Dit dal Hinnom is een vruchtbaar dal, gelegen ten Zuiden van Jeruzalem, en het wordt van water voorzien door de beek Kidron.
Het vormde de grens tussen de stammen Juda en Benjamin. Jozua 18:16)
Omdat de Moabieten en óók vele Israëlieten aan de afgod Moloch offerden werd deze plek niet alleen als een onreine plaats vermeden en verafschuwd, maar ook als het zinnebeeld van de hel beschouwd.
Onder andere dáarom bracht men alle vuiligheid van Jeruzalem hier heen en gebruikte het als vuilnisbelt, en, tevens als begraafplaats van alle ter dood gebrachte misdadigers.
Het Dal Hinnom begint bij de bron Rogel, de waterloze Wadi er-Rababi, die Jeruzalem aan de West- en aan de Zuidzijde omgeeft.
De Bijbelse naam van dit dal is: Dal Hinnom, en, het komt, zoals hiervoren reeds gezegd, onder díe naam voor als de grens tussen Juda en Benjamin. Jozua 15:8.
Het wordt óók wel: Dal der kinderen Himmons genoemd. Stat.Vertaling 2 Koningen 23:40, en een enkele maal: Dal Hinnom. Nehemia 11:30
De hellingen van dit dal zijn nu, in onze dagen, beplant met olijfbomen.
Zoals hierboven reeds aangehaald, heeft dit dal in de dagen van het Oude Testament, een bedroevende beroemdheid verkregen omdat daar aan de Moloch werd geofferd.
De Moloch, ook wel Molech genoemd, was een afgod van de Ammonieten. 1 Koningen 11:7 die met mensenoffers vereerd werd.
Zeer veel kleine kinderen zijn er, ter ere van deze Moloch, verbrand.
Het beeld van deze Moloch was meestal van koper en bestond uit een ossekop met uitgestrekte mensen-armen.
Wanneer men nu ging offeren, dan werd dit beeld gloeiend gemaakt, en, het kind dat geofferd zou worden, werd dan op die uitgestrekte armen gelegd.
Oók het volk van Israël liet zich vaak verleiden om deze afgod te gaan vereren. Leviticus 20:1
Voor het eerst wordt hier over gesproken tijdens de regering van Achaz: hij ontstak offers in het dal Ben-Hinnom en verbrandde zijn zonen met vuur in overeenstemming met de gruwelen der volken. Kronieken 28:3.
Zo óók Manasse, die deed zijn zonen ook in het dal van Ben Hinnom door het vuur gaan.2 Kronieken 33:6.
Zelfs de koning Salomo liet, onder de druk van zijn Kanaänietische vrouwen, voor de afgod Moloch een hoogte bouwen. 1 Koningen 11:7.
Later namen vele Israëlieten ook aan de gruwelijke offerdienst in het dal Ben-Hinnom deel. Jeremia 7:31.
Deze afgoden-beelden en afgoden-altaren werden later door de vrome koning Josia verwoest, en Josia verontreinigde Tofeth, dat in het dal Ben-Hinnom lag, zodat niemand meer zijn zoon of dochter door het vuur zou doen gaan. 2 Koningen 23:10.
Maar, de zucht naar de afgoderij was bij het volk van Israël zó diep geworteld, dat dit verwoesten niets hielp, en men, volgens de profeet Jeremia rustig verder ging en het dal Hinnom weer voor de afgodendienst gebruikt werd, zoals beschreven in Jeremia 7:31,32:
"Zij hebben de hoogten van Tofeth gebouwd, die zich in het dal Ben-Hinnom bevinden, om hun zonen en dochters met vuur te verbranden. Daarom zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat niet meer gezegd zal worden: Tofeth en dal Ben-Hinnom, maar: "Moorddal."
Met afgrijzen spreekt Jeremia het uit:" zij bouwden de hoogten van de Baäl die zich in het dal Ben-Hinnom bevinden, om hun zonen en dochters aan de Moloch te wijden." Jeremia 32:35.
Omdat in dit dal dus mensenoffers werden gedaan, noemden de latere Joden dit dal ook wel "Gehenna".
De naam Moloch, is naar alle waarschijnlijkheid een verzamelnaam van onder andere de god Kamos of Baäl, Milchom en nog vele andere heidense goden die door de volkeren in en rondom Palestina werden vereerd.
Het woord Tofeth, duidt dus een plaats aan in het dal van Hinnom, waar de dienst aan de Moloch werd uitgeoefend.
In deze plaats Thofeth bevond zich dan het "instrumentarium" dat voor deze dienst nodig was, en, waarvan wij een beschrijving vinden in Jesaja 30:33. "Want Tofeth is van gisteren bereidt; ja,hij is óók voor de koning bereid; Hij heeft hem diep en wijd gemaakt; het vuur en het hout van zijnen brandstapel is veel; de adem des Heren zal hem aansteken als een zwavelstroom."(oude Vert.)
Vertaling van K.Dronkert in het boek: De Molochdienst in het Oude Testament: "Want reeds lang van te voren is de topeth gereed gemaakt. Ja, zelfs voor een koning als deze. Diep en breed is haar houtmijt geschikt. Vuur en hout is er in menigte. De adem van Jahwe zal haar als een zwavelstroom in brand steken."
Uit het bovenstaande kunnen wij dus opmaken dat het instrumentarium van de Moloch een diepte is die in de grond of op een rots is uitgegraven of gehakt. In dat gat werd dan een hoop hout opgestapeld of een brandend vuur bijeengedragen zodat er een open vuur ontstond.
Wanneer wij ons verder gaan afvragen wáár nu Tofeth, de plaats van de Moloch-dienst in het Hinnomdal wás, dan vinden wij in de Bijbel twéé aanwijzingen:
1e: Het lag bij de Schervenpoort, Jeremia 19:2 die ook wel de Mestpoort wordt genoemd.
2e: in de profetie wordt gezegd, dat het ontwijd zal worden door een massa-begrafenis, en dús moet het een groot terrein zijn.
Hieruit volgt dus dat Tofeth was gelegen op een plaats waar het dal van Ben-Hinnom tesamen kwam met het Kidron-dal, namelijk in de dalketel van Silwan.
Dáár was dan de Tofeth, welks naam betekent: Afschuw.
De spelling Tofeth, waarin men de klinkers van het woord bosjet, dat wil zeggen "schande", kon horen, was bedoeld om aan dit woord een verachtelijke betekenis te geven van iets waartegen men spuwt.
Men deed dit, omdat de Wet voorschrijft: "De naam van ándere goden zult gij niet noemen; hij zal uit uw mond niet gehoord worden". Exodus 23:13, en: "Gij zult het ten sterkste verfoeien en verafschuwen". Deuteronomium 7:26.
In het Joodse boek Henoch, wordt gezegd dat het dal ten Zuiden van Jeruzalem de strafplaats is der verdoemden.
Dit dal is het dal Hinnom, dus, volgens de Hebreeuwse vorm: Ge-hinnom.
Omdat Ge-hinnom, dit Hinnom-dal, beschreven wordt als een moorddal, als een massa-graf, Jeremia 7:31,32; Jeremia 19:6,11, en in Jesaja 30:33, er sprake is van vuur, van een stroom van zwavel en van oordeel Gods, waarvoor de Targum, dat is: de Aramese vertaling, zonder meer "ge-hinnam", dat is: "de hel" noemt, en waarvan tevens ook in de Talmud gezegd wordt dat een poort ervan zich in het dal Hinnom bevindt, waartussen twéé palmen van rook opstijgen, is het woord in de vorm Gehenna, het symbool geworden van de plaats des verderfs.
Zo is er in Jeruzalem zowel de Sion, als de Gehennom.
Sion is de plaats van de gemeenschap met de Here God, alwaar Hij blinkend verschijnt.
Ge-hennom is het symbool van de plaats van de buitenste duisternis.
Sion is zegen; Ge-hennom is vloek; Sion laat wierook-galmen uitstromen, en Gehennom laat ons proeven, wat Jesaja 66:24, aan het einde nog niet kan nalaten om te noemen: "de lijklucht van de dood, de walm van een verdervend vuur."
Máár, in Jeruzalem is óók Golgotha en dóor dít Woord wordt een geestelijke band gelegd die ons aan Golgotha verbindt.
Het Hinnom-dal heeft nog een ándere plaats die een droevige beroemdheid heeft.
Dat is de Bloedakker, Mattheus 27:8, waarvan apostel Petrus getuigde:"dat stuk land heet in hun eigen taal Akeldama, dat wil zeggen: "bloedgrond".
Er wordt in de Bijbel geen nauwkeurige aanduiding van de plaats in het Hinnom-dal van deze akker aangegeven; men zal echter wél mogen aannemen, dat deze plek, door zijn eigenaardige naam én als een kerkhof voor vreemden, bekend was.
De vermelding: "land van de pottenbakker" in Mattheus 27:7, herinnert ons aan de profetie van Zacharia 11:13.
De naam: "land van de pottenbakker", wijst er echter wel op, dat dit een terrein was met leemhoudende aarde, die geschikt was voor de pottenbakkerij.
De profeet Jeremia daalde af "naar het huis van de pottenbakker" Jeremia 18:2, dit afdalen doet aan een dal denken.
De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus vermeld dat deze Bloedakker ten Zuiden van Jeruzalem aan de Zuidelijke helling van het Hinnom-dal gelegen was.
Aan de Zuid-West kant van het Hinnom-dal is een hoogte, die de "Berg des Bozen Raad" wordt genoemd, omdat daar, volgens de overlevering de Hogepriester Kajafas zijn zomer-residentie had en dat op die plaats de Raad samenkwam, Johannes 11:47, en, ook hier de Over-priesters en de Oudsten van het volk bijeenkwamen. Mattheus 26:4.
Tegenwoordig staat er op deze plaats wéér een paleis: eerst was dit paleis de residentie van de Hoge Commissaris in de tijd toen Palestina een Brits mandaat-gebied was; nú is in dit paleis de zetel van de United Nations-Commissie gevestigd.
Vanuit het Himmon-dal aan de Westzijde van Jeruzalem tot aan de Jaffa-poort, ziet men de stadsmuur, hoog en sterk, en men kan het met de dichter navoelen dat die muren het heerlijke symbool waren van onoverwinnelijkheid, Psalm 48:13,14, binnen deze muren waren de zegeningen van vrede en rechtszekerheid. Psalm 122:5.
Tot zover de beschouwing over het Hinnomdal.©sdj
Geraadpleegde lectuur: o.a. H.Bakels, beknoopt Bijbels woordenboek;