Over Paulus, Barnabas, Markus, Timoteus, Lucas, Silas en Filippus

 

Paulus

Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie Gods. (Romeinen 1:1).

Er zijn in de geschiedenis slechts weinig dienaren aan te wijzen, wier invloed en betekenis te vergelijken is met die van Paulus. Het allermeest wel om zijn arbeid onder de heidenen.

Paulus werd geboren te Tarsis, een bekende stad in Cicilië.Hfdst.21:39.

De ouders van Paulus waren Joden, en, daarom kon hij zich een Hebreeër uit de Hebreeën noemen. (Filippenzen 3:5).

Waarschijnlijk waren zijn ouders als krijgsgevangenen naar Tarsis gevoerd, waar zij later, vóór de geboorte van Paulus, werden vrijgelaten en Romeins staatsburger zijn geworden, want Paulus was als een Romeins staatsburger geboren.(Handelingen 22:25-28).

Zijn Joodse naam was Saul of Saulus, zijn Romeinse naam was Paulus.

Paulus vertelt zelf over zijn afkomst; hij was uit het geslacht Israëls uit de stam Benjamin.Hij vertelt ook over zijn opvoeding: hij werd op de achtste dag besneden en onverwezen naar de nauwgezette wijze van de Farizeeën.Als kind heeft hij de school te Tarsis doorlopen, in deze school werd hij ook onderwezen in de filosofie en in de dichtkunst van de Grieken.Daarna werd hij naar Jeruzalem gestuurd, waar hij door Gamaliël in de Joodse wetten werd onderwezen.(Handelingen 23:16).

Hij maakte grondig kennis met het Farizeïsme en stak daarbij met kop en schouders uit bóven velen van zijn geslacht.(Galaten 1:14). Zijn ijver voor de wet van God, verblindde hem, zodat hij geen begrip van, en over het geloof en de denkbeelden van een ander. Hij dacht voor God alleen rechtvaardig te kunnen zijn door gehoorzaam te zijn aan de wet en wilde daarvoor anderen met geweld onderwerpen.

Op deze manier moeten wij zijn haat tegen de christenen, waarin hij de aanranders zag van de aloude en heilige dienst van de Heer, verklaren.(Handelingen 9).

Wij vinden Paulus ook enkele keren vermeld in de geschiedenis van Stefanus, het éérst als een jongeling die de kleren bewaarde van diegenen die Stefanus, in wiens dood Paulus een welbehagen stenigden.(Handelingen 7:58; Handelingen 8:1; Handelingen 22:20).

Daarna, dat hij de gemeente verwoestte, de mannen en vrouwen uit de huizen sleurde en overleverde aan de gevangenis.(Handelingen 8:3; Handelingen 22:4).

Vervolgens werd ons door Lukas verteld hoe Paulus toen hij op weg was naar Damaskus om de christenen te vervolgen, en gebonden naar Jeruzalem te brengen, bekeerd werd.

Aan Ananias verkondigde de Heer reeds dat Paulus Hem een uitverkoren vat was om Zijn Naam te dragen voor de heidenen en koningen en de kinderen Israëls.(Handelingen 9:15).

Al snel probeerde Paulus om zich bij de apostelen te Jeruzalem te voegen, maar zoals dit haast vanzelf spreekt, gelukte hem dat niet meteen omdat zij hem niet vertrouwden.

Hij begon echter vrij snel te Jeruzalem te prediken dat Jezus de Christus was.Dit veroorzaakte weer de haat bij de Griekse Joden en daarom achtten de apostelen het beter dat hij naar zijn geboorteplaats Tarsis ging.(Handelingen 9:30). In Tarsis verbleef hij meer dan 10 jaar.(Galaten 2:1).

Later werd hij door Barnabas gehaald en naar Antiochië gebracht.(Handelingen 11:25), waar hij een jaar lang in de gemeente die daar was, verblijf hield.(Handelingen 11:26).

Daar, in Antiochië, werd hij door de Heilige Geest geroepen en door de Gemeente door handoplegging afgezonderd.(Handelingen 13:1-3).

Dit was 15 jaren nádat de Heer tegen Ananias had gezegd dat Paulus een dienaar der heidenen zou zijn.

Zijn eerste zendingsreis begon hij, vergezeld van Barnabas, van Antiochië naar Cyprus en verder door de steden in het Zuiden van Klein-Azië, in het gebied van Pamfilie, Pisidië en Lycaonië, waar de steden Perge, Derbe, Lystra, Iconium en Antiochië, (in Azië gelegen), en andere plaatsen werden bezocht, (Handelingen 13 en 14).

In verschillende plaatsen werden gemeenten gesticht, en, overal waar Paulus kwam, probeerde hij om éérst aan de Joden het Evangelie te verkondigen, maar dezen stonden hem overal tegen waarom hij zich tot de heidenen wendde. Het waren de bekeerde Joden die de jonge gemeenten uit de heidenen beroerden omdat dezen de heiden-christenen volgens de Joodse wet wilden laten leven en hen dwongen om zich te laten besnijden om zalig te kunnen worden.

Zo zien wij dan Paulus en Barnabas, in opdracht van de gemeenten, naar Jeruzalem gaan om daar met de apostelen over deze zaak te spreken en er een besluit over te nemen. Toen zij in Jeruzalem kwamen, ontstond er over deze zaak, onder de apostelen en in de gemeente, een grote twist maar Petrus en Jacobus wisten te bewerken dat tenslotte ieders gedachten overeenstemden en dat men aan de bekeerde heiden geen andere lasten zou opleggen dan dat zij zich zouden onthouden van de dingen die door de afgoden besmet zijn, en van hoererij, en van het verstikte en van bloed.(Handelingen 15).

Met Paulus en Barnabas werden Judas en Silas ook naar Antiochië gezonden. Na onenigheid met Barnabas over het meenemen van Markus, heeft Paulus, samen met Silas, een tweede zendingsreis ondernomen en bezocht de gemeenten die op zijn eerste reis waren gesticht.

Toen zij in Derbe en Lystra waren gekomen, vonden zij daar Timotheüs, de vervolgens op hun verdere reis met hedn meeging. (Handelingen 16:1-3).

Paulus wilde ook weer door Azië gaan maar werd door de Heilige Geest verhinderd om daar het woord te spreken.

Toen Psaulus te Troas was gekomen, werd door hem, in een nachtgezicht gezien, dat daar een Macedonisch man was die hem bad en zei: “Kom over en help ons”, waarop Paulus besloot om naar Macedonië te reizen. In Macedonië werd Lydia, de purperverkoopster, bij wie Paulus en zijn medearbeiders een lange tijd in huis waren, tot de Heer bekeerd. Dit was het begin van de voorbeeldige gemeente te Filippi. (zie de brief aan de Filippenzen).

Vandaar ging de reis verder naar Thessalonica en Berea.

Alles ging met veel moeite en strijd en vooral met lichamelijk lijden dat hen door vijandige mensen werd aangedaan, gepaard.

De reis ging vervolgens verder naar Griekenland, naar Athene en Korinthe.

In Korinthe vonden zij Aquilla en zijn vrouw Priscilla, bij wie zij een lange tijd verbleven en elke sabbat handelende in de synagoge, waar vele Joden door Paulus werden bewogen tot het geloof in Jezus Christus. Hier mocht hij het genoegen smaken, dat zelfs Crispus, de overste van de synagoge, met geheel zijn huis in de Heer geloofde en dat vele Korinthiërs geloofden en werden gedoopt.

Bovendien werd Paulus andermaal door een droom versterkt, in deze droom zei de Heer: “Wees niet bevreesd, maar spreek en zwijgt niet, want Ik heb veel volk in deze stad”.

Zó bleef Paulus daar een jaar en zes maanden.(Handelingen 18).

Vervolgens werd hij ook uit deze plaats verdreven en kwam hij te Cesaréa en ging vandaar naar Jeruzalem om de gemeente te groeten om later weer naar Antiochië te gaan.

Daarna ondernam hij zijn 3e reis, deze reis ging door Capadocië en Galatië naar Efeze.

Daar vond hij enige discipelen, die wel met de doop van Johannes waren gedoopt, maar die, toen zij Paulus hoorden, gedoopt werden in de Naam van Jezus en door de handoplegging van Paulus vervuld werden met de Heilige Geest.(Handelingen 19).Efeze was een afgodische stad; de godin Diana werd daar vereerd en er waren ook veel tovenaars en duivelbezweerders.

God werkte ongewone krachten door de handen van Paulus. En, hier vinden wij ook weer een medearbeider, Erastus, die wij nog niet eerder hebben ontmoet.Paulus heeft ongeveer drie jaar, met veel zegen, in Efeze gearbeid.

Wanneer wij zijn brief aan deze gemeente lezen, dan merken wij, dat zij een model gemeente genoemd kon worden.

Van Efeze ging Paulus naar Troas in Macedonië en wij vinden hem daar met een groot gezelschap, namelijk Sópater van Beréa, en, van de Thessalonicenzen Aristarchus en Secundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs, en uit Azië Tychicus en Trófimus en zeer zeker ook Lukas, de schrijver van de Handelingen.(20:4).

Na de reis door Macedonië kwamen zij aan te Milete.

Paulus had zich voorgenomen om het Pinksterfeest te Jeruzalem te vieren, en, daarom riep hij de ouderlingen van Efeze bij zich om afscheid van hen te nemen want de Heilige Geest getuigde van stad tot stad dat zijn banden en verdrukking aanstaande waren.(Handelingen 20:22,23). Dit was een ontroerend afscheid, want nu bleek hoe lief zij Paulus hadden. Bovendien voorzegde Paulus hen, dat er uit hun midden mannen zouden opstaan die als zware wolven de kudde niet zouden sparen.

Ook in Tyrus waren er discipelen, door welke de Heilige Geest sprak.(Handelingen 21:3,4).

Vandaar kwam Paulus aan te Cecaréa, in het huis van Filippus de Evangelist, die vier dochters had die de gave van profetie bezaten, en, ook daar, werd Paulus door de Heilige Geest aangezegd dat hij te Jeruzalem gevangen zou worden genomen maar, Paulus was niet van zijn voornemen om naar Jeruzalem te gaan af te brengen.

In Jeruzalem aangekomen werd aan hem verteld, dat er vele Joden waren die geloofden, maar die niet konden hebben, dat hij, Paulus, aan de Joden die onder de heidenen waren, leerde om van Mozes, dit wil zeggen, van de wet af te vallen.

Dit was nu de oorzaak dat Paulus opnieuw een Jood met de Joden moest zijn,(1 Korinthe 9:20-22), en in de Tempel ging om offerande te doen. Dit verhinderde echter niet, dat er om hem een oproer ontstond en dat hij gevangen werd genomen. Weldra werd hij naar Cesaréa vervoerd waar hij, onder de regering van Felix en Festus, bijna twee jaren gevangen bleef. Hij mocht te Cesaréa zelfs voor koningen en stadhouders getuigen van zijn Christus.

Maar, omdat hij zich, als Romeins burger, op de keizer had beroepen, moest hij naar Rome worden gebracht; op deze reis met zijn vele gevaren en hindernissen heeft hij alom het evangelie gepredikt. 0ok in Rome bleef hij twee jaren gevangen maar met een betrekkelijke vrijheid.(Handelingen 28:30,31).

Men denkt, dat hij daarna is vrijgelaten en dat hij zijn arbeid gedurende enkele jaren heeft voortgezet. Hij moet, onder andere, naar Spanje zijn gegaan en naar de gemeenten in Klein-Azië. Daarna is hij opnieuw gevangen genomen en stierf hij, onder keizer Nero, de marteldood.

Paulus bleef met veel gemeenten die door hem waren gesticht, in correspondentie, en, zijn brieven zijn van onschatbare waarde voor de kerk van alle eeuwen.

Zijn kracht was: “Niet ik, maar de genade Gods die met mij is”.

Petrus getuigde van de zendbrieven van Paulus dat zij van een zó diepe betekenis waren, dat ongeleerde en onvaste mensen deze brieven verdraaiden, zoals zij ook deden met andere Schriften, tot hun eigen verderf.(2 Petrus 3:15,16).©sdj

Barnabas:

Barnabas is de naam van de discipel over wie wij menigmaal lezen in de Handelingen der Apostelen, en, die wij in ons schrijven over Paulus, reeds hebben genoemd. Zijn eigenlijke naam was ‘Joses’; hij was een Leviet en was geboren op het eiland Cyprus. Zijn ouders behoorden tot de verstrooide Joden.

Volgens Numeri 35 en Deuteronomium 18, e.a.p. mochten de Levieten geen erfenis hebben zoals de andere stammen van Israël. Zij waren het erfdeel van de Heer en moesten leven van de tiendenoffers die in het Huis des Heren werden gebracht. Joses was één van de éérste duizenden die zich, door de prediking van de apostelen, kort ná, of op de eerste Pinksterdag bekeerd hadden.

Zijn bekering droeg in de eerste plaats deze vrucht, dat hij, een akker die hij had, verkocht en de opbrengst daarvan aan de apostelen gaf.

0f hij vóór de uitstorting van de Heilige Geest in Jeruzalem woonde, weten wij niet, maar wél had hij daar een tante wonen, Maria, de moeder van Markus.(Handelingen 12:12; zie hierbij ook Collossenzen 4:10).

Dat Joses met geheel zijn hart en met geheel zijn ziel de Heer diende, blijkt wel uit hetgeen we over hem lezen. De apostelen gaven hem de toenaam ‘Barnabas’, wat betekent: ‘zoon der vertroosting.(Handelingen 4:36,37). Wellicht heeft hij, om zijn profetische gaven, deze toenaam gekregen.

In Handelingen 13:1 lezen wij over vijf profeten waarvan hij als éérste wordt genoemd. Als Jood uit de verstrooïng had Barnabas veel van de wereld gezien, en hij had zeker veel levenservaring.

Als een geboren Cyprioot, kende hij de Griekse taal. Door de vervolging, die ontstond ná de steniging van Stefanus, werden de gelovigen verstrooid naar Fenicië, Cyprus en Antiochië.(Handelingen 11:19). Uit vers 20 blijkt, dat velen vanuit Cyprus en Cyrene teruggekeerd zijn naar Antiochie.

Eerst vertelden deze gelovigen alleen tot de Joden,(vrs19), maar in Antiochié spraken zij ook over het Woord tegen de Grieken,(vrs.20), waaruit blijkt dat hier dus de zending onder de heidenen is begonnen.

Evenals Petrus en Johannes vanuit Jeruzalem naar Samaria werden gezonden om aldaar hen, die door Filippus met het Evangelie in kennis waren gebracht, te beproeven, werd Barnabas alleen naar Antiochië gezonden om daar hetgene wat daar was geschied, te onderzoeken.

Lukas, de schrijver van de Handelingen, laat op deze mededeling volgen dat Barnabas een goed man was, vol van de Heilige Geest en vol van geloof.(vers 24).

De zegen aldaar op de arbeid van Barnabas was zeer groot, zoals wij lezen: “En daar werd een grote schare aan de Heer toegevoegd”. Barnabas was een samenbinder; dit bleek reeds bij de geschiedenis van Paulus. Toen deze, op de weg naar Damaskus, bekeerd was en het geloof ging prediken, het geloof, dat hij eerst trachtte te verwoesten, was men in Jeruzalem huiverig voor hem. De apostelen hielden Paulus op een afstand, maar Barnabas had de moed om de zaak goed onder ogen te zien, hij onderzocht en deed verslag van het gebeurde waardoor hij het wantrouwen bij de apostelen wegnam.(Handelingen 9:26,27).

0p deze manier is Barnabas de man geworden, die door de apostelen, vol vertrouwen, kon worden uitgezonden. In plaats van nu naar Jeruzalem te gaan om daar verslag uit te brengen van dat, wat er te Antiochië was geschied, ging hij naar Tarsis om Paulus te zoeken. Hij zag een groot arbeidsveld voor zich, waar behoefte was aan dienaren.

Paulus was, om zijn leven te behouden, naar Tarsis gezonden.(Handelingen 9:29,30) en, hij verbleef daar reeds 10 jaar.

Barnabas, wetende van de belofte betreffende de arbeid van Paulus in Gods koninkrijk,(Handelingen 9:15), ging naar Antiochië om hem te halen, waar zij toen samen een jaar lang arbeidden.(Handelingen 11:25,26), in deze plaats ontvingen de gelovigen de erenaam van: ’christenen’.

In Antiochië ontstond een opgewekt geloofsleven; profetieën werden er gehoord, óók over bange dagen en over grote hongersnood. Het gevolg hiervan was, dat er een vrijwillig offer werd gebracht voor de broeders die in Judea woonden. Barnabas en Saulus werden toen met deze gave naar Jeruzalem gezonden; toen zij vanuit Jeruzalem terugkeerden, namen zij ook Johannes, genaamd Markus, mee.

Wij voelen wel, dat Barnabas in de kring van de apostelen te Jeruzalem,hoog geschat werd, want, hij vormde als het ware een schakel tussen de Joodse en de heidense gemeente.

Hij was een geboren Leviet, afgezonderd tot de dienst des Heren; en, nu hij de wet des Geestes had leren kennen, bleek, dat hij ook een bijzondere priestergave had.

De voorgangers te Antiochië hielden, onder vasten, een bidstond en toen riep de Heilige Geest beiden, Barnabas en Paulus, tot apostelen, (Handelingen 13:1-3), want vanaf die tijd worden deze beiden ‘apostelen’ genoemd.(Handelingen 4:4,14). Hier kwam ook de uitdrukkelijke opdracht dat hun arbeid niet beperkt mocht blijven tot de stad alleen, maar dat zij ook moesten gaan tot ‘alle volkeren’, want het Evangelie moest gepredikt worden aan alle creaturen.(Mattheüs 28:19).

Door de Heilige Geest uitverkoren, werden zij door de gemeente uitgezonden. Zij name ook Markus mee, maar deze keerde al spoedig weer terug.

Aanvankelijk had op de eerste zendingsreis Barnabas de leiding, maar, geleidelijk aan werd de laatste de eerste en kreeg Paulus de leiding, dat merken wij op bij de ontmaskering van de valse profeet Bar-Jezus die bij Sergius-Paulus, de stadhouder op het eiland Cyprus, was.(Handelingen 13:6-11).

De wonderen die werden gedaan, worden door Lukas aan Paulus toegeschreven.(Handelingen 13:11 en 14:10).

In Iconium, waar de mensen hen voor levende goden hielden, werd Barnabas nog eens de eerste genoemd.(Handelingen 14:14).

Donkere wolken pakten zich over de gemeente uit de heidenen samen, want er kwamen lieden uit Jeruzalem die bedenkelijk hun hoofd schudden over het geloof en de leer die aan de gelovigen uit de heidenen werd verkondigd. Dezen kwam te Antiochië vertellen, dat zij allemaal besneden moesten worden om zalig te kunnen worden. 0ndanks het verzet van Paulus en Barnabas, werd dit een ernstige kwestie waarom men besloot, dat hierover te Jeruzalem beslist moest worden en zo werden Barnabas en Paulus dus naar Jeruzalem gezonden.(Handelingen 15). Na grote twist en veel gepraat, viel toch het besluit ten gunste van de heidenen.

De brief die de beide mannen uit Jeruzalem meekregen is een prachtig getuigenis waarover de broeders in Antiochië zeer verblijd waren.

Daarna kregen de beide apostelen het plan om de plaatsen van hun vroegere arbeid te gaan bezoeken.

En toen begon de splijtzwam zijn werk te doen, want, de onenigheid over het meenemen van Markus, die hun vroeger had verlaten, werd zo groot dat er een verbittering tussen Barnabas en Paulus ontstond en zij van elkander scheidden. Paulus nam toen Silas met zich mee en Barnabas ging met Markus op reis.

Wij moeten echter in deze scheiding ook weer iets goeds zien, want de gemeenschappelijke arbeid werd toen verdubbeld. 0ver de scheiding van Paulus en Barnabas hebben wij reeds eerder een artikel geschreven. In Galaten 2 lezen wij opnieuw van Barnabas.

Petrus kwam in Antiochië, en, hij was onbevangen tegen de broeders uit de heidenen, met wie hij at en dronk, wat voor een Jood heel veel betekende in die tijd.

Vergelijken wie nu eens hierbij wat hij tegen de Heer zei bij het visioen van het linnen laken met allerlei onrein gedierte, en dat de Heer wilde dat Petrus zou slachten en eten: “Geenszins Here; want ik heb nog nooit iets gegeten dat gemeen of onrein is.(Handelingen 10). De Heer maakte het echter zó, dat Petrus de heiden Cornelius en zijn gezin móest aannemen.

Petrus, in Antiochië gekomen, is nu heel ruim denkend, tótdat er broeders vanuit Jeruzalem kwamen. Het schijnt Paulus het meeste te hebben gehinderd, dat zelfs Barnabas door het voorbeeld van Petrus werd beïnvloed. Paulus kende Barnabas té goed en hij merkte wel dat Petrus de aanleiding en de oorzaak was van dit veinzen van Barnabas, en daarom gaf hij in het openbaar, Petrus een bestraffing.

Na het scheiden van de beide apostelen komt Barnabas in de Handelingen niet meer voor, en, wij merken hierbij op, dat Lukas, de schrijver van de Handelingen, met Paulus was meegegaan.

De oude vriendschap werd echter door Paulus niet vergeten, want, hij waardeerde evengoed de arbeid van Barnabas.(1 Korinthe 9:6). Barnabas was een man van zeer grote betekenis bij en voor de opbouw van de kerk van Christus uit de Joden en de heidenen.sdj

Markus:

In het artikel over Paulus en Barnabas, hebben wij Markus reeds genoemd. Markus verdient het echter dat wij, in een kort artikel, ook onze aandacht aan hem wijden. 0ver zijn familie lezen wij alleen van zijn moeder Maria, in wier huis de discipelen vergaderden.(Handelingen 12:12), en, dat Barnabas een neef van hem was,(Collossenzen 4:10).

Zeer waarschijnlijk was hij, evenals Barnabas, uit het geslacht van Levi.

Zijn eigenlijke naam was Johannes, zijn bijnaam Markus. Als Johannes wordt hij genoemd in Handelingen 13:5,13, en met zijn bijnaam Narkus wordt hij genoemd in Handelingen 12:12,25; en 15:37.

In de brieven van Paulus heet hij Markus.

Zijn jeugdige ijver voor de Heer en zijn verwantschap met Barnabas, waren een goede gelegenheid om met Barnabas en Paulus mee te gaan om het Evangelie te prediken. Van een roeping daartoe lezen wij echter niets.

Wel willen sommigen dat hij één van de zeventig was die door de Heer werden uitgezonden, (Lukas 10), maar daarvoor is geen enkel bewijs aan te voeren. Het is dus onzeker.

De opofferingen die gepaard gingen met de verkondiging van het Evangelie aan de verstrooide Joden en aan de heidenen gingen bóven het vermogen van de jonge Markus uit zodat hij, toen hij in Perge was gekomen, terugkeerde naar Jeruzalem.(Handelingen 13:13).

Wij mogen aannemen dat hij, als jongeling, alleen de lichte en gemakkelijke zijde van het werk des Heren zag: ‘zieltjes winnen voor Gods koninkrijk’ en, wij mogen het woord van de Heer uit 0penbaring 10:10, óók wel op hem van toepassing brengen: “In de mond zoet, doch in de buik bitter”.

Het werk in Gods Koninkrijk geeft voor het vlees zeer vele teleurstellingen.

Na de apostelvergadering te Jeruzalem, (Handelingen 15), zien wij dat Markus weer met Paulus en Barnabas op reis gaat.

Toen zij in Antiochië waren aangekomen, vatten de apostelen het plan op om een nieuwe zendingsreis te ondernemen en wilde Barnabas ook Markus meenemen, hiertegen verzette Paulus zich zeer beslist met het gevolg dat zijn van elkaar scheidden en dat Barnabas Markus meenam.

Uit dat, wat wij later lezen, blijkt, dat deze onenigheid later weer is bijgelegd en dat Markus in een nauwe betrekking tot Paulus stond.

Tijdens de gevangenneming van Paulus te Rome, was Markus bij hem.(Filemon:24).

Paulus droeg toen aan Markus op om naar de gemeente te Colosse te gaan,(Colossenzen 4:10).

Bovendien schrijft Paulus, bij afwezigheid van Markus, aan Timotheüs: “Neem Markus mee, en breng hem met u, want hij is mij zeer nut tot de dienst”.(2 Timotheüs 4:11).

0ok tussen Petrus en Markus bestond een zeer nauwe betrekking; Markus bevond zich, met Petrus, in Babylon, toen Petrus zijn eerste brief schreef, en, Markus werd door Petrus ‘zijn zoon’ genoemd.(1 Petrus 5:13).

Vrij algemeen wordt aangenomen dat Markus zijn Evangelie schreef volgens de dingen die hij van Petrus had gehoord.

Zo schreef Hyronimus: “Markus, de discipel en vertolker van Petrus, door de broederen naar Rome gezonden zijnde, schreef een beknopt Evangelie”.

En, Tertullianus schreef: “Markus, de tolk van Petrus, heeft in geschrifte overgeleverd hetgeen Petrus had gepredikt”.

0ok de nieuwe uitleggers zijn het hiermee eens.

Eén en ander pleit wel voor deze opvatting, want Petrus wordt in dit Evangelie ten voeten uit getekend. De naam van Petrus wordt hierin 28 keren genoemd, en, de eerste van wiens roeping wordt gesproken is Petrus. (Markus 1:16-19). De bestraffing die Petrus van de Heer ontving, (Markus 8:33), zowel als zijn verloochening van de Heer, zijn niet verzwegen. (Markus 14:66-72).

Evenwel, wat tot eer van Petrus zou kunnen strekken, wat wij bij voorbeeld in Mattheüs kunnen aantreffen, (16:16-19), vinden wij niet bij Markus. (8:29).

De aanhef van zijn Evangelie is geheel verschillend van de andere Evangeliën, want, kort en zakelijk begint Markus: “Het begin des Evangelies van JEZUS CHRISTUS, de zoon Gods”.

Hij noemt meteen de Bron waaruit het leven en de vrede voortkomen, en, hij legt vooral de nadruk op de wonderen die door de Heer zijn verricht.

0verlevringen zeggen, dat hij nog naar Egypte is gegaan, en dat hij de eerste is geweest die het Evangelie in Alexandrië heeft gepredikt, maar, dit kan niet meer worden nagegaan. De dag des Heren zal aan het licht brengen wat wij niet over de arbeid van de dienaren weten.Wij troosten ons daarom met de woorden van de dichter: “Uw arbeid zal in onze Heer, niet ijdel wezen; Hem zij de eer”.©sdj

Silas:

Na het geschil dat er was ontstaan tussen de apostelen Barnabas en Paulus, lezen wij dat Barnabas Markus meenam en naar Cyprus afreisde, maar Paulus nam Silas mee. (Handelingen 15:39,40).

Silas behoorde tot de dienaren van de Jeruzalemse gemeente en de apostelen zonden hem, met Judas Barsabas om samen met Paulus en Barnabas naar de gemeente te Antiochië te gaan. (Handelingen 15:22).

Algemeen wordt aangenomen dat Silvanus die in 2 Korinthe 1:29 en 1 Thessalonicenzen 1:1; 2 Thessalonicenzen 1:1; 1 Petrus 5:12; wordt genoemd, dezelfde is als de Silas uit de Handelingen.

Hierbij wordt dan gewezen op Handelingen 17:1-4 in vergelijking met 1 Thessalonicenzen 1:1 en 2 Thessalonicenzen 1:1; en Handelingen 18:1,5 in vergelijking met 2 Korinthe 1:9.

Silas was zeer zeker op de hoogte met de toestand van die gemeenten omdat hij daar had gearbeid; de naam Silas kan de Griekse, en Silvanus kan de Latijnse vorm zijn van een Joodse naam.

Volgens Handelingen 15:32, waren Judas en Silas profeten.

Nadat deze beiden, als afgevaardigden, in de gemeente te Antiochië een tijdlang hadden verbleven, kregen zij verlof om weer naar Jeruzalem te gaan. (vrs.33).

Uit vers 34 blijkt echter dat Judas alleen teruggekeerd is en dat Silas in de gemeente te Antiochië bleef.

Zoals wij hierboven reeds opmerkten, ondernam Silas met Paulus een zendingsreis.

Zij gingen door Syrië en Culicië, (Handelingen 15:40,41), en daarná via Derbe en Lystra. Hier was ook Timotheüs die door hen op hun verdere reis werd meegenomen. (Handelingen 16:1-3).

Naar aanleiding van de droom die Paulus droomde, (Handel.16:9),waren zij naar Macedonië gereisd, waar zij éérst aan vrouwen het Evangelie brachten en daarná de Macedonische man uit de droom van Paulus, vonden in de persoon van de stokbewaarder toen zij in de kerker de lofzangen van God zongen en baden.

Silas was in deze banden de lotgenoot van Paulus.

Uit Handelingen 16 en 27 blijkt dat Silas de medestichter is geweest van de gemeenten te Filippi, te Thessalonica, Beréa en Korinthe.

Titus:

Titus kennen wij alleen uit de brieven van Paulus. (Galaten 2:1,3; 2 Korinthe 2:13; 7:6,13,14; 8:6,16,23; 12:18; 2 Timotheüs 4:10), en, in het bijzonder uit zijn brief aan Titus zélf.

0pmerkelijk is het, dat wij Titus in de Handelingen niet genoemd vinden, hoewel hij toch een ijverige medearbeider was.

Titus was een Griek, en dus van afkomst een heiden. (Galaten 2:3).

Paulus verzette zich tegen de eis van de Joden, dat Titus, evenals Timotheüs, besneden zou moeten worden voordat hij de Heer zou dienen.

Titus was bepaald een man van een zeer standvastig karakter, die ook in vele moeilijke zaken slaagde.

Paulus en Barnabas namen hem mee naar Jeruzalem. (Handelingen 15:2; Galaten 2:1).

In Jeruzalem moest een zeer gewichtige beslissing worden genomen, maar, wat de Handelingen niet aan ons vermelden, dát vermeld Paulus in zijn brief aan de Galatiërs, die nog te zeer vervuld waren met de noodzakelijkheid van de besnijdenis, (Gal.5:1-4), dat hij, voor de bespreking van dit onderwerp Titus had meegenomen.

Paulus wist wat er op het spel stond en daarom nam hij, in Titus, een goede hulp mee, want dan kon de kwestie niet ontweken worden maar moest direct haar beslissing en oplossing worden gevonden.

Dat Paulus Titus meenam, pleit dus voor zijn trouw en vastheid van overtuiging, van zijn helder en vast geloof en van een goed inzicht in het verlossingswerk.

In 2 Korinthe 2:12, vertelt Paulus, hoe in Troas voor hem een deur werd geopend voor de prediking van Gods Woord aldaar, maar, dat hij geen rust had vóórdat hij Titus terug zag, van wiens bemiddeling in Korinthe zoveel afhing.

Paulus verliet deze stad en vertrok naar Macedonië.(vers 13).

In Korinthe bleek dus Titus de hoofdpersoon te zijn in het werk.

De toestand van de gemeente te Korinthe, was allerminst gunstig en baarde apostel Paulus veel zorgen, en, de verhouding van de gemeente tot Paulus, was niet zo als het behoorde te zijn.

Als Paulus weer in Korinthe kwam, dan zou hij de roede moeten gebruiken, (1 Korinthe 4:21; 2 Korinthe 10:2; en 13:2), en dáárom had hij zijn komst steeds uitgesteld. (2 Korinthe 1:23).

Eérst had hij Timotheüs naar Korinthe gezonden, (1 Korinthe 4:17; en 16:10), maar blijkbaar was deze er niet in geslaagd om de Korinthiërs tot bekering te brengen.Daarná is Titus naar Korinthe gegaan.

In Macedonië wachtte Paulus de terugkomst van Titus af, en, hij schrijft in 2 Korinthe 7:5, met welk een vrees en zorg hij over hen was vervuld.

De vrucht van de arbeid van Titus in Korinthe, was buitengewoon; de gemeente had zich bekeerd en was weer op het rechte pad gekomen.

Titus kon dus met goede berichten terugkomen en verheugde daardoor Paulus zeer, (2 Korinthe 7:16).

Titus had dus in Korinthe alles weer in orde weten te krijgen; dit pleit sterk voor zijn beleid als dienaar van God.

De brief van Paulus aan Titus, veronderstelt diens arbeid op het eiland Kreta.

Uit die brief blijkt, dat het werk op dit eiland niet gemakkelijk was, maar ook weer bijzondere gaven eiste, gaven, die in Titus werden gevonden.

Tijdens de gevangenschap van Paulus was ook Titus bij hem, maar die reisde daarna naar Dalmatië. (2 Timotheüs 4:10).

Zie hier, dat, wat wij van Titus in de Bijbel kunnen vinden.©sdj

Timotheüs:

Timotheüs was afkomstig uit Derby en Lystra; zijn moeder was een Jodin die Eunice heette; óók zijn grootmoeder die Lois heette, wordt genoemd.

Deze beide vrouwen werden door apostel Paulus geprezen om hun gelood en om de goede opvoeding die zij aan Timotheüs hadden gegeven.(2 Timotheüs 1:5).

Zijn vader was een Griek, (Handelingen 16:1-3), en die schijnt het geloof van zijn vrouw wel te hebben gewaardeerd want hij liet althans de geestelijke opvoeding van zijn zoon, aan zijn vrouw over.

Toen Paulus, mét Silas, hem, op zijn tweede zendingsreis ontmoette, was Timotheüs reeds een christen; dit was waarschijnlijk de vrucht van de arbeid van Paulus en Barnabas toen zij daar voor het eerst het Evangelie hadden gepredikt.(Handelingen 14:6, ev).

De gemeente aldaar gaf over Timotheüs een goed getuigenis. (Handelingen 16:2).Maar, wat echter nóg meer betekende, was, dat de Heer, door profetie, tot hem sprak. (1 Timotheüs 1:18).

Timotheüs was een Evangelist, (2 Timotheüs 4:15),en, van en over hem hebben wij een duidelijke aanwijzing van zijn roeping door het woord der profetie, want, Paulus schrijft hem daarover in 1 Timotheüs 4:14.

En, ten overvloede, voegt hij daar nog aan toe, dat hij door handoplegging van het ouderlingschap, bevestigd was.

De Christen-Joden eisten, dat hij besneden werd voordat hij in het Evangelie zou gaan arbeiden, en, dit gebeurde.

Daarna ging hij met Paulus en Silas mee, door Klein-Azië, naar Troas, (Handelingen 16:6-8), en vandaar naar Filippi.

Daar werd hij, niet zoals zijn mededienaren, gegrepen en in de gevangenis geworpen.

Hij bleef, samen met Silas, arbeiden te Beréa, terwijl Paulus naar Athene ging, (Handelingen 17:14,15).

Zeer waarschijnlijk is Timotheüs steeds bij Paulus geweest, want, de verschillende brieven die door Paulus, in allerlei plaatsen, geschreven zijn, getuigen daarvan omdat Paulus ze ook schreef in naam van Timotheüs, (2 Korinthe 1:1; Colossenzen 1:1; Filippenze 1:1, en 1 en 2 Timotheüs, enz).

Tussen Paulus en Timotheüs bestond een zeer intieme verhouding want hij noemde hem “zijn zoon”, (1 Korinthe 4:17; 1 Timotheüs 1:2), en hij had een groot vertrouwen in hem.

Hij spoorde hem aan tot standvastigheid om de goede strijd te strijden en met moed op te treden tegen de dwaalleraren.(1 Tim.1:3, 18,19; 4:6,7,11,16; 5:21,22; 6:3-14,20,21; 2 Tim. 1:8,13,14; 2:1-18, 22-26; 3:14; 4:1,2).

Toen Paulus gevangen was, schreef hij aan hem om spoedig bij hem te komen, (2 Tim.4:9), en ook Markus mee te nemen. (vrs.11).

Waarschijnlijk verbleef Timotheüs toen te Troas. (vrs.13).

En, toen de apostel wist, dat zijn einde naderde, wilde hij Timotheüs bij zich hebben.

Van al de medearbeiders, was Timotheüs de meest beminde van Paulus. (Fil.2:20).

Timotheüs had een zwak lichaam, wat blijkt uit 1 Timotheüs 5:23.

0ók heeft hij gevangen gezeten, maar werd weer losgelaten. (Hebreeën 13:23).

Wij hebben ook voor deze dienaar trouw de Bijbel gevolgd, want alle andere berichten over hem zijn onbetrouwbaar.

Filippus:

Filippus, niet de apostel van die naam, maar de evangelist, vinden wij alleen beschreven in de Handelingen der Apostelen, maar, wat wij daar van hem lezen, vervuld ons met grote dankbaarheid en blijdschap.

Deze dienaar heeft heel veel mogen doen voor de opbouw van de kerk van Christus onder de heidenen.

Met zes andere broeders, waaronder ook Stefanus, werd hij in Jeruzalem tot diaken en verzorger van de weduwen, gekozen. (Handelingen 6:5).

Stefanus stierf echter al snel de marteldood; de vervolgingen bleven voortduren en daardoor werden de gelovigen verstrooid.

Filippus vluchtte ook en kwam in een stad van de Samaritanen terecht, waar hij het Evangelie van Christus predikte. (Handelingen 8:4 vv.)

De Heer zegende hem met grote krachten want hij wierp de onreine geesten uit en genas vele kreupelen en geraakten. (vers 7).

Het eigenaardige is, dat wij niets lezen over de arbeid van Filippus als diaken, maar wel dat hij predikte.

In Handelingen 21:8, wordt hij Evangelist genoemd.

0mdat wij ons met hem niet zullen vergissen, voegde Lukas er aan toe, dat Filippus één van de zeven was, waarbij wij moeten denken aan de zeven diaken uit Handelingen 6.

Van zijn roeping tot Evangelist lezen wij echter niets, maar, dat hij een evangelist was in de ware betekenis van het woord, om het evangelie overal uit te dragen, dat wordt aan ons door zijn geschiedenis bevestigd.

De prediking aan de Samaritanen was een gewichtige stap voor de uitbreiding van het Koninkrijk van Christus.

De apostelen waren niet uit Jeruzalem gevlucht, en, toen dezen hoorden dat ook Samaria het Woord Gods aangenomen had, zonden zij twee van hun, namelijk Petrus en Johannes.

Deze beiden baden dat ook de gelovig geworden Samaritanen de Heilige Geest ontvangen mochten, waarna zij hun de handen oplegden en hun gebed werd verhoord: de Samaritanen ontvingen de Heilige Geest.

In Samaria was ook een zekere Simon die, door zijn toverijen een lange tijd het volk had misleid.

Deze Simon geloofde ook in het woord van Filippus en werd ook gedoopt en bleef steeds bij hem.

Toen deze Simon zag, dat, door de handoplegging van de apostelen de Heilige Geest werd ontvangen, bood hij hun geld aan om ook die macht te verkrijgen.

Petrus bestrafte hem echter en noemde hem een samenknoping van ongerechtigheid, een geheel bittere gal, en vermaande hem om zich te bekeren.

Uit deze geschiedenis blijkt ons, dat het voor anderen duidelijk zichtbaar was dat de Heilige Geest werd verkregen door de handoplegging van de apostelen.

Filippus mocht dus een grote zegen op zien arbeid aanschouwen, máár, het is echter een ander die zaait en een ander die maait. (Johannes 4:37).

De akker in Samaria was reeds door de Heer Zelf, toen Hij op aarde wandelde, bereid.

Hierbij moeten wij denken aan de ontmoeting van de Heer met de Samaritaanse vrouw bij de waterput, en, welke gevolgen dat had. (Johannes 4).

De verhouding van de Joden tot de Samaritanen was allertreurigst.

De vrouw verwonderde zich dat de Heer, die een Jood was, van haar water begeerde.(vrs9).

0ok de discipelen verwonderden zich dat de Heer, in deze, niet Joodse omgeving, met een vrouw sprak. (vrs 27).

Zo gebeurde het eens, dat de Samaritanen aan de Heer de doortocht weigerden omdat Zijn aangezicht was, als reizende naar Jeruzalem. (Lukas 9:53).

Later lezen wij weer van een Samaritaan die aan de Heer zijn dank kwam brengen voor de reiniging van zijn melaatsheid, wat de negen gereinigde Joodse melaatsen niet deden. (Lukas 17:11-19).

Filippus predikte Christus aan de Samaritanen, de Christus, die voorheen, predikende, onder hen had gewandeld en hun kranken had genezen, de Christus, die de profeet was die zou komen.

Dat Hij ook voor hún zonden was gestorven en opgestaan tot hun rechtvaardigmaking, en, zij geloofden.!

Daarna werd Filippus door een Engel des Heren naar de weg van Jeruzalem naar Gaza gezonden, (Handelingen 8:26), alwaar hij de Moorman ontmoette. Deze Moorman kwam van Jeruzalem, waar hij de God van Israël had aanbeden.

De zegen strekte zich, dóór Israël uit tot de heidenen.

De Geest zei Filippus dat hij zich bij de wagen van de Moorman moest voegen en Filippus hoorde toen dat deze Moorman uit het 53e hoofdstuk van Jesaja zat te lezen.

Toen Filippus aan hem vroeg of hij wel verstond wat hij las, werd hij uitgenodigd om bij de Moorman op de wagen te komen zitten en Filippus legde toen aan hem uit van- en over Wie de profeet Jesaja deze woorden had gesproken.

Het gevolg was: De Moorman geloofde, werd gedoopt en reisde zijn weg verder met blijdschap.

Filippus werd hierop bij hem weggenomen en werd teruggevonden in Azote, hiermede wordt de plaats Asdod bedoeld, een stad van de Filistijnen.

Dáár trok hij door het land en predikte overal het Evangelie totdat hij in Cesaréa kwam. (Handelingen 8:39,40).

Of nu Filippus in Cesaréa is gebleven en daar alleen gearbeid heeft, óf dat hij van daaruit naar verschillende plaatsen is gegaan om het Woord te prediken, weten wij niet.

Toen apostel Paulus op zijn 3e zendingsreis in Cesaréa kwam, logeerde hij, en degenen die bij hem waren, vele dagen lang bij Filippus. (Handelingen 21:8).

Verder lezen wij, dat Filippus vier dochters had, nog maagden, die allen de gave van profetie bezaten en die profeteerden. (vers 9).

Wellicht heeft de Heer , ook door hun mond, aangekondigd dat voor Paulus banden en verdrukking aanstaande waren, zoals de Heer dit ook deed door de mond van de Jeruzalemse profeet Agabus, die daar óók was gekomen. (ver 10,11).

In het huis van Filippus werd aan Paulus gesmeekt om toch niet naar Jeruzalem te gaan, maar, Paulus liet zich niet van dit voornemen afbrengen.

Toen Paulus in Jeruzalem gevangen genomen werd, werd hij naar Cesaréa gestuurd, (Handelingen 23:23). Daar bleef hij, onder de regering van Felix-Festus, twee jaren gevangen.

Waarschijnlijk heeft Filippus dikwijls een bezoek aan Paulus gebracht en hem in zijn gevangenschap bemoedigd.

Het is niet waarschijnlijk, dat Lukas datgene wat hij van Filippus vertelt, uit zijn mond heeft vernomen en opgeschreven, en, misschien heeft hij nog meer aan Lukas verteld, ook over de vroegere toestand en wording van de gemeente te Jeruzalem.

Uit het één en ander blijkt wel, welk een zegen de Heer heeft gewerkt, dóór Zijn dienaar Filippus.©sdj

Lukas:

Lukas is de schrijver van het Evangelie van Lukas, en van de Handelingen der Apostelen, zoals de titels van deze boeken vermelden.

Echter, van een roeping toe énig ambt, lezen wij niets.

Lukas was van beroep geneesheer. (Colossenzen 4:14).

Hij was een reisgezel van apostel Paulus, wat wij kunnen afleiden uit de beschrijving van de reizen van Paulus en van zijn arbeid in de Handelingen, waarin Paulus spreekt van “wij” en “ons”.

Lukas was, met Paulus en Silas, te Troas, en, ging met hen naar Filippi, (Handelingen 16:10 ev).

Alles wat er te Filippi gebeurde heeft Lukas dus ook meegemaakt, en, waarschijnlijk is hij in deze stad gebleven toen Paulus en de anderen hun reis vervolgden.

Hij schrijft althans andermaal van ”wij” en “ons” als Paulus op zijn derde zendingsreis vanuit Filippi zal vertrekken. (Handelingen 20:5).

Wanneer wij aannemen dat hij het was die zich met “wij” te kennen geeft, dan was hij ook bij Paulus toen die, als gevangene, naar Rome werd overgebracht, want hij was te Rome bij Paulus.

Of Lukas nu een welgesteld man was, en daarom met Paulus kon reizen en bij hem in de gevangenis verblijven, óf dat hij ondertussen als arts werkzaam was, weten wij niet.

Wél is het opmerkelijk, dat Paulus hem ‘Lukas de medicijnmeester’ bleef noemen, (Colossenzen 4:14), nadat hij reeds een lange tijd met Paulus was meegereisd.

Lukas blijkt een man te zijn geweest met uitnemende gaven; hij was een man van grote ontwikkeling en grote bekwaamheid, van grote trouw en nauwkeurigheid en hij bezat een grote kennis.

Zeer veel weten wij alleen door datgene wat Lukas heeft beschreven, want, wij zouden maar weinig van de vestiging en de uitbreiding van de eerste kerk weten als Lukas haar wording en haar geschiedenis niet in de Handelingen had beschreven.

Aan het begin van zijn Evangelie schrijft hij dat hij van te voren naarstiglijk de feiten had onderzocht voordat hij ze opschreef. (Lukas 1:1-4).

Wélke geschriften en wélke mensen hij heeft geraadpleegd, schrijft hij niet, máár, een nauwkeurig en voorzichtig man als Lukas zal zeer zeker aan personen, zoals Maria, het een en ander hebben gevraagd voordat hij de hoofdstukken 1 en 2 schreef.

En, over datgene wat hij van de Herodessen schrijft, kan hij Johanna, de huisvrouw van Chuzas de rentmeester van Herodes, geraadpleegd hebben. (Lukas 8:3), of, Manahen die, met Herodes de Viervorst was opgevoed en die tot de profeten te Antiochië behoorde. (Handelingen 13:1).

Wat betreft de toestand van de eerste gemeente, kan Filippus. De Evangelist, hem hebben ingelicht én Markus, die bij hem was. (2 Timotheüs 4:11).

Ook is Lukas zélf bij veel dingen tegenwoordig geweest.

Waar, en bij wie, Lukas dan ook zijn licht opgestoken mag hebben, jet één met het ánder bewijst dat hij uit onvervalste bronnen heeft geput.

De Heer der Kerk kon Lukas, de medicijnmester, gebruiken om Zijn Kerk in latere eeuwen van groot nut te zijn door zijn geschriften.

De Heer zij daarvoor lof en aanbidding toegebracht.