BEROUW

In nauw verband met het geweten staat het "berouw", waarvan de zwakste "spijt" en de sterkste vorm "wroeging" is.

Spijt voelt men wanneer er iets gedaan of verzuimd is wat men beter niet of wel had kunnen doen. Het kan ons spijten wanneer wij iets verloren hebben waarop wij zeer gesteld waren, wanneer wij iets hebben gebroken dat nuttig of mooi was of wanneer wij een concert niet hebben bijgewoond of wanneer wij iemand, voor zijn vertrek nog niet hebben kunnen spreken.

Het gevoel van een zekere ontevredenheid dat ons dan, in dergelijke minder ernstige zaken, vervuld, noemen wij "spijt".

Ontstaat dit ontevredenheidsgevoel echter door ernstiger zaken, waardoor het zich dan ook sterker doet gevoelen, dán spreken wij van "berouw". Wordt dit gevoel nu zó sterk dat het ons verdere leven bederft en ons geen ogenblik rust meer gunt, dán noemen wij dat "wroeging".

Deze toestand van de ziel ontstaat na het plegen van ernstige vergrijpen waardoor het geweten luid gaat spreken en niet meer tot zwijgen kan worden gebracht.

"Berouw komt ná de zonde", zo zegt het spreekwoord. Inderdaad is berouw een veranderde zienswijze met betrekking tot een gedane handeling, zodat men zich gedrongen voelt om het gestichte kwaad te herstellen of vergeefs wenst dat de daad niet was gedaan.

In de Bijbel vinden wij enkele uitspraken waarin wij lezen dat er bij de Here God berouw was.

Kan dan de Here God, Die toch Heilig is in de meest volstrekt zin, iets verkeerds doen.?

En, is het met Zijn onnaspeurlijke wijsheid te rijmen dat Hij iets verricht zou hebben waarvan de verkeerde gevolgen door Hem niet zouden zijn voorzien.?

Dán zou de Here God niet Heilig, niet wijs, en niet volmaakt zijn geweest.!

Wij lezen, dat de Here God de mens schiep naar Zijn beeld, en, verder, dat God al wat Hij had geschapen zeer goed bevond. Genesis 1: 27 en 31.

Dan lezen wij: "En de Here zag, dat de boosheid der mensen menigvuldig was op de aarde en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was. Toch berouwde het de Here dat Hij de mens op aarde gemaakt had en het smartte Hem aan Zijn hart; en de Here zeide: Ik zal de mens die Ik geschapen heb, verdelgen van de aardbodem, van de mens tot het vee, tot het kruipend gedierte en tot het gevogelte des hemels toe; want het berouwt Mij, dat Ik ze gemaakt heb." Genesis 6:6,7.

Ook vinden wij enkele malen in de Schrift vermeld dat de Here God berouw had van Zijn voornemen om de zondaren te straffen, en, dat Hij daardoor de aangezegde straf niet liet komen.

Toen Mozes van de berg afdaalde en zag dat Israël het gouden kalf had opgericht, sprak God tegen hem: "Laat Mij toe, dat Mijn toorn tegen hen ontsteke en hen vertere; zo zal Ik u tot een groot volk maken."

Ná deze bede van Mozes lezen wij: "Toen berouwde het de Here over het kwaad, hetwelk Hij gesproken had, Zijn volk te zullen doen." Exod.32:9-14.

Na de volkstelling door David, kwam de profeet Gad bij hem en stelde David voor de keus om uit drie straffen er één te kiezen. God liet toen, van Dan tot Berseba, de pest woeden waardoor er zeventig duizend mannen vielen. Toen de verderfengel Jeruzalem genaakte, BEROUWDE het de Heer over het kwaad en Hij zei tot de engel: "Het is genoeg; trek uw hand nu af." -2 Samuel 24:16.

Nadat Jona in Ninevé gepredikt had bekeerde het gehele volk zich en het BEROUWDE God over het kwaad dat Hij gesproken had hen te zullen doen en HIJ DEED HET NIET. Jona 3:9,10.

Jeremia getuigt, dat het omkeren van sommige steden door God Hem niet heeft berouwd. Jeremia 20:16.

Zo zegt ook Zacharia 8:14 dat het kwaad, dat God over Zijn volk gebracht had, Hem niet heeft berouwd.

Jeremia 4:28, zegt ons, dat God het kwaad, dat Hij over Juda had gesproken, zou doen komen: "Ik heb het voorgenomen en het zal Mij niet rouwen en Ik zal Mij daarvan niet afkeren."

Ten aanzien van de inzetting van de Zone Gods in het Hogepriesterlijk ambt volgens de ordening Melchizedek, staat er geschreven: "De Here heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen."

En, Numeri 23:19 en 1 Samuel 15:29 verzekeren ons dat: "God niets berouwen kan daar Hij geen mens is."

Oók apostel Paulus leert ons dat de genadegiften en de roeping Gods onberouwelijk zijn. Romeinen 11:29.

Is er nu in de aangehaalde Bijbelteksten geen ontstellende tegenspraak.? Het spreekt vanzelf dat die Bijbelteksten, die beweren dat God geen mens is, en, dat er bij Hem dus geen sprake kan zijn van berouw, de volkomen waarheid bevatten omdat zij geheel in overeenstemming zijn met de absolute heiligheid en wijsheid Gods. Dit is een onwrikbare waarheid.!

Maar, zijn de uitspraken die het tegenovergestelde beweren, dan onjuist, en is dus de Bijbel, zelfs in zulk een ernstige zaak, niet betrouwbaar.?

Maak u echter niet ongerust, want de Here Jezus heeft éénmaal gezegd dat het Woord Gods niet gebroken kan worden.

Dit zei Hij naar aanleiding van een zaak die tegenstrijdig scheen te zijn. Johannes 10:32-36.

Dus, moeten de teksten die Gods berouw toeschrijven, éven waarachtig zijn als de andere die berouw bij God uitgesloten achten.

Máár, hóe zit het dan.?

De beroemde Godgeleerde, professor Thiersch, een dienstknecht van de Katholiek Apostolische Kerk, schreef in: "Die Anfange der heiligen Geschichte". "God heeft geen reden om Zijn eigen werk te berispen, maar Hij heeft macht om het terug te nemen en Zijn verbond op te heffen en Zijn zegen terug te trekken. Hij is volkomen zalig en Zich zelve genoegzaam. Hij heeft Zijn schepselen niet nodig. Maar Hij vernedert Zich om met hen en voor hen te gevoelen. God heeft in Christus onze smarten meegevoeld en de H.Geest, hoewel Hij God is, wordt toch bedroefd wanneer de kinderen Gods zondigen. Destijds-(in de dagen van Noach nl.)--,was de Zone Gods nog geen mens geworden, maar tóch smarten Hem de misdaden en de ellende der, naar Zijn beeld geschapen mensen, aan Zijn hart. Ditzelfde leed vond een weerklank in de harten der kinderen Gods op de aarde. Die gelovige Aartsvaders hebben, evenals Lot, gelden, wiens rechtvaardige ziel door de werken der goddelozen gekweld werd. De toenemende verleiding te zien en het vergeefse strijden daartegen, was de aller grootste smart, een Goddelijke treurigheid. Daar werd God, in de Aartsvaders, bedroefd; zij gevoelden mede, wat de Zone Gods voor de zondaren gevoelt; zij dronken reeds tevoren uit de bittere kelk die Hem op aarde zou worden aangeboden."

Luther redeneert op dezelfde manier wanneer hij spreekt over het leed bij Abraham over het naderende onheil over Sodom en Gomorra en, de smart bij Samuel dat de Here God Saul heeft verworpen.

Dat zuivere menselijke gevoel bij deze Godsmannen komt voort uit de Geest Gods die hen vervulde, en, dús mogen wij deze smart aan God toekennen. Zó weende óók de Heiland over Jeruzalem. Er is dus goddelijke smart.

Wat de, naar Zijn beeld geschapen, mens doet, dat laat God niet onverschillig. Hij houdt Zich niet verre van een iegelijk van ons; dát werd ook door apostel Paulus aan de Atheners geleerd. Handelingen 17:24-28.

Dat er in onze voorstellingen zich iets menselijks mengen moet, dat spreekt vanzelf. De Here God heeft, als hoogste scheppingswerk, de mens voortgebracht die Zijn beelddrager zou zijn in wien dus Gods eigenschappen, Zijn macht, wijsheid en liefde, zich zouden openbaren.

Indien wij nu over God spreken en over Zijn handelen met het geschapene, dús. Vóóral met de mens, dan moeten wij ons uitdrukken met díe woorden die onze eigen zielstoestanden uitdrukken.

Daardoor ontstaat het gevaar, dat wij ons dan God menselijk voorstellen, en, waar onze gevoelens door de zonde, zelfs nog bij de heiligste mensen, min of meer onzuiver zijn, dan moeten wij er voor zorgen dat wij in Gods gevoelens niets menselijk leggen.

Zó is bij ONS berouw áltijd een verwijtend gevoel; dat is natuurlijk bij God uitgesloten want bij Hem is het een heilige reactie tegen de zonde of een heilige opvoedkundige maatregel wanneer Hij bij voorbeeld ter verbetering een toegezegde gunst moet terugnemen.

Dáárom kan God Zijn doen afhankelijk stellen van de daden der mensen, maar, Zijn denken en willen kan niet veranderd worden; Zijn Raadsbesluit staat eeuwig vast. Zijn beloften gaan gepaard met voorwaarden, van welker vervulling het al of niet vervullen van de beloften, afhankelijk is.

Aan het volk van Israël werden de zegen en de vloek voorgesteld, en het kon kiezen wélke weg het wilde bewandelen. Deuteronomium 11:26-28.

Als het volk de verkeerde keuze deed, dán zou er zéker in Gods hart smart, berouw zijn, zónder dat de Almachtige God Zich iets te verwijten had. Hij wil dat Hij door een volk dat Hem dient, vrijwillig gediend worden.

Wanneer dan de Heilige Schrift spreekt van berouw in Gods hart, dan drukt zij daarmede Zijn grote liefde voor de mens uit, de mens, die het goede had kunnen kiezen en daardoor dan zegen zou verkrijgen, terwijl de verkeerde keuze hem de vloek brengt waartoe Gods heiligheid Hem dwingt.

Bij de mensen is berouw een droefheid over een daad die door het geweten, die stem van God in ons binnenste, veroordeeld wordt; gelukkig is de mens die in staat is om gedaan onrecht geheel of gedeeltelijk goed te maken.!

Hebben wij iemand bedroefd door onze boze woorden of werken, dan kunnen wij, indien de bedroefde nog leeft, trachten om het weer goed te maken door het tonen van berouw en liefde.

Zacheus wilde, om zijn tollenaars-afzetterijen weer goed te maken, de helft van zijn goederen aan de armen geven en, indien hij bij iemand door bedrog iets had ontvreemd, dan wilde hij het aan de bedrogene viervoudig terug geven. In het hart van deze tollenaar was dátgene ontstaan wat door Paulus wordt genoemd: de droefheid naar God die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid. 2 Korinthe 7:10.

Die droefheid brengt de tollenaarsbede op de lippen: "O, God, wees mij arme zondaar genadig."

Vreselijk is het echter wanneer wij niet meer het door ons bedreven kwade kunnen herstellen.! omdat degene die het kwade is aangedaan is gestorven.

Het berouw begint te knagen en, wanneer wij ons dan tot de Here God wenden met een oprechte belijdenis van zonden, dan vergeeft de Here God zeer zeker het bedreven kwaad, maar, hóe gaarne zouden wij óók uit de mond van hém dien wij het kwade hebben aangedaan, hebben vernomen dat ook HIJ het bedreven kwaad heeft vergeven.!

Dit is dan echter onmogelijk en bij alle zekerheid, dat het bedreven kwaad door God vergeven is, blijft tóch de wroeging dat de ander u geen vergiffenis heeft geschonken omdat dat niet meer mogelijk was.

"De zon ga niet onder over uwe toornigheid" zegt de apostel ons ter waarschuwing in Efeze 4:26.

Want, wie verzekert ons dat wij de dag van morgen nog zullen beleven.?

Is er dus iets goed te maken, stel het dan niet uit want straks kan dit wel eens niet meer mogelijk zijn en dán blijft er een knagend berouw over: "had ik maar het hoofd gebogen en mij verzoend".

De Heilige Schrift geeft altijd zulke goede raad en al haar waarschuwingen zijn bedoeld om ons geluk te bevorderen voor dít, én voor het eeuwige leven.

De Apostel wist wat het betekende om bedreven kwaad niet meer te kunnen herstellen; hij had de Kerk des Heren vervolgd; zeker, zijn beweegredenen waren naar zijn beste geweten geweest want hij wilde God dienen door de uitroeiing van dat wat hij als gevaarlijk voor Israels Godsdienst beschouwde.

Maar, toen hem de schellen van de ogen waren gevallen, begreep hij wat hij misdaan had aan de onschuldige slachtoffers van zijn vleselijke ijver.

Zeer zeker wist hij, dat God hem zijn zonden had vergeven en hij pleitte alleen op het bloed des Kruises, maar, in zijn brieven bemerken wij hoezeer zijn geweten hem blééf aanklagen dat hij onschuldigen had laten lijden.

Ezau verachtte de zegen van het eerstgeboorterecht en, toen hem duidelijk werd wat hij had verspeeld, vond hij geen plaats des berouws hoewel hij dezelve met tranen zocht. Hebreeen 12:17.

Dít schrijft apostel Paulus ten aanzien van degenen die onverschillig staan tegenover de goederen des heils die Gods genade op de weg van het geloof wil schenken.

Op een onvergelijkbare schone manier schildert de apostel in de volgende verzen de heerlijkheid die God voor Zijn kinderen heeft bereid.

Wee u, indien u dit door onverschilligheid zou verspelen.! De ontdekking zou te laat komen en ook u zou geen plaats des berouws vinden al zoudt gij deze ook met tranen zoeken.

Lees eens het vervolg van de aangrijpende vermaning in dit hoofdstuk, dat zo ernstig eindigt met deze huiveringwekkende woorden: "Want onze God is een verterend vuur".

Laten wij dan deze waarschuwing opvolgen: "Laat ons de genade vasthouden door dewelke wij welbehaaglijk God mogen dienen met eerbied en Godvruchtigheid."

Na een kwade daad ontstaat het berouw en het geweten begint zijn heilzame werkzaamheid; maar, óók een ándere stem doet zich horen: de stem van de verleider, de mensenmoordenaar van de beginne.

Híj bracht, door prikkeling van de hoogmoed, het mensenpaar in het Paradijs ten val, en, hij laat niet na om de kinderen van Adam en Eva door hoogmoed te verblinden.

Spoort ons geweten ons aan om met berouw in het hart een bedreven kwaad te herstellen en aan een beledigde vergiffenis te vragen, dán fluistert de duivel ons in: "weest niet de minste; buig niet het hoofd en laat de ándere maar bij ú komen." Weest dan echter sterk en zeg: "Satan ga wég van mij."

Wedersta de boze en hij zal van u vlieden. Denk er echter wel aan, dat, zelfs indien wij aan een toestand van onvrede geen schuld hebben, dat Christus, de Volmaakte, tot ons zondaren, afdaalde.

Volg Zijn voorbeeld na en vergeef de schuldige zeventig maal zeven maal, wanneer hij bij u komt.

Christus navolgen kan nóóit tot ons nadeel, maar wél tot ons eeuwig heil strekken.