“Een land, dat de Here uw God, bezorgd.”

In zijn grote afscheidsrede die Mozes, ín de vlakke velden” van het 0ver-Jordaanse, tegen het volk Israël hield, geeft Mozes een beschrijving van “Het land der Belofte”. (Deuteronomium 11:8-17)

Al meteen tekent deze grote leider in het 10e vers, dat land aan als geheel afwijkend van het Egyptische land: “Want, het land, daar gij naar toe gaat om dat te erven, dat is niet als Egypteland vanwaar gij zijt uitgegaan, hetwelk gij bezaaidet met uw zaan en bewaterdet met uwen gang als een kruidhof”.

Egypte, dat wil zeggen de smalle riviervlakte met de Nijldelta, was vlak als een tuin. De sterke voorjaarsregens in Abessinië en 0ost-Soedan, veroorzaken de jaarlijkse overstromingen van de Nijl. In Juni begint het water te wassen om in de herfst zijn hoogtepunt te bereiken en deze overstroming brengt met het water, de vruchtbare slib.

Door een zeer uitgebreid irrigatiesysteem van kanalen, sloten en schepraderen, werd het water op de akkers gebracht. Dit was een zeer zware arbeid die Israël uit ervaring kende. (Exodus 1:14). Mozes herinnert eraan: “en bewaterdet met uwen gang”. De grondtekst heeft voor “gang” het woordje “voet”. Dit ziet op het, met de voet bewegen van de schepraderen die voor de bevloeiing dienst deden. Zó werd het mogelijk om de akkers te bezaaien en rijke oogsten te behalen zodat Egypte de korenschuur van de oude wereld was.

Dan volgt er in vers 11a een typering van het land zélf: “Maar, het land, waarheen gij vertrekt om dat te erven, is een land van bergen en van dalen” Palestina is een zeer merkwaardig land dat in zijn betrekkelijk kleine oppervlakte, (28000km), grote tegenstellingen vertoont.

Van de, met sneeuw bedekte Hermon tot aan de tropische hitte van El-Ghor, (het Jordaandal); van het Midden-Palestijnse heuvelland tot aan de Syrische woestijn; van de moerassen aan het Hule-meer tot aan de duinengordel aan de kust; van het rotsgebergte bij de Dode Zee tot aan de vruchtbare vlakten van Saron en Jizreël; van de zoutwaterbekkens als het Hule-meer en het meer van Genesareth tot aan het zoutbekken van de Dode Zee en de grote Middellandse Zee, zijn alle overgangen in klimaat etc. te vinden, zoals er wel nergens op zo’ klein stukje aarde te vinden zal zijn.

Het zal duidelijk zijn, dat door deze typering tevens de tegenstelling met het Egyptische land is aangetoond. Het Beloofde Land is ook een vruchtbaar land, maar, op een geheel andere manier dan Egypte. Het heeft een geheel ander geologisch en geografisch karakter, en, daarom volgt er in het tweede deel van vers 11b, een nieuwe typering ervan: “het drinkt water bij de regen des hemels”. Het land is namelijk absoluut afhankelijk van de regen die er op neerdaalt; maar, wanneer dat het geval is, dán is het óók afhankelijk van God, die de regen geeft.!

En dáárom gaat Mozes dan ook verder: “Een land, dat de Here uw God, bezorgt; de ogen des Heren, uw God, zijn gedurig daarop van het begin des jaars tot aan het einde des jaars” (vers 12). In zeer bijzondere mate geldt van Palestina dat het slechts vruchtbaar is INDIEN GOD HET WIL.!, want het leeft geheel uit Zijn hand.! Voor het volk van Israël heeft de Here God dat willen binden aan: het wandelen in Zijn wegen: “En het zal geschieden, zo gij naarstiglijk zult horen naar Mijne geboden die Ik u gebiede, om de Here, uw God, lief te hebben en Hem te dienen met uw ganse hart en met uw ganse ziel, zo zal ik de regen uws lands geven te zijner tijd, vroegen en spadenregen, opdat gij uw koren en uwe most en uwe olie inzamelt.En Ik zal kruid geven op het veld voor uwe beesten, en gij zult eten en verzadigd worden” (verzen 13-15).

Maar, anderzijds wordt er gewaarschuwd tegen een afwijken van de dienst van God: “dat de toorn des Heren tegen ulieden ontsteken en Hij de Hemel sluite dat er geen regen zij en het aardrijk zijn gewas niet geve en gij haastiglijk omkomt van het goede land dat u de Here geeft”. (vers 17).

Het Land der Belofte was dus een vruchtbaar land, niet omdat het “overvloeiende was van melk en honing”, maar omdat het een land was “dat God, de Here, bezorgde”.Er is, in het laatst van de vorige eeuw en in het begin van deze eeuw, veel gestreden over de vruchtbaarheid van Palestina, omdat men, op grond van de tegenwoordige toestand van het land, de Bijbelse berichten over de vroegere vruchtbaarheid overdreven achtte. Men zag het hedendaagse Palestina, dan als een land waar men getroffen werd door de grijze, eentonige kaalheid, met hier en daar een groen dal, en verder slechts dorre hoogvlakten waarboven grijze rotskoepels zich boomloos verhieven. Is het echter onjuist, om het huidige Palestina onvruchtbaar te noemen, dit geldt nog in veel sterker mate voor het Palestina van de oudheid.!

Verschillende factoren, die nu in meerdere of mindere mate hun invloed doen gelden, ontbraken in de oudheid. De belangrijkste factor is wel het eeuwenlange Turkse wanbestuur waardoor het land sterk verwaarloosd werd; en, hiermee hangt min of meer een tweede factor samen: namelijk de ontbossing. Uit de Heilige Schrift blijkt ons, dat Israël, reeds kórt ná hun vestiging in Palestina, met ontbossing is begonnen (Jozua 17:15-18), maar verdere gegevens over de omvang van deze ontginning, ontbreken ten enen male.

Het Beloofde Land was een “land van bergen en dalen” en het “dronk water bij de regen des hemels”. Bij de bespreking van de vruchtbaarheid zullen dus, zowel de bodem als de neerslag, van belang blijken te zijn. Reeds werd er gewezen op de zeer afwisselende bodemgesteldheid van Palestina; het is echter zeker, dat deze oppervlakte in de loop der eeuwen hier en daar grote veranderingen heeft ondergaan. Hóe hebben wij ons het Beloofde Land vóór te stellen, gezien uit het oogpunt van de vruchtbaarheid van de bodem.?

Ten tijde van koning David waren er in de vlakte (de Sjefela), belangrijke aanplantingen van olijfbomen en moerbeiziebomen. (1 Kronieken 27:28). Ten Noorden ervan ligt de vlakte van Saron, een golvend terrein, dat landinwaarts meer heuvelachtig wordt; deze heuvels waren vroeger bedekt met een groot woud dat zich mijlenver ten Zuiden van de Karmel uitstrekte en naar het 0osten samenhing met de bossen op het gebergte van Efraïm. De profeet Jesaja spreekt in Jesaja 35:2, van: “de luister van de Karmel en van Saron”. Hiermee zal de schoonheid van deze wouden zijn bedoeld, evenals met: “de heerlijkheid van de Libanon” in hetzelfde vers, de cederen worden aangeduid.

Sinds het jaar 1914, zijn de laatste overblijfselen van deze bossen verdwenen. In de tijd van Israël was de vlakte bekend om zijn schone bloesempracht, en, iets daarvan ziet men nú nog want in de lente is de vlakte bedekt met miljoenen bloemen. Hier vinden wij onze bolgewassen, zoals: anemonen, tulpen en gladiolen en tal van Kruis- en Lipbloemigen. Waarschijnlijk zal met “de Roos van Saron” (Hooglied 2:1), één van deze bolgewassen bedoeld zijn, en wel de Affodil, een lelieachtige plant met witte bloemen en een paarse streep over de bloembladen, die op tal van plaatsen in Palestina, maar vóóral hier, buitengewoon welig groeit.

Het gras schiet zeer hoog op zodat de gazellen er in kunnen wegschuilen, maar later in de zomer verdwijnt de bloemenpracht en verdort het gras. De distels krijgen de overhand en het wordt een schier eindeloze distelzee. De vlakte van Saron was vroeger in de eerste plaats weideland. In 1 Kronieken 27:29 lezen wij dat David daar zijn weidegronden had. Verschillende beken gaan door deze vlakte heen en het water werd vroeger door waterwerken over het land gebracht. Het Zuidelijke gedeelte vertoont, nu er weer waterwerken zijn aangelegd, duidelijk de grote vruchtbaarheid van de bodem door de omvangrijke sinaasappelcultures in de omgeving van Jaffa.

Ten Noorden van de Karmel strekt zich de vlakte van Akko uit, die oudtijds gedeeltelijk bebouwd was en gedeeltelijk weidegrond vormde. De omgeving van de Kison is moerassig met wilgen en andere Hollandse moerasplanten, maar óók met rijk bloeiende oleanders. In deze vlakte, soms vrij dicht aan de kust, staan telkens groepen dadelpalmen. De aansluitende heuvelhellingen, tot aan het gebergte van Naftali, vormden van ouds een uitstekende bouwgrond. Het hele gebied werd aan Aser toegewezen (Jozua 19:24ev), maar deze stam heeft de kustvlakte nooit bezet. (Richteren 1:31-32). Jacob heeft bij zijn zegeningen (Genesis 49:20) reeds gezinspeeld op het bijzondere vruchtbare gebied dat Asers erfdeel zou zijn: “Aser zijn brood is vet en hij zal koninklijke lekkernijen opleveren”. Het eerste deel wijst op de vele olijfbomen die op de hellingen voorkwamen en die de olie leverden waarin het brood werd gedoopt. Ook Mozes bevestigd dit in Deuteronomium 33:24b: “Hij (Aser), dope zijnen voet in olie”.

Bij “de koninklijke lekkernijen” hebben wij onder meer te denken aan de groenten en het fruit dat hier werd geteeld en dat vooral naar Phoenicië werd uitgevoerd. Tussen het kustgebied en de gebergten ten Westen van de Jordaan, ligt het heuvelland dat langzaam afdaalt naar de vlakte. Deze dalen en heuvelhellingen werden bebouwd, zoals blijkt uit de ruïnes van putten, terrassen en waterleidingen. Daar lagen ook prachtige dalen, waarvan sommige met name zijn genoemd, zoals het dal “Eskol” en het dal “Redaïm”. Het dal “Eskol” is bekend uit de geschiedenis van de verspieders. Numeri 13. De naam Eskol betekent “druivendal”, en daarom zullen wij niet te denken hebben aan een dal van die naam, maar naar de richting waarin de verspieders hun reis hebben gemaakt (vers 22,23)-, aan het bekende dal ten Zuiden van Hebron, dat nu, ter herinnering “druivendal” wordt genoemd.

De verspieders brengen verslag uit over de toestand van het land: “Het is van melk en honing vloeiende en dit is zijn vrucht” (vers 27). De meegebrachte druiven zijn uitnemend schoon en lekker geweest. Máár, tóch dient men er geen overdreven voorstelling van te maken en moet men bedenken, dat reeds voor een tros van ongeveer een halve meter lengte, geen andere manier van transporteren mogelijk was.

Dat er wel granaatappelen en vijgen worden meegebracht, maar dat er zelfs niet wordt gesproken over de granen, is verklaarbaar door de tijd waarop de verspieders hun tocht ondernamen, want zij werden uitgezonden: “in de dagen van de eerste vruchten van de wijndruiven” (vers 20), en dán is de oogst van de veldvruchten reeds afgelopen en ligt het land er dor en kaal bij.

Het dal Refaïm (Jesaja 17:5), was gelegen ten Zuid-Westen van Jerzuzalem en stond bekend om zijn prachtige akkers; naar het Noorden toe worden de heuvelhellingen minder steil en is er veel meer bronwater; en, daardoor zijn de hellingen beter bebouwd en óók komen aan de 0ostzijde van het gebergte, enkel vruchtbare dalen voor, wat Zuidelijker vrijwel niet het geval is. Aan de voet van de berg waarop Samaria was gebouwd, lag een schone vlakte die in Jesaja 28:1 “het vette dal” wordt genoemd.

0ppervlakkig beschouwd wordt er in de Bijbel een, voor ons begrip, overdreven waarde gehecht aan de DAUW. Wanneer Izaäk door Jacob gezegend wordt, dan begint deze zegen met: “En God geve u van de dauw des hemels” (Genesis 27:28a), terwijl, wanneer Izaäk zich tenslotte laat vermurwen en óók aan Ezau nog een zegen geeft, hij deze zegen begint met de woorden: “Zie, buiten de vette streken der aarde zal uw woonplaats zijn, en zonder de dauw des hemels van boven”. (Genesis 27:39b).

Niet alleen hier, maar telkens weer, is er sprake van de grote zegen die de dauw brengt. De afscheidsrede van Mozes vindt zijn hoogtepunt in: “Israël dan zal zeker alleen wonen en Jacobs oog zal zijn op een land van koren en most; ja, zijn hemel zal van dauw druipen.” Zacharia 8:12). Daarentegen wordt het uitblijven van de dauw als een zware straf en een vloek aangemerkt. In de klaagzang van David op Saul en Jonathan, moeten de bergen van Gilboa van dauw en regen verstoken blijven. (2 Samuël 1:21). De grote boetgezant van de oude dag, treedt Achab tegemoet met de woorden: “Zo waarachtig de Here God Israëls leeft, in wiens dienst ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen wezen, tenzij dan op mijn woord”. (1 Koningen 17:1b).

Als er, tijdens de bouw van het Huis des Heren ná de ballingschap, een grote droogte heerst, zó, dat er zelfs geen dauw is, dan is dit een straf Gods om het gemis aan ijver bij de bouw van de Tempel. (Haggaï 1:10). Hier is dan weer het telkens dreigende gevaar, dat wij onze Westerse begrippen als maatstaf gaan gebruiken voor de 0osterse toestanden. Wanneer wij aandacht schenken aan de dauw, zoals die in Palestina voorkomt, dan begrijpen wij ook de verschillende uitdrukkingen waarin het woord “dauw” voorkomt en die zonder meer vreemd in onze oren zullen klinken.

Nu dient vooraf te worden opgemerkt, dat, gedurende de schone winternachten met een wolkenloze hemel, het in Palestina dauwt, precies zoals bij ons. De aarde koel namelijk bij een heldere lucht snel af, sneller dan de atmosfeer. Deze atmosfeer bevat in die tijd veel vocht, dat, tengevolge van de afkoeling, in kleine druppeltjes condenseert op de bladeren, de bloemen en het gras. Uit het feit, dat deze dauw in de winter, dus in de regentijd voorkomt, volgt al dadelijk, dat dit NIET de dauw kan zijn die zoveel zegen brengt en waarover telkens met zoveel woorden in de Bijbel wordt gesproken. De dauw, die voor Palestina zo belangrijk is, is één van de verschijnselen van de late lente en de zomer. Dus, een verschijnsel van de regenloze tijd. Iedere dag schijnt de zon met volle kracht en verhit de bodem zeer sterk en droogt alles uit door haar grote warmte. De atmosfeer is dan ook zeer droog en bevat geen voldoende vochtdeeltjes die, op de bekende wijze, in de nacht de dauw zouden kunnen brengen. Tegen de avond koelt het land, en, dat geldt voor geheel Syrië, snel af en dan is het in de nacht werkelijk zeer koud.

Daar klaagt Jacob reeds over bij zijn verantwoording tegenover Laban: “Ik ben er zó aan toe geweest, dat overdag mij de hitte verteerde en de nacht des nachts”. Genesis 41:40). Jeremia neemt dit als algemeen bekend aan in Jeremia 36:30, terwijl de gegevens uit deze tijd daar ook op wijzen.

Gedurende de dag zijn er in de Middellandse Zee grote hoeveelheden water verdampt; de zee koelt ‘s avonds minder snel af dan het land, en zó ontstaat er in de hogere luchtlagen een luchtstroming van de zee naar het land toe, -een Westenwind dus, en worden er gedurende de avond en de nacht grote massa’s vocht op vrij grote hoogte landinwaarts gedreven. Wanneer zij boven land komen en dan met de koele luchtlagen boven de bodem in aanraking komen, dan begint de vochtmassa zich te verdichten en tevens te dalen als een steeds dichter wordende nevel. Zó kende de Israëliet dit verschijnsel als een: “dauwwolk in oogsthitte” Jesaja 18:4. Deze verdichting vindt vooral plaats wanneer de vochtige winden de heuvels en de bergen bereiken, want dan rolt de vrijgekomen vochtigheid als de massa van een zware mist over de toppen. Dikwijls gaat de condensatie zóver, dat er kleine druppels worden gevormd die als een fijne motregen op de aarde nederdalen; een motregen, die echter pas op een afstand van de bodem wordt gevormd en die alle in de nacht valt. Het sterkste is deze motregen tegen de morgenstond en dáárom spreekt Psalm 110:3, van de morgendauw, van de “dauw uit de schoot van het morgenrood”.

Vooral in Augustus kan het voorkomen, dat de dauw zó dicht tussen de vruchtbomen hangt, dat men in de vroege morgen slechts enkele stappen voor zich uit kan zien. De Heilige Schrift spreekt van deze dauw als het werk Gods: “Door Zijne wetenschap zijn de afgronden gekloofd en de wolken druipen dauw” (Spreuken 3:20). En, niet minder in Micha 5:6b: “als een dauw van de Here, als regendroppels op het gras, dat niet wacht op een sterveling, noch uitziet naar mensenkinderen”.

De overvloedigheid van de “nachtmist” blijkt wel voldoende uit de geschiedenis van Gideon, omdat Gideon uit één enkele schapenvacht een schaal vol “dauw” kon wringen, (Richteren 6:38), wat bij ons onmogelijk zou zijn. Soms valt er zoveel, dat het zware dekkleed van geitenhaar van een Bedoeïnentent ervan doorweekt is. Dus, kan óók de nachtelijke bezoeker uit het Hooglied, naar waarheid getuigen: “mijn hoofd is vervuld met dauw, mijn haarlokken met nachtdruppen” (Hooglied 5:2), terwijl de vernederde Nebukadnezar: “nat werd van de dauw des hemels” (Daniël 4:3). Echter, de dauw is niet over het gehele land even sterk, maar, het gebied van Efraïm en Manasse, dus Samaria en Noord-Juda, was bijzonder gezegend met dauw, zoals Mozes het reeds voorspeld had in zijn zegeningen over de kinderen van Jozef: “Zijn land zij gezegend van de Here, van het uitnemendste des hemels, van de dauw”. (Deuteronomium 33:13).

Ook de bergen en de heuvels hadden veel dauw want, de “dauw van Hermon” (Psalm 133:3), was door het gehele land bekend. Drievoudig is de zegen die deze “nachtmist” brengt. Ten eerste valt hij alleen in het heetste en droogste seizoen, wanneer van een andere vochtigheid geen sprake is, en is dan een niet te onderschatten weldaad. In de tweede plaats komt hij bijna élke nacht, en, in de derde plaats daalt hij in een zó grote overvloed, dat het gras geen ander vocht meer nodig heeft. Zonder de “dauw” zou Palestina in de regenzomer, nóg méér van zijn, in de bodem en de wateraderen verzamelde vocht, door verdamping verliezen.

De graanoogst is bijna voorbij, maar het eigenlijke zomerzaad, (Pluimgierst, Sesam, Keker en Rijst), die allen reeds in de Bijbelse tijd werden verbouwd, kon zónder de dauw niet groeien. Datzelfde geldt voor komkommers, augurken en watermeloenen. De boomvruchten zouden zonder de dauw klein blijven en hun sap missen; de boombladeren zouden vroegtijdig verdorren en de lagere plantengroei, die op verschillende plaatsen aan het vee nog enig voedsel biedt, zou volledig verdwijnen.

Wanneer wij nu dit voor ogen houden, dan krijgt het oordeel des Heren, door de profeet Haggaï, (hoofdstuk 1:10), over Israël uitgesproken: “Dáárom heeft de hemel boven u de dauw ingehouden en de aarde haar opbrengst”, een nóg grótere betekenis, vooral omdat dit gezegd wordt op de eerste dag van de zesde maand, (vers 1), namelijk half Augustus, de tijd van de rijkste dauw.!

Na het vorenstaande zal het wel duidelijk zijn, dat er hier sprake is van de “nachtmist”, want, zodra de zon opgaat verdwijnt de “dauw”. Dit gebeurt echter ook weer geheel anders dan bij ons, en, prachtig is de beschrijving de reiziger/rabbijn James Neill daarvan geeft: “Menigmaal, wanneer ik, op een herfst-morgen vóór zonsópgang, mijn tent, op een der hoogten ten Westen van Jeruzalem, verlaten had en naar de Heilige stad reed om in de Hebreeuwse ochtenddienst op de berg Sion, vóór te gaan, heb ik onderweg mijn paard tot staan gebracht om naar een toneel van overweldigende schoonheid te kijken. Nóg staat het mij levendig voor ogen; geweldige massa’s zilverwitte of opaal- (melkblauw)-kleurige wolken rolden voor mijn voeten in fantastische, eindeloze vormen. Daar boven uit, staken de toppen van de bergen, die, als rotsgevaarten en eilanden in een schuimende zee, zich voordeden. Het toneel duurt kort, want de rijzende zon doortintelt en doorflonkert de drijvende, dampige massa die al verder en verder rolt, om kort daarna geheel te verdwijnen in de hitte van de zonnestralen.” Ook dít verheldert voor ons begrip, verschillende Bijbelplaatsen.

Met deze, vluchtig -voorbijgaande, en iedere morgen komende en weer verdwijnende “morgenwolken”, vergelijk de Heer de goede gezindheid van Efraïm en Juda jegens de mensen: “Wat zal Ik u doen Efraïm? Wat zal ik u doen Juda?, daar toch uw goede gezindheid is als ene morgenwolk en als de dauw die in de vroegte verdwijnt”. (Hosea 6:4). Daarmede wordt aangeduid, dat deze “goede gezindheid” zeer vluchtig is, en eigenlijk in het geheel niet bestaat.

Die “morgenwolken” worden door David in Psalm 139:9a, in poëtische taal: “vleugelen des dageraads” genoemd. Zó krijgt ook de herhaalde profetie van de wederkomst des Heren, op de “wolken des hemels”, (Mattheüs 24:30 en 26:64, enz.), een geheel andere kleur en geestelijke betekenis. Het is een profetie van troost voor Zijn volk; het is, niet een wederkomen op de zware wolkengevaarten die zich dreigend samenpakken en die het zonlicht verduisteren en een ieder met schrik vervullen, maar een geestelijk wederkomen op de schitteren, zilveren massa, die vroeg in de morgen van een geheel wolkenloze dag, de lucht vervuld en de aarde bedekt, alom zegen en leven brengend en eindelijk zich oplossende in een ongestoorde zonneglans.

Van nóg groter betekenis voor Palestina dan de dauw, is de regen. De betekenis van de regen blijkt al meteen hieruit, dat de natuurkalender waarnaar de 0ostelring zijn leven indeelt, op de regen berust, en dan ook geen vier perioden kent, maar slechts twéé: ten eerste: de regenrijke winter, kortweg de “regen“ genoemd, én de regenloze zomer. Deze onderscheiding kent de Bijbel óók, (Genesis 8:22), terwijl de woorden “lente” en “herfst” niet in de Heilige Schrift voorkomen. In de na-Bijbelse, Hebreeuwse bronnen, komt de karakteristieke indeling nog duidelijker uit in de uitdrukking: “de dagen van regenval”, en, “de dagen der zon en der hitte”, óf: “de dagen der bevloeiing van de bodem”, en, “de dagen der droogte van de bodem”. Men mag van overgangsperioden spreken en die Herfst en Lente noemen, maar eigenlijke jaargetijden zijn dit niet.

De Zomer begint ongeveer met het Paasfeest, (14 Nissan=1 april), en duurt tot aan het Loofhuttenfeest (15 Tischri= 1 oktober). Dat is dus tevens de droge tijd met een heldere, wolkeloze hemel. Regen in deze tijd is een zeldzaam verschijnsel; en, gedurende de tijd van de graanoogst, (dus, ongeveer van Pasen tot Pinksteren), wordt regen en onweer door niemand meer begeert omdat deze dan de oogst vernietigd. De regenloosheid van de oogstmaanden wordt als een zegenrijke noodwendigheid aanvaard en, ondanks de lastige hitte, graag verdragen. Het is een wonder, en tevens een straf, als de regen en het onweer op die tijd tóch komt, (1 Samuël 12:17,18). Ook ná de oogsttijd van de granen, dus, tijdens de vruchtenoogst, blijft het droog en pas in de maand Tischri verandert dit.

Tijdens het Loofhuttenfeest vallen soms zeer zware buien, zodat het verblijf in de loofhutten onmogelijk wordt. Dergelijke buien zijn slechts de voorlopers van de eigenlijke regen en nog niet als het begin van de regentijd te beschouwen want deze komt meestal pas een paar weken later. Begin 0ktober ligt het land dor en kaal en doods; alles is verschroeid en verdroogt door de felle zonnehitte en de verdorrende 0ostenwind, en alles verlangt naar regen. Het wachten is nu op het draaien van de wind, en, dáárom keken allen, die op het Loofhuttenfeest in Jeruzalem waren samengekomen, vóórdat zij weer naar huis gingen, vol verwachting naar de van het Altaar opstijgende rookzuilen.

Waaiden deze zuilen naar het 0osten, dan waaide er dus een Westenwind en dan verhief zich vreugde en jubel bij allen om de regenaanbrengende wind voor de komende winter. Zó vertelt de Joodse overlevering ons dit. Van de waterplenging op het Loofhuttenfeest wordt door deze zelfde overlevering de verklaring gegeven: “God zeide: giet water voor Mij uit op het Loofhuttenfeest opdat voor u de regenval van het jaar gezegend worde”. Nú is de “vroege regen” te verwachten; meestal komt de vroege regen in de maand Marschwan, (van half 0ktober tot half November). Aan deze regen gaat een toenemende bewolking vooraf; de eerste wolken die aan de Westenhemel oprijzen zijn de aankondigers van de regen (1 Koningen 18:44 en Lukas 12:54), maar, pas wanneer de hemel “zwart wordt van de stormwolken” (1 Koningen 18:45), valt de regen neer.

Zulk een dag wordt door Zefanja in hoofdstuk 1:15 geschilderd als: “een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en zwarte nacht”. Alles herademt door deze eerste regen; mens en dier, die lange tijd door hitte en droogte waren gekweld, voelen zich weer opnieuw herboren. Dit gevoel is veel en veel sterker dan wij ons kunnen indenken. De Heer, als Hij met Zijn heil tot Israël komt, wordt dan ook vergeleken met de regen die het dorstige aardrijk verkwikt. (Hosea 6:2,3).

Van de grootste betekenis is de vroege regen voor het land, want niet alleen brengt hij water op de uitgedroogde steppen, maar vooral weekt hij de bodem los zodat de, door de droogte hard geworden akkers, weer voor bewerking geschikt wordt. En dáárom moet die eerste regen niet te zwaar zijn, maar langzamerhand de grond indringen en deze verzadigen. (Jesaja 55:10).

Pas later kan de regen een “plasregen” zijn, en, dáárom is deze “een plasregen van zegen” als hij ter rechtertijd valt. (Ezechiël 35:26). Ná de vroege regen moet er een “regenpauze” intreden van twéé á drie weken, vóórdat de eigenlijke winterregens beginnen. In die tijd schijnt de zon om de bovenste laag van de bodem op te drogen zodat men kan gaan zaaien en wel, éérst de tarwe en daarná de gerst, omdat de eerste méér vocht nodig heeft om te ontkiemen. Omdat men niet weet hoe de regentijd zal verlopen, mag niet alles uitgezaaid worden en daarom loopt de zaaitijd eigenlijk van November tot aan Februari. Hierbij moet men niet letten op de wolken en de wind, maar alleen op de toestand van de bodem. (Prediker 11:4).

In de maanden December en Januari, vallen de winterregens die 4/5 van de hoeveelheid regenwater van het gehele jaar brengen’ dit zijn tevens de koudste maanden van het jaar. Maar, men moet zich die tijd niet voorstellen als één onafgebroken regentijd, want telkens wordt de regen afgewisseld door schone, droge en zonnige dagen. De winterregens zijn het, die de watervoorraad van het land aanvullen; de beken zwellen en overstromen dan het gehele omliggende land; de potten worden gevuld en de onderaardse wateraderen die in dit kalkland veel aanwezig zijn, ontvangen een nieuwe voorraad.

In de loop van de droge zomer, heeft, door zon en wind, vooral op de bergen en de heuvels, een sterke verwering plaats gevonden. Deze verweringsprodukten worden weggespoeld en vormen dan de vruchtbare bodem van de dalen, terwijl nieuwe lagen op de hooggelegen plaatsen aan de klimatologische invloeden worden blootgesteld om straks weer een nieuwe voorraad grond te kunnen leveren. Deze winterregens zijn de “echte plasregens” die vaak met tropisch geweld neerkomen en vele verwoestingen kunnen aanrichten (Mattheüs 7:27).

De Heilige Schrift spreekt dan ook van een “wegvagende regen”. (Spreuken 28:3). Bovendien worden deze regens soms vergezeld van sneeuwstormen, en dan is, in die tijd, het verblijf buitenshuis verre van aangenaam. Het volk van Israël, ná de ballingschap, siddert vanwege de plasregen op de 20e dag van de 9e maand, dat is dus in begin December. (Ezra 10:9). Aan de tijd van de winterregens en zijn onstuimige gevolgen, herinneren ook Bijbelplaatsen zoals Psalm 42:8 en Psalm 124:4,5; dán is het land onbegaanbaar en de rivieren zijn bijna niet te passeren; modder en slijk en waterstromen bedreigen een ieder die zich op reis begeeft, met levensgevaar. Omdat de temperatuur gewoonlijk niet beneden de 0 graden daalt, en dan nog in geen geval lang achtereen, kunnen de veldvruchten die in het begin van de regentijd zijn gezaaid, doorgroeien. Hiervoor is zonneschijn nodig maar evenmin kan de regen worden gemist. Vooraal de regen die in eind Maart, begin April valt, is van de allergrootste betekenis.

Al is de winterregen overvloedig geweest, wanneer in die tijd de regen ontbreekt, dan komt er van de oogst niets terecht. Deze regen is de “spaderegen” die onontbeerlijk is voor het vormen van de aren en korrels van het graan en niet minder voor het vruchtenzetten van de vruchtbomen. Het land heeft inmiddels een geheel ander aanzien gekregen, want, zodra de winterregens voorbij waren, kwamen overal de bloemen tevoorschijn en hieven de vogels hun lied aan.

Dit is de mooiste tijd van het jaar; alles is nieuw en zonneschijn en regen wisselen elkander af. Aan de vreugde hierover geeft Hooglied 2:11-13 een schone uitleg: “Ziet, de winter is voorbij; de plasregen is over; hij is overgegaan; de bloemen worden gezien in het land; de zangtijd genaakt en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land; de vijgeboom brengt zijn jong vruchtjes voort en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes.” De regen is dus voor Palestina zeer van grote betekenis, maar, van het allergrootste belang dat de regen,--in dit geldt zowel voor de vroege als de spaderegen--, OP DE JUISTE TIJD KOMT.

Het uitblijven van de vroege- of spaderegen kan de gehele oogst doen mislukken, want, zonder vroege regen kan de landman niet zaaien en zonder de spaderegen kan hij niet maaien. Het is echter de Here God Die de regen geeft op ZIJN tijd. Dát leert de Heilige Schrift ons telkens weer. God vraagt aan Job: “Kunt gij uw stemme tegen de wolken opheffen opdat een overvloed van water u bedekke?” (Job 38:34), terwijl het antwoord daarop gegeven wordt in Psalm 147: “Het is de Here ZELF, Die de hemel met wolken bedekt, voor de aarde regen bereidt”. Aan het volk van Israël wordt dan ook steeds voorgehouden dat het komen van de regen op de juiste tijd, een bijzondere gave van God is: “Hij deed u nederdalen de winterregen, de vroege regen en de spaderegen als weleer. Dan worden de dorsvloeren vol koren en vloeien de perskuipen over van most en olie.” (Joël 2:23).

Het zijn de goede gaven die de Here God wil schenken aan een volk dat Hem vreest: “Indien gij in Mijne inzettingen wandelen en Mijne geboden houden en die doen zult, zo, zal Ik uwe regens geven op hun tijd en het land zal zijn inkomsten geven en het geboomte des velds zal zijn vruchten geven.” (Leviticus 26:3,4). Voor een volk dat echter niet naar de stem van God hoort, zal de “hemel als ijzer” zijn en de aarde als koper.

In het vorengaande zal nu wel duidelijk zijn geworden wat er in het begin van dit schrijven is gezegd: namelijk: dat Palestina een vruchtbaar land is dat geheel uit Gods hand moet leven.!©sdj.