Steeds opnieuw worden wij in de Bijbel gewezen op de drie aartsvaders Abraham, Izaäk en Jacob.
Deze vaderen worden tot een voorbeeld gesteld voor hun kinderen,het natuurlijke Israel van het Oude Verbond en het geestelijkeIsrael van het Nieuwe Verbond.
Abraham, Izaäk en Jacob, hebben als vreemdelingen verkeerd in het land dat de Here God aan hun als een eeuwige erfbezitting had toegewezen.
In dat beloofde land hebben zij geen rust genoten, want, zij moesten het steeds weer verlaten; en, zeer terecht noemde Jacob het leven van hem en van zijn vaderen in Genesis 47:9: "Jaren der vreemdelingschappen."
Abraham moest alles verlaten en gaan naar het land dat de Here God hem wijzen zou.
Aldaar aangekomen, trok hij, als vreemdeling, van Sichem naar Bethel, Genesis 12, maar, al zeer snel ging hij, gedwongen door de honger, naar Egypte, om ook daar als een vreemdeling te verkeren.
Toen hij terugkeerde naar het land Kanaän, moest hij na enige tijd opnieuw dat land verlaten om als vreemdeling te Gerar te verblijven.
Dit gebeurde, nadat de Heer Sodom en Gomorra had "omgekeerd".
"En Abraham woonde als vreemdeling vele dagen in der Filistijnen land." Genesis 21:34.
Welk een moeilijk leven heeft deze pelgrim, die zich, ondanks alle een ware geloofsheld toonde, gehad.
Al werd zijn geloof ook vele malen beproefd, zelfs zwaar beproefd, en is hij niet altijd waakzaam geweest zodat wij ook zijn zwakke zijde leren kennen, tóch zien wij hem meestal "groot" handelen.
De zonen Heths noemden hem: "een Vorst Gods in het midden van hen". Genesis 23:6.
Niettegenstaande zijn omzwervingen in het, door de Here God aan hem en zijn zaad toegewezen land; niettegenstaande ál de beproevingen die over hem kwamen, was zijn Verbondsgod hem nabij.
Als het hem soms wonderlijk, ja zelfs bang te moede werd, dan openbaarde de Heer zich aan hem in een gezicht, of op een andere wijze.
Hóe vijandig de volkeren ook tegen hem waren, de Heer bewerkte de harten om hem als ""een grote"" onder de mensen, te erkennen en als een profeet van de Almachtige God. Genesis 20:7.
Echter, ondanks al de moeite en de omzwervingen van Abraham was hij door de Here God "zeer gezegend" Genesis 24:35, en, daardoor kon de profeet Jesaja in hoofdstuk 29:22, zeggen: "Daarom zegt de Here, die Abraham verlost heeft."
Na de dood van Abraham moest Izaäk, door de honger gedreven, het door de Here God aangewezen land verlaten. Genesis 29:22.
Hij ging toen naar Gerar, de plaats waar Abraham eertijds ook had gewoond.
Ook Izaäk verbleef vele dagen als een vreemdeling in het land der Filistijnen, waar hij in dezelfde fout verviel als Abraham: hij loog namelijk over zijn vrouw.
De Filistijnen waren hem niet welgezind want zij benijdden hem om de zegen waarmede de Here God hem zegende.
Uit vijandschap dempten en verstopten de Filistijnen de waterputten die Abraham had gegraven, waardoor Izaäk in grote moeilijkheden kwam want in dat waterloze, droge land was een gemis aan bronnen rampzalig.
Steeds maar weer moest Izaäk wijken voor de Filistijnen, totdat Abimelech, de Filistijnse koning, aan Izaäk gebood om weg te trekken.
Izaäk vertrok en woonde toen in het dal Gera. Genesis 26:17.
Uit deze geschiedenissen merken wij op, dat Izaäk lang niet zo'n heldhaftige figuur was als zijn vader Abraham, want Abraham had wel de durf en de moed om aan de koning Abimelech ronduit te vertellen dat zijn volk zeer onbillijk tegenover hem handelde. Genesis 21:25.
Izaäk daarentegen deed en durfde dat niet, ondanks het verbond dat zijn vader met genoemde koning gesloten had, welk verbond óók betrekking had op de nakomelingen van Abraham.
Zodra Izaäk werd gedwongen, week hij uit naar een andere plaats.
Het was Gods verbondstrouw, waardoor Izaäk gezegend werd en de Heer meerdere malen aan hem verscheen.
Izaäk moest door ervaring leren, om, evenals zijn vader, een Vorst Gods temidden der heidenen te zijn.
Er was al die tijd een gedurige twisten tussen Izaäk en de Filistijnen over de waterputten, totdat de knechten van Izaäk een waterput groeven waarover niet werd getwist; daarom noemde Izaäk de naam van die put: "REHOBOTH" en zei: "Want nu heeft ons de Here ruimte gemaakt, en wij zijn gewassen in dit land." Genesis 26:22.
Zo kon Abraham, en zo kon Izaäk, na al hun moeite en strijd tegen vreemde volkeren en na al hun omzwervingen in het land hunner vreemdelingschappen, hóe ook in het geloof beproefd, telkens weer de overwinning boeken.
De Heer liet wel veel over hen toe, maar Hij liet hen niet omkomen; temidden van hun benauwers maakte God ruimte en gaf hun wasdom in het vreemde land.
Zó verging het ook Jacob, want, toen Izaäk hem wegzond naar Paddan-Aram, sprak hij: "En God de Almachtige zegene u, en make u vruchtbaar en vermenigvuldige u, dat gij tot een menigte van volkeren wordt: en Hij geve u de zegen Abrahams, u en uwen zade met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft." Genesis 28:3,4.
Uit deze woorden blijkt wel heel duidelijk hoezeer Izaäk ook gehoopt had op de vervulling van deze belofte.
Nu hoopte hij, dat Jacob deze zegen zou ervaren en het land erfelijk bezitten en zich daardoor zou vermenigvuldigen.
Wanneer Jacob, na twintig jaar, zijn vader wederziet, dan had de Here God hem wel vermenigvuldigd, maar hij zette nog, als een vreemdeling, zijn voeten op de erfenis, en, hij was hierin nog niets verder gevorderd dan zijn vaderen. Genesis 35:27.
Jacob is altijd een vreemdeling gebleven, en, hij moest leren, dat de zegen via een weg van smart en zorgen tot hem zou komen.
Behalve zijn zielestrijd, ontstaan na de zonde tegen zijn vader, bij het verkrijgen van de eerstgeboorte zegen, die tenslotte in de worsteling bij Pniel een einde vond, ondervond hij veel leed van Laban, die zijn loon waarvoor hij werkte, wel tien maal veranderde. Genesis 31:41.
Teruggekeerd in het land der belofte, ging hij te Sichem wonen, maar werd daar doordat zijn zonen een gruweldaad tegen de mannen van die stad pleegden, in grote moeilijkheden gebracht.
Zeer terecht was Jacob bang voor de inwoners van het land, de Kanaaänieten en de Ferizieten.
Wanneer de Here God toen niet tussenbeide was gekomen, dan zou het slecht zijn afgelopen voor Jacob en zijn gezin.
De Here God maakte hem ruimte en gebood hem om naar Bethel te gaan: "En Gods verschrikking was over de steden die rondom hen waren, zodat zij de zonen Jacobs niet achterna jaagden." Genesis 35:5.
Zo verging het Jacob zijn gehele leven; de Here God liet hem in de grootste moeilijkheden komen om dan op het juiste ogenblik aan hem te verschijnen.
Zo kon Jacob ook vele plaatsen op zijn pelgrimsweg, "REHOBOTH" noemen.