:13, "dat de kinderen teer zijn en dat ik kleinvee en zogende runderen bij mij heb; zou men die een dag al te zeer jagen, dan zou de gehele kudde sterven". vgl. Psalm 78:71: "van achter de zogende schapen haalde Hij hem"".

Meestal lezen wij echter in de Bijbel, dat de herder vóóraan gaat en de kudden leidt naar "rustige wateren". Psalm 23:2.

Op veel van die Schriftplaatsen wordt de herder een beeld van God, die Zijn volk voert: "Als aan het vee, dat afdaalt in de vallei; gaf de Geest des Heren hun rust" zegt Jesaja in hoofdstuk 63:12.

"Zó is God"" roept de psalmdichter triomferend uit als afsluiting van zijn lofzang: "onze God, voor eeuwig en altoos; tot de dood toe zal Hij ons leiden". Psalm 48:15.

"Hun Ontfermer zal hen leiden", zegt Jesaja over de heerlijke thuiskomst van de ballingen, "en hen voeren aan water bronnen" Jesaja 49:10, en, Jezus, die Zichzelf de goede herder noemt, zegt uitdrukkelijk in Johannes 10:4: "Wanneer hij zijn schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem". Het was te begrijpen, dat het volk Israël zich tijdens de tocht door de woestijn als een kudde moest voelen, die door haar herder werd geleid: de wolkkolom ging hun immers bij dag voor en de vuurkolom bij nacht. Nehemia 9:12.

De goede herder is de zorgzame herder die Zijn dieren kent en die weet wat hij hun kan geven. De kleine lammetjes draagt hij in de borstplooien van zijn mantel. Máár, om een goede herder te wezen dient hij óók te weten wáár hij voor de kudde de beste weideplaatsen en fris stromend water vindt. Niet alle weideplaatsen zijn even goed; er zijn "altijd groene" weiden waar het aan de kudde nooit aan voedsel ontbreekt. Jeremia 50:44.

En, er zijn "vredige dreven", dat zijn weideplaatsen, waar geen wilde dieren of dieven of rovers komen. Jeremia 25:37.

Het ligt voor de hand dat zulke ideale weideplaatsen in de taal van de Bijbel een beeld worden voor het komende rijk der heerlijkheid, waar de wolf bij het schaap verkeren zal, en de panter zich zal neerleggen bij het bokje. Jesaja 11:6.

Wanneer de herder met een kudde op een weideplaats komt, dan zal zijn zorg voor de kudde ook hieruit blijken, dat hij de sterkere dieren verhindert om de zwakkere meedogenloos op zij te dringen en om zelf het beste voedsel te kunnen bemachtigen.

Zulk een herder wordt geschilderd door de profeet Ezechiël in hoofdstuk 34:15-22: "Ik zal zelf mijn schapen weiden, Ik zelf zal ze doen neerliggen, luidt het woord van den Here HERE; de verlorenen zal ik zoeken en de afgedwaalde terughalen; de gewonde zal ik verbinden en de zieke versterken, maar de vette en krachtige zal ik verdelgen. Ik zal ze weiden zoals het behoort. En gij, mijn schapen, zo zegt de Here Here, zie, Ik zal rechtspken tussen het ene schaap en tussen het andere, tussen de rammen en de bokken. Is het u niet genoeg dat gij de beste weiden afweidt en de rest van de weiden met uw hoeven vertreedt; dat gij het helderste water drinkt en wat er overblijft met uw hoeven vertroebelt.? Moeten mijn schapen dan afweiden wat uw hoeven hebben vertreden en drinken wat uw hoeven hebben vertroebeld. ? Daarom, zo zegt de Here Here tegen hen: Zie, ik ga zelf recht spken tussen de vette en de magere schapen; omdat gij al wat zwak is, met flank en schouder wegdringt en met de horens stoot totdat gij ze naar buiten gedreven hebt, zal ik mijn schapen verlossen opdat zij niet langer tot een prooi zijn".

In de gelijkenis van de Heer Jezus over het laatste gericht, wordt de koning geschilderd, die de schapen van de bokken scheidt. Ook hier is de gedachte, dat de koning, de herder, zich aan de kant van de zwakken plaatst en hen die onrecht bedrijven bestraft. Mattheüs 25:32.

Het verblijf op een weideplaats wordt door de goede herder niet alleen benut voor het drenken en voederen van de dieren: er is nog veel meer dat gedaan moet worden. De gewonde dieren moeten verbonden worden, de zwakke worden versterkt, Ezechiël 34:16, en de afgedwaalde moeten teruggebracht worden.

Een herder, die een van zijn schapen is kwijtgeraakt, zal de kudde in de wildernis achter laten, d.w,z, op de weideplaats, natuurlijk niet een zandwoestijn, maar een woeste plaats--, en uitgaan om het te zoeken, terwijl de kudde zolang aan zichzelf is overgelaten. Lucas 15:4.

De goede herder nam zijn taak niet gemakkelijk op. Jakob schildert zijn twintigjarige dienst als herder bij Laban in zeer treffende woorden: "Het is nu twintig jaar, dat ik bij u geweest ben; uw ooien en uw geiten hebben geen misdracht gehad en de rammen van uw kleinvee heb ik niet gegeten. Wat verscheurd was, bracht ik niet tot U, ik moest het zelf vergoeden; wat gestolen was, hetzij bij dag, hetzij bij nacht, hebt gij van mijn hand geëist. Zó ging het mij: des daags sloopte mij de hitte en des nachts de koude, en de slaap week van mijn ogen". Genesis 31:38-40.

Dit beeld uit het dagelijks leven in Israël, helpt ons begrijpen wat het betekent, als de Bijbel de naam herder gebruikt voor God. De herder is degene, die zonder aan zichzelf te denken zorg draagt voor zijn kudde.

"Israëls herder", zo noemt de Psalmdichter God in Psalm 80:2, en, wanneer Jezus zichzelf "de Goede Herder" noemt, dan is er geen enkele Israëliet die er aan twijfel wat Hij bedoelt. -Johannes 10:11.

Het woord "herder" kan óók gebruikt worden als benaming voor andere mensen die in hoogheid zijn gezeten: de koning Jesaja 44:28; opzieners van de gemeente Handelingen 20:28.; zij moeten toezien op zichzelf en op de gehele kudde Efeze 4:11; "hoedt de kudde Gods die bij u is: 1 Petrus 5:2. Zelfs de dood kan een herder genoemd worden, want de mensen worden als schapen in het dodenrijk gedreven: "de dood weidt hen". Psalm 49: 15.

Het verhaal over David en Goliath in 1 Samuël 17, geeft ons er een indruk van hóe in die tijd de herders waren uitgerust. David had een herderstas, een slinger en een staf. Deze herderstas gebruikte hij om er zijn stenen in op te bergen, zo staat er. Zo'n herderstas was doorgaans de proviand-tas waar het brood in werd bewaard; de herder mocht immers alleen de melk van de kudde gebruiken maar moest er zelf voor zorgen dat hij teerkost bij zich had. De tas was van leer en kon ook als fles worden gebruikt; ze was groot en ruim, doorgaans vervaardigd van geitehuid. Diezelfde tas werd eveneens door reizigers gebruikt; wanneer Christus in zijn uitzending toespraak zijn discipelen verbiedt een om reiszak mee te nemen, onderstreept Hij daarmede, dat "de arbeider zijn loon waardig is". Zijn discipelen behoefden dus niet, als de herders, zich tevreden te stellen met de melk van de kudde, zodat ze genoodzaakt waren om het overige voedsel mee te nemen, maar zij konden, waar zij kwamen aanspraak maken op het volle levensonderhoud.

De herdersstaf was onder meer een verdedigingswapen tegen mensen en wilde dieren en honden; Goliath drijft er de spot mee, dat David zijn staf meebrengt alsof hij, Goliath, een hond is!

Verder diende de staf de herder ook tot steun op zijn tocht. In het dal der diepe duisternis, Psalm 23, is de staf van de herder de vertroosting van de kudde, want hij dient om de kudde te beschermen tegen de roofdieren, die in het avonduur in de spelonken op de loer liggen.

Zoals de staf het verdedigingswapen was in de strijd van dichtbij, zo was de slinger het wapen dat op een afstand kon worden gebruikt.

David had vijf gladde stenen uit een beek voor zijn slinger. Voor de bewaking kon de herder ook een hond hebben. Die werd echter niet gebruikt, zoals in onze dagen, voor het bijeenhouden van de kudde, maar voor waakdiensten, om 's nachts alarm te slaan.

Overdag liepen de schapen te grazen, voor de nacht voerde of dreef de herder ze af en toe in een kooi. De kooi was voor de kudde een beschutting tegen wolven, jakhalzen, en andere wilde dieren. De kooi kon zijn een rotsspelonk, zoals er zovele gevonden worden in het bergland van Juda.

Dergelijke spelonken konden zowel aan dieren als aan mensen beschutting bieden, zoals bijvoorbeeld aan Saul, die bij de vervolging van David de schaapskooien aan de weg bereikte: "Daar was een spelonk" 1 Samuël 24 : 4.

Maar, waar geen natuurlijke beschutting was voor de schapen, moest de herder er zelf voor zorgen. Het Oostjordaanland, dat rijk was aan weideplaatsen, is dus een vlak land en daarom moesten de zonen van Ruben en Gad, die veel vee hadden, zélf schaapskooien bouwen. Numeri 32:16.

Over zulk een schaapskooi wordt ook door de Heer Jezus gesproken Johannes 10. Het waren omheiningen, bestaande uit een muur met een deur: zolang nu de herder afwezig was werd er een deurwachter aangesteld om over de kudde te waken. Zulke schaapskooien werden het meest gevonden in de buurt van de steden.

Maar vaak is de situatie zo geweest, als we haar kennen uit de beschrijving van de kerstnacht in Lucas 2:8, dat er herders waren: "die zich ophielden in het veld en des nachts de wacht hielden over hun kudde". Daar werd dus geen gebruik gemaakt van een omheining.

En, Jozefs broeders, die waren uitgegaan, om de schapen van hun vader bij Sichem te weiden, dus in de vruchtbare dalstrook tussen de bergen Ebal, ten noorden, en Gerizim, ten zuiden, zullen ook wel geen schaapskooi gehad hebben. Misschien hebben ze zich beholpen met een herderstent, een "loofhut" van het soort, dat de nomaden gebruikten, en die van plaats tot plaats meegenomen kon worden. Soms bestond die tent heel simpel uit een dak van geiteharen kleden, dat op stangen rustte.

Over zulk een herderstent spreekt koning Hizkia in zijn danklied voor zijn genezing: "Mijn woning werd afgebroken en van mij weggerukt als de tent van een herder" Jesaja 38:12. Hij vergelijkt zijn doodzieke neergevelde lichaam met een herderstent, die van hem weggerukt wordt, zodat hij die dadelijk zal moeten verlaten.

Herderstenten konden zowel voor mensen als voor dieren worden gebruikt. We lezen dat Jakob: "voor zijn kudden hutten maakte", in Sukkoth, Genesis, 33:17.

Het gebrek aan voldoende bronnen in Palestina, leverde een speciale moeilijkheid op voor de herder: hij moest altijd zoeken naar een plek waar hij de kudde drenken kon.

Dáárom liet Lot, Abrahams neef, toen hij weideplaatsen moest kiezen voor zijn dieren, zijn keus liet vallen op de streken rondom de Jordaan en zijn zijrivieren Genesis 13:10; hiermee verzekerde hij zich niet alleen van gras, maar ook van drinkwater, dat in dit landschap gemakkelijk toegankelijk is voor de kudden.

Ideaal was het voor de herder als hij zijn kudde een "vloeiende beek" kon verschaffen; die situatie moeten we in gedachten houden als we in Amos 5:24 lezen dat God geen welgevallen heeft aan de spijsoffers van het volk en hun vredeoffers van mestkalveren niet wil aanzien: "Doe van Mij weg het getier van uw liederen, het getokkel van uw harpen wil Ik niet horen. Maar laat het recht als water golven, en gerechtigheid als een immer vloeiende beek". Voor een herder als Amos, was deze beeldspraak volkomen duidelijk.

Wanneer Psalm 23:2 vertaald wordt als "zeer stille wateren", zoals in de Nederlandse Statenvertaling, wijzen die woorden er op dat het voor de kudde beter is om híer te drinken dan bij een wild bruisende bergstroom. Leest men daarentegen in andere vertalingen "wateren der rust", dat zijn wateren die rust geven, dan laat dit iets voelen van de verkwikking, die zowel aan mensen als aan dieren ten deel valt, als zij na een hete dagtocht in dor land bij een bron komen op dezelfde manier zoals in Palestina het scheppen van water tot een beeld van de volmaakte vreugde kan worden: "Dan zult gij met vreugde water scheppen uit de bronnen des heils". Jesaja 12:3.

Daarom wordt Israëls Ontfermer óók de herder die "hen zal leiden en hen voeren aan waterbronnen" Jesaja 49:10.

Jakob wordt één van de beste herders in de Bijbel genoemd. Hij wist wat het waard was om de kudde te kennen. Hij was óók op de hoogte van het verschil tussen "vroege" en "late" lammeren.

Men maakte namelijk onderscheid tussen deze twee soorten lammeren aangezien er twéémaal per jaar lammeren werden geboren, in Juni en in November. De "vroege" lammeren zijn in November geboren en dát zijn de sterkste. De "late" of "zomer" lammeren worden in Juni geboren. Dit alles moet men in herinnering houden, wanneer men leest hoe Jakob bij Laban zijn rijkdom won.

Op de vraag wat hij zich als loon wenst, zegt Jakob, dat hij niets anders wil hebben dan de gespikkelde en gevlekte geiten en de zwarte schapen. Omdat in Palestina de schapen zo goed als altijd wit zijn en geiten zwart zou dat een zeer bescheiden voorstel kunnen lijken. Maar ondertussen bedient de sluwe Jakob zich van een truc, waardoor hij tijdens de dracht de ooien zodanig beïnvloeden kan, dat de lammeren gevlekt of zwart worden zoals hij ze hebben wil. "Toen nam Jakob zich verse takken van populieren, amandelbomen en platanen, en schilde daarop witte strepen, door het wit aan de takken te ontbloten. Hij legde de takken, die hij geschild had, in de troggen, in de drinkbakken, waar het kleinvee kwam drinken, vlak voor het kleinvee; en zij werden bronstig als zij kwamen drinken. Was het kleinvee bronstig geworden bij de takken, dan wierp het gestreepte, gespikkelde en gevlekte jongen" Genesis 30:37-39.

Jakob zette de geprepareerde stokken dus bij de drinktroggen van de dieren neer, waar ze in het water weerspiegelden, en dus hadden de dieren de spiegelbeelden van de zwarte en witte strepen voor ogen terwijl ze dronken, en deze gezichts indruk zou, naar de voorstelling van de Bijbel, de dieren beïnvloeden op de gewenste manier.

Maar, dat was nog niet mooi genoeg. Jakob stelde de gestreepte stokken alleen op als de krachtigste dieren met elkander paarden, vers 41, want hij wist, dat de krachtigste dieren die dieren zijn die zich s' zomers paren en na een dracht van ongeveer vijf maanden in november de "vroege" lammeren en geitjes werpen.

De oorzaak van de grote verbreiding van de schapenteelt, reeds in de oudheid, lag voornamelijk in de winning van de wol.

Schapenwol was in die tijd, evenals tegenwoordig, een bron van rijkdom. Van de wol van het schaap werden de kleren voor de mens vervaardigd.

"Wacht u voor de valse profeten", zegt Christus, "die in schapevacht tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven". Mattheüs 7:15.

De betekenis ligt voor de hand; dat zachte witte kleren, d.w.z. een fraai uiterlijk, een grof en slecht karakter kunnen bedekken. "Schaapsklederen", zoals in de Nederlandse Statenvertaling staat, is misschien een betere vertaling, want we moeten ze ons als kleren denken en niet als pelzen van schapevachten.

In noodgevallen werd wel eens een schaaps-, of geitehuid, gebruikt als vervanging van een warm wollen geweven kleed.

De schrijver van de brief aan de Hebreeën bedoeld dit, wanneer hij de beproevingen opsomt die de oude geloofshelden moesten doorstaan: "Zij zijn gestenigd, op zware proef gesteld, doormidden gezaagd, met het zwaard vermoord; zij hebben rondgezworven in schapevachten en geitevellen, onder ontbering, verdrukking en mishandeling" Hebreeën 11:37.

De uitdrukking, dat zij hebben rondgezworven in schapevachten en geitevellen, moet betekenen dat zij arm en dakloos zijn geweest. Bij deze verwijzing naar de ontberingen van de oude vromen kan men bijvoorbeeld aan de profeet Elia denken, die vervolgd werd door de koningen Achab en Ahazia.

Hij droeg een "haren kleed en een lederen gordel om de lenden", 2 Kon.1:8. Misschien is ook de schapehuid, die Gideon op de dorsvloer uitspidde, toen hij de Here wilde raadplegen over het verdere verloop van de strijd, overdag gebruikt als zo'n mantel. Richteren 6:37.

Zo kon de schapehuid een teken van armoede zijn; de wol daarentegen was een teken van rijkdom. Wol was een van de dingen, die een degelijke huisvrouw in huis zorgde te hebben. Spreuken 31:13.

De rijke Job liet niet na om wol van zijn schapen te schenken aan hen die koude leden, zodat: "de lendenen van de arme hem zegenden als hij zich verwarmd heeft met de wol,"het afgeschorene" zijner schapen. Job31:20.

Het schaapscheren was daarom, net als de oogst, een groot feest in Israël. Dit feest stond zó in aanzien, dat men zelfs personen van koninklijke huize kon uitnodigen er bij tegenwoordig te zijn. 2 Samuël 13:23.

Het schaapscheren verhinderde Laban om thuis te zijn, en daarom kon Rachel zijn huisgoden stelen. Genesis 31:19.

Laban schoor zijn schapen wel niet zelf, want daar had hij zijn mensen voor, zoals ook Juda ze had, Genesis 38:12, maar Laban heeft het zeker druk gehad met het gastheer zijn voor de schaapscheerders.

Zo was ook Nabal bezig om brood, wijn en vlees op te dienen voor zijn schaapscheerders, toen Davids vermoeide en hongerige afgezanten kwamen en om een maaltijd vroegen: "Wij zijn immers op een feestdag gekomen", zeiden ze, "geef toch uw dienaren en uw zoon David, wat gij voor de hand hebt". 1 Samuël 25:8. Maar ze kregen slechts een koele weigering van de hardvochtige rijkaard.

Bij de Joden was het algemeen gebruikelijk om de dieren te knippen; van andere volkeren weten we, dat men soms bij de dieren de haren uittrok. Onder het knippen werd het schaap neergelegd en aan alle vier de poten gebonden: het lag dan volkomen geduldig en stil, en dáárom kon het als schaduw beeld dienen voor de lijdende knecht des Heren: "als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, alzo deed hij zijn mond niet open" -Jesaja 53:7; vgl. Handelingen 8:32.

Van de offerdieren mocht de wol echter niet afgeschoren worden. Deuteronomium 15:19.

Normaal was de wol, zoals reeds eerder is uiteengezet, wit: "Hij geeft sneeuw als wol" Psalm 147:16; vgl, Ezechiël 1:18; Daniël 7:9; Openbaring 1:14.

De lichte en mooie, langzaam dalende krijtwitte sneeuwvlokken, leidden de gedachten van de Israëlitische zanger volkomen natuurlijk naar het schaapscheren.

Om de wol rein en wit te maken, werden de dieren, soms vóór het scheren, gewassen. Aan zulk een pas gewassen kudde schapen denkt de dichter van hert Hooglied als hij de tanden van zijn geliefde ziet: "Uw tanden zijn als een kudde ooien uit het wed, alle met tweelingen, en zonder jongen is er geen." Hooglied 6:6.

Soms werd de wol ná het scheren gewassen; daarná werd ze gekamd, gewogen en op de markt verkocht, en dan pas kon ze gesponnen worden. Dit spinnen was het werk van de vrouwen.

In het boek Spreuken, hoofdstuk 31:19, wordt de degelijke huisvrouw beschreven: wier handen grijpen naar het spinrokken en de weefstoel. Terwijl het spinnen vrouwenwerk was, schijnt het hoofdzakelijk de taak van de mannen te zijn geweest om het weefgetouw te bedienen, des te meer, nadat het weven tot een ambacht was geworden.

De stoffen voor de Tabernakel en voor de Feest klederen van de priester, werden speciaal door mannen, die kunsthandwerkslieden waren, geweven, Exodus 31 en 35, en, in de Handelingen, hoofdstuk 18:3, worden Paulus en Aquila tenten wevers van beroep genoemd.

Het is wel duidelijk, dat een, zó nuttig en zachtzinnig dier als het schaap, bij de Israëlieten in hoog aanzien moest staan.

De Joodse naam voor het schaap heeft geen lachwekkende of minachtende bijklank gehad, integendeel.

Eén van de belangrijkste vrouwen uit de Joodse geschiedenis, de geliefde van Jaco, de moeder van Jozef en Benjamin, heette Rachel, welke naamooi" betekent.

Wij krijgen ook de indruk dat het niets bijzonders was om een lammetje als huisdier in huis te hebben, want, de profeet Nathan vertelt in zijn strafrede aan David, wanneer hij aan deze zijn wandaad tegen Uria verwijt: "de arme had niets, behalve een klein ooilam dat hij had gekocht en opgekweekt. Het groeide bij hem op, samen met zijn kinderen; het at van zijn bete, dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot, het was hem als een dochter." 2 Samuël 12:3.

Wanneer de gelijkenis van Nathan een bedenksel was geweest en geen greep uit het dagelijks leven in Israël, dan zou David wel geprotesteerd hebben, maar David gaat in op de gedachte en stemt in met de profeet dat hij, die de arme man van zijn enige lam heeft beroofd, des doods schuldig is.!©sdj