HET GEWETEN:

Een algemeen bekende en toch zó wonderlijke werkzaamheid van het zieleleven, is het geweten.

In het woord zélf, vinden wij het woord "weten", en, werkelijk houdt de taak van het geweten verband met "weten", namelijk met het weten wat goed of kwaad is.

Ook in ándere talen vinden wij verwantschap tussen de woorden die het "geweten" en "weten" noemen.

Het "weten" dat híer wordt bedoeld, is niet hetzelfde als het weten dat wij door studie verkrijgen, maar, het is het weten of onze handelingen goed of kwaad zijn geweest.

Zoals alles óm ons en ín ons wonderlijk is, zo is ook dit weten wonderlijk van oorsprong, en, de wijze waarop de mens dikwijls reageert op zijn daden, maakt de zaak veelal niet eenvoudiger.

Iemand, hetzij jong of oud, heeft een bepaalde daad verricht waarvan niemand getuige is geweest, maar, ná het volvoeren van die daad voelt hij zich zeer onrustig. Zijn hart klopt sneller, en, wanneer hij er aan denkt dat hij straks iemand zal ontmoeten, dan wordt hij beangst dat men aan zijn voorkomen zal kunnen zien dat hij verkeerd heeft gehandeld. En, kijkt men hem dan onopzettelijk aan, dan kan het bloed hem naar het hoofd stijgen en uit de blik van zijn ogen ziet men dan zijn innerlijke onrust.

Het geweten is dus een wonderlijke zaak, maar tévens een Goddelijk geschenk van onschatbare waarde.

Adam en Eva genoten van de vrucht van de boom waarvan de vrouw had gezien dat het als spijze een goede vrucht was; een lust voor het oog, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken. Genesis 3:6.

De vrouw at ervan en gaf ook haar man te eten; máár, de begeerde, en in beider ogen zo voortreffelijke en aangename uitwerking, werd niet genoten.!

Er ontwaakte echter iets in hen, waardoor het genot verdreven werd. Zij ontdekten, in plaats van de gehoopte winst, een geweldig verlies, en, toen zij de stem van de Here God, wandelende in de Hof, aan de wind des daags herkenden, tóen dreef een angstgevoel hen weg en verborgen zij zich voor het aangezicht van de Here God, in het midden van het geboomte des hofs. vers 8.

Hun GEWETEN had gesproken.!

Zij WISTEN dat ze verkeerd hadden gedaan, hoewel hun verstand hun had ingefluisterd dat de slang gelijk had gehad. Wij zien hier, dat verstand en geweten geen rechtstreeks verband met elkaar hebben.

Zij dachten dat zij juist gehandeld hadden maar een inwendige stem veroordeelde echter hun daad, en, wát hun verstandelijke overweging ook aan hen mocht voorspiegelen, die stem, die wonderlijke, die lastige stem wilde niet zwijgen.

De vrede die hun tot op dat ogenblik had vervuld met een gelukkig gevoel van gemeenschap met hun Formeerder, was verdwenen en had plaats gemaakt voor onvrede, voor onrust, die overging in angst toen de tegenwoordigheid van de Here God zich kenbaar begon te maken.

Het vonnis werd over de overtreders uitgesproken en de straf moest worden ondergaan, en, deze straf werd verzwaard doordat de beschuldigende stem niet wilde zwijgen.!

Bij elke nieuwe moeilijkheid die de bewerking van de akker opleverde; bij elk bezwaar dat Eva's zwangerschap haar veroorzaakte; bij het voortdurend ontberen van het éénmaal in overvloed gesmaakte in de Hof, sprak die stem: "Had gij maar gehoorzaamt.!"

Toen het éérste mensenbloed door broedermoord vergoten werd; toen Adam en Eva hun zoon Abel begraven moesten en Kaïn van hen wegging, een onbekende en duistere toekomst tegemoet, toen hield die geheimzinnige stem maar niet op om hen te verwijten: "Had gij maar gehoorzaamt.!"

Een verontschuldiging was er niet te vinden omdat uit het gesprek tussen Eva en de slang wel degelijk blijkt hóe nauwkeurig zij het verbod Gods kende.!

Máár, niet alleen kende zij het gebod, die inwendige stem die NA de daad beschuldigde, had vóór de daad ook niet gezwegen.! Tóen had deze stem geroepen: "Doe niet wat de slang u influistert.!" Maar door de verleiding die er van de slang uitging had zij die stem het zwijgen opgelegd.

De vrucht scheen voor de vrouw zó begeerlijk dat ál haar gedachten er op werden gericht. Zij hoorde de waarschuwende stem in haar binnenste éérst wél met onwil aan, maar weldra vernam zij hem niet meer.

Maar ach, NA deze daad der zonde zou de stem zich weer luid laten horen en ál het leed dat later gedragen moest worden, werd nog verscherpt door het roepen van het geweten: "Waarom hebt gij niet naar mij geluisterd.!?"

Zó was de waarschuwende stem die de Here God aan de mens als een hulp gegeven had als een behoedend middel tegen het kwade, tóch tot een straf geworden; en, tóch kunnen wij in deze straf nog weer de liefde Gods ontdekken want indien er een nieuwe verzoeking zou optreden, dan zou de droevige ervaring die was ontstaan door het niet luisteren naar de stem van het geweten, een krachtig wapen zijn om de verleiding te kunnen weerstaan.

De juistheid van het vorenstaande kan ieder mens bij zichzelf wel vaststellen, want het is ons allen weleens zo vergaan wanneer wij iets deden wat niet goed was.

Daarentegen kent een ieder, die iets goed heeft verricht, vooral wanneer dit goede gedaan wordt ná een overwinning op een boze influistering, óók het blijde gevoel dat ontstaat wanneer de innerlijke stem aan ons zegt dat wij recht gehandeld hebben.

Zó is het te begrijpen dat men spreekt van een goed en van een slecht of kwaad geweten. Omdat echter geen enkel mens volmaakt en zonder zonde is, is er niemand die de volle zegen van ene goed geweten genieten kan want élk éérlijk mens, die eerlijk wil zijn, óók ten opzichte van zichzelf, zal steeds min of meer bezwaard worden door de tekortkomingen die voorheen gepleegd zijn.

Het kwade geweten kan, door de herhaling van de boze daden, langzamerhand zó afgestompt worden dat men de inwendige stem steeds minder duidelijk waarneemt tótdat deze eindelijk verstomt schijnt te zijn. Van de ongelukkige bij wie dit het geval is, zegt men dat hij een gewetenloos mens is.

We schreven: "totdat zij eindelijk verstomt SCHIJNT te zijn."

Ja, meestal is dit maar schijn want zeer dikwijls ziet men dat mensen, die een leven van vreselijke zonden achter zich hebben, door de één of ándere gebeurtenis, bij voorbeeld door de naderende dood, of door schade die misdragingen van anderen aan hen toebrengen, plotseling met een onverbiddelijke duidelijkheid de stem van het geweten, die misschien wel vele jaren had gezwegen, opnieuw horen en dáárdoor soms tot wanhoop, ja, soms wel tot bekering worden gebracht.

Oók híerin zien wij de liefde van de Here God tot de zondaren, wat als volgt door Jesaja wordt gezegd: "De goddelozen hebben geen vrede."

Een ieder mens wenst voor zichzelf een zieletoestand die aan hem een innerlijke rust verschaft; dát zoeken óók de goddelozen. Het gevoel van onvrede dat hun bezielt, drijft hen om de vrede te zoeken. Maar jammer genoeg doet men dat meestal op een verkeerde manier want men laat zich meestal steeds meer met de zonde in door het najagen van verkeerde vermaken; door verstrooiing te zoeken in de drukke, dagelijkse bezigheden; door zich over te geven aan drankzucht of ontucht.

Temidden van al dat gedoe horen zij, vooral in het begin van zo'n manier van leven, dikwijls de inwendige stem, en, wanneer zij door ware vrienden worden gewaarschuwd, dan zegt de stem: "Uw vriend heeft gelijk, doe wat hij tegen u zegt."

De verleiding is echter te sterk en er ontstaat een strijd in het hart en dikwijls wordt de stem van het geweten het zwijgen opgelegd door dikke woorden en spottende taal die wel niet uit innerlijke overtuiging gesproken wordt, maar toch de stem van het geweten overschreeuwd.

Tenslotte zwijgt het geweten, misschien voor altijd, wanneer zij niet door één of andere schok gewekt wordt.

Dat het geweten van Goddelijke oorsprong is, dat zien wij duidelijk hierin, dat het ons dikwijls waarschuwt voor daden die ons nog niet als verboden bekend waren.

Dit bemerken wij het beste bij jonge kinderen die iets willen doen wat tot dusver geheel vreemd voor hen was en wat hun niet was verboden. Zonder dus het kwaad juist te onderscheiden voelen zij het als kwaad aan en, de ontstane strijd kan ten goede gestreden worden maar ook in een nederlaag verkeren.

Een machtig middel ten goede is de ervaring, reeds bij heel jonge kinderen aanwezig, dat het luisteren aar de stem van het geweten bij vroegere gelegenheden een aangenaam en vredig gevoel teweeg had gebracht.

Dat het geweten van Goddelijke oorsprong is, dat blijkt ook uit datgene was apostel Paulus ons leert; dat namelijk de heidenen éénmaal geoordeeld zullen worden naar hun geweten.

Paulus redeneert als volgt: Dat Israels Wet niet onbillijk was voor Israël, dat blijkt wel uit de daden der heidenen die zónder Wet dikwijls doen wat de Wet voorschrijft. De Wet bevat dus in haar voorschriften dat gene wat de mens van nature goed en billijk voorkomt. Zouden de heidenen daartegen nu zondigen, welnu, de dag des oordeels zal hen oordelen naar de ongeschreven wet in hun binnenste. Rom.2:12-16.

Tóch is het kennen van hetgeen de wil van God is, een machtig middel om recht en juist te handelen. De macht der verleiding schuilt immers in de onzekerheid of iets goed of kwaad is; wáárom mag dit of dat niet, waar ik juist zin in heb.?

Deze vraag komt telkens weer in allerlei vormen bij hen op, die in de verleiding komen. Wat goed en kwaad is moet ons zeer duidelijk voor ogen staan; en, de ervaring leert, dart, na zóveel eeuwen van zonden, de mens dat ion vele gevallen niet zelf kan beslissen omdat zijn oordeel vertroebeld is en de gewetens dikwijls afgestompt zijn.

Wat door de één als verkeerd wordt beschouwd, dat wordt door een ander zonder gewetensbezwaren gedaan; denk hierbij maar eens aan de zondagsheiliging.

Het is daarom voor de mens nodig dat er zedelijke geboden zijn die niet door mensen zijn opgesteld, maar die door Goddelijke openbaring aan ons zijn bekend gemaakt.

Wij moeten dus een geopenbaarde zedenleer hebben en deze moet aan de kinderen worden medegedeeld, want dán ontstaat er een bewustzijn van een absoluut goed en een absoluut kwaad.

Dan valt er niets meer te sjacheren maar men heeft zich dan bij zijn doen en laten te houden aan de wil van God; daardoor wordt het geweten versterkt en komt de verleiding tot ons met de schijnheilige vraag: wat voor kwaad er nu eigenlijk is aan datgene waartoe men verleidt wordt, en dán kan het, door de geboden Gods versterkte, geweten antwoorden: "Het Woord van God noemt het zonde en die wil ik niet bedrijven."

Door onjuiste begrippen kan men tóch iets verkeerd doen waarbij het geweten tóch goedkeurend spreekt.

Denken wij hierbij maar eens aan Paulus, die éénmaal, uit ernstige en godsdienstige overtuiging de Christenen vervolgde en wiens geweten hem niet alleen telkens gerust stelde wanneer hij slachtoffers maakte, maar dat geweten spoorde hem steeds aan om nieuwe slachtoffers te maken.

Wij weten, hoe, ná zijn bekering, zijn geweten hem steeds deze droevige zaken voorhield en hij zichzelf verweet, dat hij onschuldig bloed had vergoten zodat hij eigenlijk niet waardig was om een apostel te zijn.

Het geweten is een goed middel om ons te vrijwaren voor zelfoverschatting en geestelijke hoogmoed en zelfgerechtigheid.

Een ieder mens heeft in zijn levensboek wel één of méér bladzijden die men er liever niet in zou zien.

Apostel Petrus is mild ten opzichte van de Joden die de Heiland hebben vermoord. Zou dat niet voor een groot deel te danken zijn omdat er in zijn geweten gegraveerd stond: "Driemaal hebt gij de Meester verloochend.?"

Zijn eigen zonde maakte hem mild ten opzichte van anderen, en, wél had de Heer hem zijn zonde vergeven en hem, ná zijn val, als herder over Zijn kudde aangesteld, maar weest er zeker van, dat desondanks de bittere tranen die Petrus vergoten had, levenslang voor hem een bittere nasmaak gehad hebben.

De brief aan de Hebreeen spreekt er van dat de harten gereinigd worden van het kwade geweten door de Heilige Doop-(10:22)--, en dús worden ook díe zonden vergeven die gedaan werden toen het geweten door onkunde nog onjuist oordeelde.

Zó was óók Paulus van de zonde van de Christenvervolging bevrijd door zijn geloof aan het al betalend bloed van Christus, máár, tot waarschuwing voor hemzelf en tot aansporing van een mild oordeel over de zonde van anderen, blééf de stem van zijn geweten weerklinken.

Om ons te weerhouden voor zelfvoldaanheid bij een getrouwe plichtsbetrachting, waarbij het goede geweten tot valse gerustheid zou kunnen verleiden, zegt de Heer Jezus: "Wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: wij hebben slechts gedaan wat wij schuldig waren te doen."

Wij schreven hiervoren, dat, soms door een of andere gebeurtenis het sluimerende geweten opgewekt kan worden, en, dán kan het wel eens te laat zijn.

De dichter Potgieter zegt in één van zijn novellen: dat het geweten in een sterfhuis stem heeft. Dit is volkomen juist gezien, want hoe vaak verwijt men zich niet, wanneer een geliefde door de dood van ons wordt weggerukt, dat men voor de overledene méér had kunnen doen. Máár, dán is het kwade niet meer te herstellen, ook niet door mooie grafkransen en kostbare grafmonumenten.!

Het houden van de geboden des Heren is het énige en áfdoende middel om het geweten rein te bewaren en het bij de kinderen in te scherpen om een pantser te vormen tegen alle pijlen die de verleider op hen richt.