EEN LAND OVERVLOEIENDE VAN MELK EN HONING.

Wanneer wij een, voor iedereen begrijpelijke, beschrijving willen geven van een vruchtbaar land, dan kiezen wij veelal daarvoor de uitdrukking: “het is een land, overvloeiende van melk en honing”
Het is echter een zeer eigenaardige uitdrukking omdat deze uitdrukking, zoals uit het vervolg wel zal blijken, in het geheel geen juiste typering is van een vruchtbaar land, en, het is zeer zeker een bewijs van de grote invloed die de Heilige Schrift op de taal van ons volk heeft gehad.
Hoe komt men nu aan de opvatting dat een land: ‘overvloeiende van melk en honing’,
een vruchtbaar land zou zijn.?
Dit wordt in de hand gewerkt door het gebruiken van de Heilige Schrift.
Voor de eerste maal vinden wij deze woorden in Exodus 3:8, in de opdracht die aan Mozes bij het brandende braambos is gegeven.
Daarna komen deze woorden nog verschillende malen in de boeken van Mozes voor, maar, het eigenaardige is, dat búiten de Pentateuch deze uitdrukking slechts te vinden is, hetzij wanneer de Here God Zijn beloften aan Zijn volk, in herinnering brengt, zoals bij voorbeeld in Jeremia 11:5 en in Ezechiël 20:6.
Dit gebruik vloeit voort uit het doel waarmede deze woorden telkens worden gesproken; want, de Here God duidt hiermede Zélf steeds het land der Belofte aan, óf doet het daarmede aanduiden en maakt het land daardoor voor Zijn volk een begeerlijk land.
Twéé dingen zijn het die de aantrekkelijkheid van het beloofde land voor het volk vormen: melk én honing, die beiden in overvloedige mate aanwezig zijn.

Het volk, zoals het in Egypte woonde, was een volk van veehouders, een herdersvolk.
De patriarchen waren herdersvorsten, en, voor zulk een volk heeft een land “overvloeiende van melk en honing”, een zeer grote aantrekkingskracht.
Aan dit volk wordt een land beloofd dat zeer geschikt is om een grote veestapel te voeden op een wijze dat het vee overvloedig melk geeft.
In het land Kanaän aangekomen, blijft het volk de veeteelt beoefenen, al gaat al snel de landbouw ook een belangrijke plaats innemen.
Eigenaardig voor onze begrippen is het feit, dat de veeteelt voornamelijk het houden van “kleinvee”, schapen en geiten, betrof, maar minder dat van runderen, het “grootvee”.
Enkele delen van het land worden speciaal genoemd als de weideplaatsen voor de runderen.
In de tijd van David was een hoofdambtenaar belast met het toezicht op het grootvee dat in de vlakte van Saron, gelegen tussen Joppe en de Karmel, weidde. (1 Kronieken 27:29a).
Basan stond eveneens bekend als een gebied van waaruit goede runderen kwamen.(Psalm 22:13; Amos 4:1 en Ezechiël 39:18).
Deze runderen werden niet in de eerste plaats als melkvee gehouden maar als slachtvee en als hulp in het landbouwbedrijf, want, telkens lezen wij van het slachten van runderen voor de comsumptie, vooral van de jonge dieren, de kalveren en de varren. (Genesis 18:7; Lucas 15:23).
In de huishouding van Salomo werden dagelijks tien gemeste runderen en twintig
weiderunderen gebruikt. (1 Koningen 4:23).
Hierbij dient wel te worden opgemerkt, dat er in Israël veel minder vlees gegeten werd dan bij ons; een algemeen verschijnsel, dat in de warme landen de vleesspijzen niet zo geliefd zijn als in de koudere landen.
Oók de primitieve manier van bereiding werkte er aan mee dat het meer bestemd was voor de rijken en voor de feestmaaltijden, zoals ook uit de aangehaalde teksten wel blijkt.
Bovendien vroegen de offers veel runderen. (Exodus 29:1ev; Leviticus 4:5ev; en 1
Koningen 8:63).

In het landbouwbedrijf deden de runderen dienst bij het ploegen. (Deuteronomium 25:4; Amos 6:12).
In 1 Samuël 11:5 wordt medegedeeld, dat Saul: “achter de runderen uit het veld kwam” toen het bericht van de aanval van Nahas op Jabes in Gilead hem bereikte.
Gewoonlijk neemt men aan dat Saul aan het ploegen is geweest, maar, dit is echter niet waarschijnlijk want de ploegtijd valt in de regentijd, en, in die tijd, -tijdens de regen, -trok men niet ten oorlog.
Daarom is het waarschijnlijker dat hij zich op de dorsvloer, die ook in het “veld” lag, bevonden heeft
Het woord “sade” is hier vertaald met “veld”, wat betekent: “niet door huizen enz, ingenomen grond”, dus, niet alleen “akker”.
Op de betekenis van de arbeid van de runderen wijst ons Spreuken 14:4: ”Als er geen ossen zijn, is de krib rein, maar door de kracht van de os is der inkomsten veel”.
Wanneer er geen runderen zijn, dan blijft de “kribbe” ledig en dús “rein” en dan hoeft men ook niet de moeite te doen om deze kribbe te vullen en schoon te maken.
Wie echter wél deze werkzaamheden moet verrichten omdat er wél runderen zijn, die vindt zijn beloning, door de arbeid van deze dieren, in de meerdere opbrengst van zijn landbouwbedrijf.
Oók werden de runderen wel voor de wagen gespannen. (Numeri 7:4ev; 1 Samuël 6:7; 1 Kronieken 13:7).
Het schijnt, volgens de hier aangehaalde teksten, dat dit een bijzonder eerbewijs was, en geen dagelijkse gewoonte.
Tenslotte werden de runderen ook wel als lastdieren gebruikt (1 Kronieken 12:40), al was de bouw van het rund daar minder geschikt voor dan de bouw van de kameel of de ezel.
De veeteelt in Israël omvatte dus voornamelijk het houden van schapen en geiten.
Maar ook het bedrijf was geheel anders ingericht dan zoals wij dat kennen, en, dit hield verband met de eigenaardige gesteldheid van de bodem, en, zó vinden wij nu nog vrijwel dezelfde toestanden als in het oude Israël.
Het eigenlijke “weiland” vindt bijna nergens in Palestina, want gras wordt er nooit gezaaid en aaneengesloten stukken grasland komen slechts op plaatsen voor waar op een rotsige ondergrond een dunne laag humus ligt, én op vochtige plaatsen.
Alleen in het Over-Jordaanse komt meer gras voor zodat het op sommige plaatsen een bijna Hollands karakter heeft.
Deze weinige weidegronden zijn niet in staat om aan de behoeften van het vele vee te voldoen en daarom vinden wij de meeste grote kudden gedurende een groot deel van het jaar in de woestijn en in het veld.
Een gedeelte van het jaar zoeken zij hun voedsel in de nabijheid van de bewoonde plaatsen, en, dank zij de rijke begroeiing in vele gebieden, is het land ruimschoots in staat om aan de talrijke kudden voedsel te bieden.
Dit was in de tijd van Israël dan ook zeer zeker het geval.
Wat de aard van het voedsel betreft, moet worden opgemerkt, dat “gras” of “gras des velds” in de Bijbel een zeer ruime betekenis heeft, want, wanneer wij lezen over de geschiedenis van de wonderbare spijziging van vijfduizend mensen, dat deze scharen zitten in het “groene gras” (Mattheüs 14:19; Markus 6:29), dan moeten wij niet denken aan gras alléén, maar óók aan een welige groei van allerlei groene planten die, tijdens het voorjaar aan de 0ostzijde van de Zee van Galilea, de onbebouwde bodem en de heuvelhellingen bedekte.
Het Hebreeuwse woord “chatzir”, dat gewoonlijk door “gras” wordt vetaald, heeft in sommige gevallen ook werkelijk deze betekenis zoals in Jesaja 44:4a: “en zij zullen uitspruiten tussen het gras”, waar dit beeld ons doet denken aan bloemen die opschieten tussen het weelderige gras op vochtige plaatsen.
In 1 Koningen 18:5, is het de plantengroei in het algemeen, die, zelfs in de grootste droogte, nog wel is te vinden in de omgeving van bronnen en in de beekdalen, en dat geschikt is om paarden en muildieren in leven te houden.
Een vrijwel gelijke betekenis heeft het in Psalm 104:14, waar het voorkomt als voedsel voor het vee, náást de “gewassen” die de mens moet bewerken om brood uit de aarde te doen voortkomen”.
In Numeri 11:5, komt hetzélfde woord voor, maar dáár betekent het in het geheel geen gras, maar “prei”.
De schapen- en geitenkudden werden als slachtvee én als melkvee gehouden; en,verder ook nog om de wol en het haar, want, bij het slachtvee moet het allereerste gedacht worden aan de offers.
Talrijk zijn de offervoorschriften, waarbij de schapen en de geiten worden genoemd.(Leviticus 3: ev).
Al naar de aard van het offer dat werd gebracht, was er óók bepaald wélk dier er geofferd moest worden; in het algemeen mochten zowel manlijke als vrouwelijke dieren van verschillende leeftijden worden geofferd, mits zij volkomen, dat wil zeggen, zónder lichaamsgebrek waren. (Leviticus 3:1; Maleachi 1:6-8).
Máár, óók reeds vóór de tijd van de Mozaische wetten werden er schapen en geiten geofferd. (Genesis 4:4 en 22:13enz.).
Tenslotte vonden al deze offers hun culminatiepunt in “het Lam, staande als geslacht”) (Openbaring 5:6).
Schapen en geiten werden het voornaamste vleesvoedsel en dan meestal de jonge dieren, een lam (2 Samuël 12:3), of een geitenbokje (Genesis 27:9; Richteren 6:19), maar toch was dit geen dagelijks voedsel.
De voornaamste betekenis van de kudden kleinvee, was de melkproductie en, de meeste melk en de meeste melkprodukten zijn in het 0osten dan ook afkomstig van de schapen en de geiten. De melk van de koeien diende hoofdzakelijk voor de kalveren.
Het is zeer moeilijk om de verschillende namen die in de Bijbel voor de melkprodukten worden gebruikt, nauwkeurig weer te geven.
Deze moeilijkheden beginnen al direct bij en met de betekenis van het woord “chem’a””, dat tienmaal in het Oude Testament voorkomt.
Van ouds werd dit woord steeds vertaald door “boter”, of weergegeven door woorden die “boter” kunnen betekenen.
Hiermede is wel de juistheid van deze vertaling niet bewezen, maar toch hoogst waarschijnlijk gemaakt.
Het duidelijkste is de betekenis van het woord “chem’a” af te leiden uit Spreuken 30:33: “Want de drukking van de melk brengt boter voort en de drukking van de neus brengt bloed voort.” omdat hier in dit tekstgedeelte iets wordt gezegd over het ontstaan van de “chem’a”.
Daarbij dient dan nog te worden opgemerkt, dat de werkwoordsvorm in de Staten Vertaling door “drukking” weergegeven, beter te vetalen is door: “het stoten” of “het stompen”.
Ten eerste omdat het “drukken” van de neus geen bloed doet ontstaan, maar óók, waartussen een zak, gemaakt van geitenhuid en gevuld met chalab, wordt opgehangen.
Vervolgens gaan één of meer personen op de grond zitten en de zak wordt nu hun doel van welgemikte vuistslagen. Zó komt de inhoud in een, voortdurend schuddende, beweging en dit “stoten” heeft de vorming van de boter tengevolge. (net zoals bij ons met het karnen gebeurt).
Gedeeltelijk wordt deze boter vers gebruikt, terwijl ze ook wel wordt opgekookt om bewaard te blijven. Op deze bereidingswijze wordt nu gedoeld in Spreuken 30:33.
De vertaling van “chem’a” door “boter” levert in de meeste gevallen geen moeilijkheden op.
Zo staat in Genesis 18:8a: “en hij, (Abraham), nam boter en melk”.
Waarschijnlijk hebben wij hier ons voor te stellen dat de “boter” gebruikt werd bij de “broodkoeken”, dit zijn platte, ronde vlakken die op hete stenen of op een hete, ijzeren plaat, gebakken werden.
De boter werd daar echter niet opgesmeerd, maar de stukken brood werden erin gedoopt, wat goed mogelijk was omdat de boter niet zo stijf was zoals wij dat kennen, óók al in verband met de temperatuur.
Daarnaast werd “melk” voorgezet, hetzij de verse zoete melk, of de dikke, gestremde melk die óók gedronken kon worden.
In Richteren 5:25, luidt de Staten Vertaling: “Water eiste hij, -Sicera), melk gaf zij-(Jaël); in een herenschaal bracht zij boter”.
Dr. Goslinga vertelt dit als volgt: “Hem, die water vroeg, gaf zij melk, in een schaal der edelen reikte zij room”.
In de toelichting hierop zegt Dr. Goslinga: “met de room is niets anders bedoeld dan de melk, -(hetgeen in strijd zou zijn met hoofdstuk 4:19), doch naar de aard van het poëtische parallellisme wordt dezelfde gedachte met andere woorden herhaald”.
In een voetnoot wordt van de room gezegd: “Het woord duidt het vette of dikte van de melk aan, en daarom heeft men gedacht aan dik geworden, zure melk, of aan boter.
Room en melk zijn hier echter, evenals in Deuteronomium 32:14, synoniem”.
Hierbij kan worden opgemerkt, dat Jaël aan Sicera éérst melk, -(uit de zak-4:19), dus gestremde melk, gaf om zijn dorst te lessen en daarná in haar mooiste drinkschaal “boter” bracht tot meerdere verkwikking. Het kunnen dus twee verschillende zaken zijn geweest.
Meer moeilijkheden ondervinden wij bij teksten zoals in Job 20:17: de stromen, rivieren en beken van honing en boter, zal hij niet zien”, en, in Job 29:6: “toen ik mijn gangen wiesch in boter”, alwaar de chem’a als zijnde vloeibaar, wordt voorgesteld.
Nu kan aan de ene kant wel worden gezegd dat in het boek Job 20:17, het woord “beken” ook niet noodzakelijk moet gelden voor “boter”, zodat men óók wel kan lezen: ”beken van honing; en boter zal hij niet zien”, maar, dit is niet de meest natuurlijke lezing.
Bij Job 29:6, kan worden herhaald wat hierboven reeds is gezegd, namelijk, dat de boter in het 0osten veel en veel achter en weker is dan bij ons, maar dit is ook weer niet geheel bevredigend.
In dit verband is het vermeldenswaard, dat er in het Hebreeuws geen afzonderlijk woord is voor de dikke, gestremde melk die als grondstof voor de bereiding van boter dient.
Men kent alleen “chalab”, dat is “melk”, en “chema’”, dat is boter.
Het is dus niet uitgesloten dat deze beide woorden beurtelings zouden hebben gediend om dit produkt aan te duiden en dat, in de beide aangehaalde teksten, ”chema’” dus dikke melk betekent.
Naast de dikke, verzuurde melk, kent men ook de zoete gestremde melk, maar deze melk wordt echter veel minder als zodanig gebruikt maar is van belang als grondstof voor de kaasbereiding.
Door verwijdering van het water wordt dan kaas verkregen.
Eigenaardig is het, dat dit woord slechts éénmaal in het Oude Testament voorkomt, en wel in Job 10:10: “en mij als een kaas, -(genina)-doen runnen.”
Tóch staat de betekenis wel vast omdat in deze tekst het ontstaan wordt vermeld.
Nog op een ándere plaats, en nóg één, wordt er in de Heilige Schrift over “kazen” gesproken.
Bij de leverantie van Barzillai de Gileadiet aan Davids leger, waren onder meer ook “koeienkazen” -(2 Samuël 17:29), en, vader Isaï geeft aan de jonge David voor de overste van duizend, tien “melkkazen” mee. -(1 Samuël 17:18).
Wanneer de dikke, gestremde, zure melk enige tijd heeft gestaan, dan kan het water eraf worden gegoten en men verkrijgt dan een produkt, dat te vergelijken is met “hangop”.
Door nog verder te gaan persen, verkrijgt men klompen “wrongel” die in gedroogde toestand worden bewaard.
Deze klompen, in schijven gesneden of geperst tot platte schijven, kunnen worden bedoeld in 1 Samuel 17:18, temeer, omdat zij afkomstig waren van chalab, dus, van de dikke zure melk.
De sjepboth bagar, zouden hetzelfde produkt, in ronde, gladde klompen, kunnen zijn, en, dat er hier speciaal wordt vermeld dat zij afkomstig waren van runderen, -(bagar), dus verkregen waren uit koeiemelk, behoeft geen verwondering te wekken omdat het 0ver-Jordaanse één van de gebieden was waar zeer veel runderen waren en de melk dus tot zuivelprodukten werd verwerkt.

=0=0=0=0=0=0=0=0=0=0=

De twééde zaak die het Land van Belofte zo aantrekkelijk maakt, is de honing.
Honing was de voornaamste lekkernij van de ouden; en, de hedendaagse bedoeïenen die in zoveel opzichten de tradities van Israël voortzetten, zijn nóg grote liefhebbers van deze zoetigheid, want, met suiker, gebak, rozijnen en vijgen, kan men een Bedoein naar het andere einde van de wereld lokken.
Omdat de neigingen, de deugden en de ondeugden van een volk zich gewoonlijk in bepaalde volksuitdrukkingen afspiegelen, daar drukken de Arabische Bedoeïnen het geluk van een rijke en een vorst, uit in het spreekwoord: “Hij slaapt met de mond aan een honingraat”.
Hierbij dienen wij niet uit het oog te verliezen dat de honing werd gebruikt in plaats van suiker, dat bij Israël onbekend was, want, het suikerriet is waarschijnlijk pas in de 7e eeuw ná Christus ingevoerd in Palestina.
De eerste vraag die zich nu voordoet, is: “waaraan moeten wij bij het woord “honing” aan denken?.
Over deze vraag zijn de meningen echter verdeeld, want het Hebreeuws kent voor “honing” slechts één woord: “debrasj”.
Het is niet voor tegenspraak vatbaar, dat er in Richteren 14:8.9.18, sprake is van bijenhoning.
Hierbij kan nog worden opgemerkt dat het voor ons onbegrijpelijk is dat een bijenzwerm zou neerstrijken in het lichaam van een dood dier omdat de reukzin van de bijen buitengewoon sterk ontwikkeld is.
In Palestina kan echter door de droge atmosfeer en door de dienst van de mieren, in de tijd van 24 uur, een dergelijk uiteengescheurd lichaam -(vers 6), zó uitgedroogd zijn, dat het geen geur meer afgeeft.
Oók in 1 Samuël 14:25 ev. is het bijenhoning omdat in vers 27 van “honingraat” wordt gesproken.
Hetzelfde geldt van Hooglied 5:1, waar, naast de honing ook weer de honingraten worden genoemd, terwijl in Psalm 19:11, naast “honing”, over “honingzeem” wordt gesproken.
Deze zelfde combinatie is te vinden in Spreuken 24:13 en in Hooglied 4:11.
Over de juiste betekenis van het woord “honingzeem” is geen instemming.
Het woordenboek van de Nederlandse Taal, zegt hierover het volgende: “Eigenlijk is de benaming voor de vloeistof honing en kan dan de honing aanduiden terwijl die in de raten is, óf, ook wel vanzelf uit de raten gelekte honing.
De naam wordt echter ook wel toegepast op de tweede kwaliteit van honing die, met behulp van een pers, wordt verkregen.
Bovendien vindt men honingzeem -(en dat reeds zeer vroeg)-, synoniem met honingraat.
Dezelfde onzekerheid vindt men ook in andere Germaanse dialecten.
Tesamen genoemd met honing, betekent het: de zuiverste, edelste, puikste honing.
Ondanks al deze meningsverschillen, is het toch wel duidelijk, dat er van één of andere vorm van bijenhoning sprake is.
Er zijn in de Bijbel echter nog verschillende plaatsen meer, waar men uit het tekstverband niet opmaken kan dat er sprake is van bijenhoning, en, daarom zegt L.Bauer, dat, waar het woord “debasj” betekent “het ingedikte”, het eigenlijk veel meer van toepassing is op de, ook heden nog veel geproduceerde druiven honing.
Hij ziet ook in de woorden “melk en honing”, een samenvattende uitdrukking voor deze beide hoofdprodukten van het land Kanaän, en, als zodanig kan, naast de melk als hoofdprodukt van de veeteelt, niet de bijenhoning, maar slechts de druivenhoning als hoofdprodukt van de wijnbouw worden genoemd.
Speciaal in Genesis 43:11 en in Ezechiël 27:17, waar van honing als uitvoerprodukt sprake is, wil hij aan druivenhoning denken.
Het is dus aan te nemen dat “debasj” betekent: “bijenhoning”.
Een andere vraag is, of onder Israël reeds aan bijenteelt werd gedaan, en, daarover is in de Bijbel niets positiefs te vinden.
Bodenheimer meent, dat het vrijwel zeker is dat de oude Joden de bijenteelt niet beoefenden.
Tóch zullen wij in het algemeen wel moeten denken aan wilde honing -Mattheüs 3:4)-, dat wil zeggen, honing die door in het wild levende bijen is verzameld.
De Palestijnse bij, is, volgens Bodenheimer, de Syrische bij; dit is de bij die daar endemisch is, dus, de oorspronkelijke wilde soort.
Het achterlijf van deze bij is helder geel, dus, veel meer opvallend dan dat van onze bijen.; zij steekt zeer snel en heeft een sterke neiging om te gaan zwermen.
Dat deze eigenschappen sterk op de voorgrond treden, blijkt uit de plaatsen in de Heilige Schrift waar van bijen sprake is; zij zijn niet het beeld van ijver en zorgzaamheid, maar van vervolging.
De vijanden van Israël vervolgden hen: “gelijk als de bijen doen” -(Deuteronomium 1:44)-, en, “omringden hen als de bijen” -(Psalm 118:12).
De voornaamste zwermperiode valt in Mei Juni, terwijl de mannetjes, -de darren, in Juli gedood worden omdat dan de honing in de natuur slechts in geringe hoeveelheid aanwezig is.
Van een eigenlijke winterrust is geen sprake, want het gehele jaar door is er “broed” aanwezig, maar, in de wintermaanden natuurlijk in een mindere mate.
Wanneer wij de talrijke soorten bloemen en planten die de Palestijnse Flora telt, de revue laten passeren, zijn daar vele soorten onder die rijk zijn aan honing.

Bovendien begint de bloeitijd veel vroeger dan bij ons; in de kustvlakte staan in Januari de Amandelbomen reeds in bloei, getoond met hun grote, sneeuwwitte bloemen, die, volgens Prediker 12:5, het beeld van de ouderdom zijn.
In Februari vindt men ze overal, terwijl dan ook de bolgewassen, die in Palestina in grote getale voorkomen, beginnen te bloeien.
In Maart en April zijn het de korenbloemen en de klaversoorten, de witte en de zwarte mosterd, die grote hoeveelheden honing bezitten.
Eind April begint de bloei van de lipbloemfamilie met haar talrijke geurige vertegenwoordigers, zoals de Salie, Gamander, Hysop en Lavendel, terwijl dan ook de familie van de ruwbladigen een belangrijk aandeel levert met het slangenkruid en de 0ssetong.
Een grote betekenis heeft de Thym, die gehele hellingen bedekt en geurige honing afgeeft, ook al, omdat ze de gehele zomer bloeit.
En, eindelijk, in de nazomer, bloeit, tot eind September, de Saffloer, het bekende, lastige, stekelige akkeronkruid waarvan de blauwgroene bladeren de bodem bedekken en waarboven de mauve-kleurige bloemhoofdjes uitsteken en deze geeft een overvloed van een eigenaardige geurende honing.
De wilde bijen verzamelen deze honing en brengen die in haar nesten die te vinden zijn in holle bomen, in rotsspleten, enz.
Soms wordt de honing op zéér eigenaardige plaatsen opgeslagen, zoals bij voorbeeld in de jonge leeuw die door Simson verslagen was. -(Richteren 14:8)-.
Omdat de Palestijnse bijen de gewoonte hebben om de raten geheel met honing op te vullen, -het afsluitende wasdeksel staat dan geheel bol-, vloeit de honing er dikwijls uit.
Een dergelijke honingvloed, waarschijnlijk uit een holle boom, wordt door Jonathan in het woud gevonden -(1 Samuël 14:26)-. Terwijl Deuteronomium 32:13 en Psalm 81:17 spreken van “honing uit de rotssteen”.
Dat dit laatste dan ook letterlijk is op te vatten blijkt wel uit een beschrijving van Michaël Julien: “Ik ken drie plaatsen in Syrië, waar wérkelijk rijkelijk honing uit de rotsen vloeit. De eerste is bij Kaap Kanyir, tussen Sou-Weidye en Alexandrië.
Talloze bijenzwermen wonen in de holen van een steile en ontoegankelijke rots op een hoogte van 60 meter en de honing vloeit daaruit steeds naar beneden, zoals uit een bron.
Een kwartier voordat men aan het dorp Kafr-Filah komt, treft men rotsen aan die door wilde bijen bewoond zijn. Men had, met behulp van springstoffen, de opening in één van de rotsen verwijd, en, daaruit 21 kg honing verkregen, en, dit was slechts een zeer klein gedeelte van de, in het inwendige van de rost, opgeslagen honing.
Ook nu is Palestina nog “overvloeiende van honing”, al schijnt het aantal wilde zwermen te zijn verminderd, wat verklaarbaar is door de ontbossing.
In vrijwel elk dorp vindt men echter één of meer liefhebbers die in een warm hoekje een bijenstand houden.
Behalve dat de honing gebruikt werd voor het zoet maken van de spijzen, werd hij ook zó gegeten.
Van Simson lezen wij, dat hij de honing in het lichaam “bijeenschraapte op zijn handen” en toen, al etende, voortliep. -(Richteren 14:9)-.
Het daar gebruikte woord dat door “bijeenschrapen” is vertaald, en dat elders in het Oude Testament niet meer voorkomt, is de gewone term voor het uithalen van honing uit de raat.
Simson zal dus de raten uit het lichaam van de leeuw genomen hebben en, al voortgaande, die raat tussen zijn handen hebben uitgeperst.
Zó doen de hedendaagse inwoners van Palestina het nu ook nog.
En, van de, nog niet uitgeperste raat, kon hij dan ook nog aan zijn ouders geven.(vers9).
De vrouw van Jerobeam nam een kruik honing mee voor de profeet Ahia -(1 Koningen 14:3), en, de honing werd óók wel met de raat gegeten. -(Hooglied 5:1 en Lukas 24:42).
De laatste tekst is zeer belangwekkend, want wij lezen daar: “En zij, -(de discipelen), gaven Hem, -(Jezus)-, een stuk van een gebraden vis en van honingraten”.
Dit lijkt voor ons een zeer eigenaardige combinatie, maar, het allereerst kan echter reeds worden vastgesteld dat ook nu, in Palestina, de honing nog vaak als dessert wordt gegeten, voorál na het eten van vis.
Ludwig Köhler gaat nader in op de vraag waarom men in het 0osten vis met honing eet, en, zijn conclusie is dan, dat het eten van vis met honing in de dagen van Jezus Christus, een heel gewoon verschijnsel was dat berustte op een medische theorie.
Het is echter wel opmerkelijk, dat alléén de geneesheer Lukas het “en van honingraten” toevoegd.
Na het voorafgaande zal het wel duidelijk zijn, dat er in Palestina, in vroeger en later tijd, een overvloed van honing is geweest, en nóg is.
Dit wijst wel op de rijke bloemenpracht, maar nog niet op een vruchtbare bodem; een land, “overvloeiende van melk en honing”, is een land dat een grote bekoring heeft voor een volk dat een grote veestapel bezit, en dat, zoals het Israëlitische volk, veel houdt van zoetigheid.
Voor een vruchtbaar land in de gewone zin van het woord, moeten er echter nog ándere factoren aanwezig zijn.©sdj