N A Z I R E Ë R.

Het woord Nazireër, stamt van het Hebreeuwse werkwoord Nazar, wat betekent: zich afscheiden.

Een Nazireër is iemand die zich afscheidt van het gewone leven omdat hij zekere geloften gedaan heeft.

Hij is dus een afgescheidene, een afgezonderde, een gewijde; bij de Israëlieten was het de naam voor hen, die om de één of andere reden aan de Heer een gelofte hadden gedaan en zich verbonden hadden om zich van bepaalde dingen, vooral van wijn of bedwelmende dranken, te onthouden.

Hóe het Nazireaat is ontstaan, is niet meer te achterhalen; het stamt waarschijnlijk uit de oertijd. Bij vele oude volkeren was een eigenaardige dracht van het hoofd-en baardhaar een godsdienstig gebruik.

Gedurende de tijd dat de gelofte duurde, liet men het hoofdhaar groeien als een uiterlijk teken van het Nazireeërschap. zie Numeri 6:1-21, waar de plichten van hem die een Nazi reërsgelofte had gedaan, staan opgetekend.

Deze Nazireërsgeloften werden in geval van ziekten of ook wel door kinderloze ouders, die dan de belofte vervulden ná de geboorte van een éérste kind, op zich genomen en men beloofde dan om zijn haar niet te laten knippen, en, niet alleen geen wijn, maar zelfs geen pitten of schillen, of wat dan ook van de wingerd, te gebruiken.

Een lijk mocht men niet aanraken, op straffe dat men weer van voren af aan moest beginnen.

Werd er aan de belofte geen tijdsduur gesteld, dan duurde deze belofte 30-dagen, het kon echter véél langer, zelfs een levenslange periode betreffen.

Bij onvruchtbaarheid bijvoorbeeld, beloofde de vrouw dat het verlangde kind levenslang een Nazireër zou zijn, zoals wij onder andere kunnen lezen van Simson en Samuël.

De belofte strekte zich dus uit over het gehele leven of slechts voor een bepaalde tijd. Richteren 13:5 vv; 1 Samuël 1:11; Lukas 1:15; Handelingen 18:18; Handelingen 21:23,24.

Was de tijd van de belofte verstreken, dan moest de nazireeër een lam als brandoffer, een schaap als zondoffer en een ram als dankoffer brengen; de haren werden bij hem dan door de priester afgeschoren en op het vuur van het dankoffer geworpen en verbrand.

Was de Nazireeër tijdens de duur van zijn belofte door de aanraking van een lijk, of iets anders, onrein geworden, dan moest hij op de zevende dag nádat dit had plaats gevonden, zijn hoofdhaar afscheren en op de achtste dag een zondoffer en een brandoffer, alsmede een schuldoffer ter verzoening brengen.

Zijn Nazireërschap begon dan opnieuw, zónder dat de verlopen tijd in rekening gebracht werd. Numeri 6:9vv.

Vele rijken betaalden de offers voor de armen; volgens Handelingen 21:24, deed Paulus dit eens voor vier mannen; en, dan blijkt hieruit dat zelfs iemand als apostel Paulus het Nazeriaat nog begunstigde.

Zelfs in Handelingen 18:18, lezen wij dat hij zich, tegen het einde van zijn tweede zendingsreis, te Kenchreae, gelegen bij Korinthe, "het haar liet scheren", "want hij had een gelofte gedaan".

Waarom hij deze belofte deed, dat weten wij niet.

Uit vele berichten, in en buiten de Bijbel, blijkt dat het Nazireërschap veel voorkwam.

In Amos 2:11, dus reeds omstreeks 750 j.v.Chr., worden de nazireërs náást de profeten genoemd; dus wel een bewijs van de belangrijke plaats die zij innamen.

Het Nazireërschap is zeer zeker geen monnik-schap, want men leefde als Nazireërs bepaald niet afzonderlijk, maar is er toch in zoverre mee verwant, dat een zekere onthouding er de grondslag van was; een geestelijke afzondering, zoals die bij alle oude- en nieuwe volken voorkomt.

In Mattheus 2:23, wordt de Here Jezus een Nazireër of Nazireër genoemd. Het laatst genoemde woord is waarschijnlijk een verbastering van Nazireeër. Mattheus leidt het echter af van Nazareth, omdat dat de plaats was waar de Here Jezus Zijn eerste levensjaren heeft doorgebracht.

Dáárom werd dit stadje dan ook "Zijn Vaderstad" genoemd, Mattheus 13:54, en ook wel: "de plaats waar Hij opgevoed was". Lukas 4:16.

=-=-=-=-=-=-=-=-=-=

MARAN-ATHA.!

de Heer komt.!