DE KAMEEL

De KAMEEL-- hebreeuws.: gamal; latijn: camelus dromedarius--, behoort tot de herkauwers. Maar op verschillende punten onderscheidt hij zich hiervan, voornamelijk door het ontbreken van horens en gewei.
Het is de één bultige kameel, de dromedaris, die in de Bijbel wordt genoemd; een slank, langbenig dier met een dikke vacht van fijne haren die meestal een lichte kleur hebben, zandkleurig.
Op de kop en de bult zijn de haren wat langer en borstelig. De dromedaris kan een hoogte van 2,8 m bereiken; zijn lengte van de muil tot de staartpunt is maximaal 8 m. De grootte van de bult varieert, al naar gelang het dier meer of minder doorvoed is.
Karakteristiek voor de dromedaris is de lange gebogen hals en de langgerekte kop. Op de obelisk van Salmanassar, nu in het Brits Museum in Londen, vindt men de twéé bultige kameel, de camelus bactrianus, afgebeeld. Hij is groter en zwaarder dan de één bultige en heeft een langere, dichtere en donkerder haarvacht, die hem meer geschikt maakt voor het leven in de kou. Hij komt het meest voor in Midden--Azië, en, men treft hem zelfs in Siberië aan.
De natuur heeft de kameel speciaal toegerust voor het leven in de woestijn: de voetzolen zijn erg breed en voorzien van elastische eelt-kussens. Hij heeft slechts twee tenen en geen hoeven, maar klauwen, die klein zijn en op gewone nagels lijken. Hij loopt niet als de andere hoefdieren alleen op het buitenste teenlid, maar op de twee buitenste. De netmaag ontbreekt bij de kameel en de wand van de voormaag--de pens--, is aan de binnenkant voorzien van enkele blazen--de waterzakken, die 15 tot 30 liter vocht kunnen bevatten. Zó komt het, dat de kameel lange tijd zonder drinken kan, in de zomer zelfs 5 dagen en 25 dagen in de winter. De "pens" zou dus als een "reservoir" kunnen fungeren.
Bovendien dient de bult van de kameel als "depot" voor voedsel zodat hij lange tijd met zeer weinig voedsel toe kan. De bult bestaat namelijk uit vetbindweefsel, en, hoe meer voedsel het beest krijgt, des te groter wordt de bult. Wanneer het dier goed doorvoed is, beslaat deze bult een kwart van de grootte van de rug; daarentegen schrompelt hij in, wanneer het dier op zijn vetlaag teert, totdat hij bijna geheel verdwijnt. Afgezien hiervan heeft de voedselopslag in de bult betekenis omdat de vetverbranding enig vocht afgeeft aan het lichaam.
De neusgaten zijn samengeknepen tot lange spleten in de lengte-richting van de kop en kunnen willekeurig gesloten worden, zodat er geen zandkorrels hoeven en kunnen binnen dringen. De bovenlip hangt neer en valt over de onderlip heen. Die dikke leerachtige lippen stellen het dier in staat om de distels en cactussen van de woestijn te plukken. Zelfs de taaiste woestijnplanten kunnen de kameel tot voedsel strekken; in noodgevallen eet hij ook van een, van dadelpalm- bladeren gevlochten mat of mand.
Ook voor de vruchten van de acacia schrikt hij niet terug, ofschoon de dorens daarvan zo hard zijn, dat ze door een schoenzool heen kunnen dringen. De bijnaam van de kameel, het schip der woestijn, toont aan, hoe onontbeerlijk de kameel was als last- en rijdier in de woestijn, omdat hij daar precies de hiervoor nodige eigenschappen bezit: uithoudingsvermogen, kracht en soberheid.
We vinden de kameel reeds genoemd op de allereerste bladzijden van de Bijbel: de Farao van Egypte, die Saraï naar zijn paleis had laten voeren, behandelde Abram goed om harentwille, zodat hij schapen en runderen, ezels, slaven, slavinnen, ezelinnen en kamelen ontving. Genesis 12:16.
Volgens sommigen maakt de bijbelschrijver hier een kleine vergissing, want hij stelt zich voor, dat de verhoudingen in Egypte beantwoorden aan die in Palestina.
In Palestina zou men, wanneer men iemand een kostbaar geschenk wilde geven, ongetwijfeld kamelen kiezen. Maar dat konden de Egyptenaren in de tijd van Abram niet doen, want het schijnt immers vast te staan, dat er geen kamelen in Egypte voorkwamen vóór de Perzentijd. Daarentegen waren er wel kamelen bij de Israëlieten en bij hun buurvolken naar het oosten, de Midianieten, de Ismaëlieten en de Amalekieten. Deze stammen waren de eigenlijke kameelfokkers.
In het verhaal over Gideon leest men bijvoorbeeld: "Midian nu en Amalek en al de stammen van het Oosten lagen in de vlakte, talrijk als sprinkhanen, en hun kamelen waren ontelbaar, talrijk als het zand aan den oever der zee". Richteren 7:12.
Het waren dus vooral de oostelijke naburen van Israël die kamelen hielden, maar in ieder geval stond Abram bij geen enkele buurvorst ten achter voor wat betreft het bezit van kamelen.
We horen, dat Abrahams knecht, toen hij naar de stad Nahor in Mesopotamië reisde, tien van de kamelen van zijn heer meenam en op weg ging met allerlei kostbaarheden van zijn heer bij zich. Genesis 24:l0.
Het was vanzelfsprekend, dat men kamelen gebruikte voor lange woestijnreizen. Kenmerkend voor de kameel is de rustige zachtwiegende gang, die te danken is aan het feit dat der kameel een "telganger" is. Bij een onervaren kameelruiter kan deze rustige telgang echter wel eens zeeziekteverschijnselen oproepen. De ervaren ruiter kan zonder zadel zitten, door met zijn ellebogen tegen zijn knieën te steunen, ja, hij kan zelfs lezen onder het rijden. Een goed rijdier kan in twaalf uur 75 km afleggen en vier dagen achter elkaar draven.
Over het algemeen wordt een rijkameel uitgerust met een zadel. Dit zadel kan er verschillend uitzien, maar de hoofdbestanddelen waren vroeger altijd dezelfde: een houten raam om over de bult van de kameel te hangen, een kussen voor de ruiter om er op te zitten, en verder als regel een paar zakken of manden, waarin de reisbenodigdheden konden worden opgeborgen. Vrouwen en kinderen kregen vaak een baldakijn over het zadel heengespannen als beschutting tegen de zonnestralen.
Over een bijzondere toepassing van het kameelzadel lezen we in de geschiedenis van de aartsvaders. Daaruit blijkt, wat een voortreffelijke plaats om iets te verstoppen een kameelzadel kon wezen. Rachel had, vóór zij het tehuis van haar jeugdjaren verliet, haar vaders "huisgoden" gestolen. Deze huisgoden hebben er waarschijnlijk als poppen uitgezien, dus met een mensengedaante, maar klein: "Rachel nu had de terafim genomen en in het kameelzadel gelegd en was daarop gaan zitten"". Genesis 31:34.
Het afstijgen van een kameel ging meestal op de volgende manier: men liet de kameel knielen. Maar men kon zich echter ook eenvoudig naar beneden laten glijden langs de staf van de kameeldrijver, die tegen de bult van de kameel aan steunde.
Mogelijk moeten we daaraan denken, wanneer er over de jonge Rebekka gezegd wordt, dat: "zij toen zij haar ogen opsloeg en Isaak zag, zich liet afglijden van de kameel". Genesis 24:64.
Een zó waardevol en kostbaar rijdier als een kameel werd natuurlijk door de eigenaar op hoge prijs gesteld; de trots van de eigenaar op zijn mooie en kostbare rijkamelen kon er soms toe leiden, dat de dieren werden opgetuigd, zoals dat bijv. verteld wordt van de Midianieten-koningen, die kettingen om de hals van hun kamelen hadden gehangen en die versierd hadden met halve manen. Richteren 8:21.
Lastkamelen bewegen zich natuurlijk wat langzamer dan rijkamelen, namelijk ongeveer 50 km per etmaal. De last werd opgeladen met behulp van een bekleed zadel, omdat de bult van het dier zeer gevoelig is voor druk. Het zadel bewerkt, dat de lasten op en langs de zijden van de kameel komen te hangen en op die manier wordt de druk verdeelt. Het beladen moet met veel zorg gedaan worden en het lastdier wordt daarom tot liggen gebracht zolang het beladen duurt.
De voor de kameel natuurlijke rusthouding is die met gebogen poten, steunend op de knieën en op de ellebogen, die bekleed zijn met eeltkussens. Soms is het noodzakelijk om de poten in die houding vast te binden zolang het beladen duurt; de kameel is een temperamentvol dier; tegenover zijn eigenaar legt hij vaak koppigheid, maar zelden aanhankelijkheid aan de dag. Een goed lastdier kan zelfs 150--250 kg dragen.
In zijn schildering van de overdadige rijkdom van het komende Jeruzalem gebruikt de profeet Jesaja in hoofdstuk 60:6, het wel zeer sprekende beeld van de lastkamelen: "Een menigte kamelen zal u overdekken, jonge kamelen van Midian en Hefa; goud en wierook zullen zij alle aanbrengen en de roemrijke daden des Heren blijde verkondigen".
De koningin van Scheba had ook kamelen om de rijkdommen te dragen, die zij met zich meevoerde. 1 Koniningen l0:2.
Wanneer Hazaël op bevel van koning Benhadad naar Elisa een gave uit Damaskus brengt, die op "veertig" kamelen geladen is, dan moeten dat dus kostbaarheden zijn geweest tot een gewicht van ca 8ooo kg, aangenomen dat deze opgave letterlijk genomen moet worden.2 Koningen 8:9.
En, zoals gezegd, het waren tien kamelen, die allerlei kostbaarheden van Abraham naar de stad van Nahor brachten in Aram-Naharajim.
Wanneer lastkamelen en rijdieren aan het einde van de reis gekomen waren, dan was het eerste wat gedaan moest worden, de lasten afnemen en de dieren te drinken geven.
Dit schilderachtige tafereel wordt op een onvergelijkelijke manier beschreven in de geschiedenis van Abraham in Genesis 24:11: "En hij, Abrahams knecht, liet de kamelen neerknielen buiten de stad bij een waterput, tegen de avond, de tijd dat de vrouwen uitgaan om te putten".
Wij krijgen in dit verhaal te horen, hoe de liefde voor de dieren beslissend was voor de keuze van een huisvrouw voor Isaäk. "Zie, ik sta hier bij de waterbron en de dochters van de mannen der stad gaan uit om water te putten", zegt Abrahams knecht in zijn gebed tot God. "Laat het nu zo zijn, dat het meisje, tot wie ik zeg: Neig toch uw kruik, opdat ik drinke, en dat zegt: Drink, en ook uw kamelen zal ik drenken; dat Gij haar hebt bestemd voor uw knecht Isaäk".
Natuurlijk was dit niet alleen de liefde voor de dieren, die hem ertoe bracht om deze gedragslijn te volgen; hij wenste een degelijke huisvrouw te vinden voor de zoon van zijn heer; daarom overlegde hij met God en toen dacht hij: Wanneer een van de jonge meisjes, die hier naar de bron komen, uit zichzelf aanbiedt om de kamelen te drenken, dan is zij een flinke vrouw, die goed passen zal in het gezin van mijn heer, want dan bewijst ze; dat ze niet alleen zorg heeft voor de dieren, maar dat ze ook een respectabel stuk werk kan presteren. Het is namelijk heus geen kleinigheid om water te putten voor tien dorstige kamelen want de waterbronnen van die tijd waren zodanig ingericht dat men, om dieren te drenken, water voor ze uit moest gieten in de drinkbakken, die zich bij de bron bevonden; en hij of zij, die water uitgoot; moest een paar treden afdalen om dicht bij het water te komen.
Kamelen werden ook door het leger gebruikt. De Midianieten trokken op tegen Israël, zo talrijk als de sprinkhanen, vertelt het boek Richteren in hoofdstuk 6:5; zij waren niet te tellen, zij noch hun kamelen; en zij worden door Jesaja in hoofdstuk 21:7 genoemd met betrekking tot de val van Babylon.
Bij de Arabieren was een oorlogskameel doorgaans bemand met twee boogschutters. De koningen Cyrus, Xerxes en Antiochus de Grote hadden allen een kameelruiterij.
Rijke mannen en machtige koningen hadden soms grote kameelkudden; Job was de bezitter van 3000 stuks. De eigenaars droegen er grote zorg voor dat hun kostbare dieren goed behandeld werden.
Van David wordt verteld, dat hij een Ismaëliet, een Arabier, had aangesteld als opzichter over zijn kamelen; de Ismaëlieten stonden namelijk bekend als bijzonder goede kameelruiters.
De kameel was in verschillende opzichten een nuttig huisdier voor de Israëlieten; niet alleen dat hij als rij- en lastdier in de woestijn werd gebruikt, ook de melk van de kameelmerrie is goed van smaak. De merrie werpt een veulen na een dracht van 11-12 maanden; het pasgeboren kameelveulen kan dadelijk rondlopen en de kudde volgen. Ook het vlees van de kameel kan worden gegeten en is smakelijk, maar de mozaïsche wetgeving verbiedt aan de Jood om het te gebruiken. Lev.11:4.
De kameel verhaart in het voorjaar; de haren worden bewaard en voor het weven gebruikt. De Bijbel vertelt ons, dat Johannes de Doper in kameelhaar gekleed was Mattheüs 3:4; en Marcus 1:6.
Zelfs de mest van de kameel werd gebruikt; want in gedroogde toestand deed die dienst als brandstof, wat natuurlijk van grote betekenis was bij de kameelritten door de woestijn.
Nog twee Schriftplaatsen moeten genoemd worden in verband met onze vermelding van de kameel.
Christus noemt de kameel in twee van Zijn gelijkenissen: "Het is gemakkelijker dat een kameel ingaat door het oog van een naald, dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat. Mattheüs 19:24.
De Heer bedient zich hier van een uitdrukking die het grote dier, de kameel, vergelijkt met het heel kleine oog van een naald om te laten zien hoe ongelooflijk moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk het is voor een mens om zich los te scheuren van het aardse goed.
Op overeenkomstige manier moet de andere uitspraak van de Heiland opgevat worden die gevonden wordt in zijn rede tegen de Farizeeën: "Gij blinde wegwijzers, die de mug uitzift, maar den kameel doorzwelgt". Mattheüs 23:24.
Hier vergelijkt Hij één van de kleinste dieren, de mug, met een van de grootste, de kameel. De Heer doelt hier op het gebruik om de wijn te zeven, vóór men die dronk, om onreinheden te verwijderen, maar wijst er tegelijk op, dat bij de vele wetten en voorschriften, die het leven van de Farizeën omgaven, het eigenlijke vergeten kon worden. ©sdj.