Doch de Here in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van grote wateren, dan de geweldige baren der zee.
Voorwaar, de Bijbel is een wonderschoon boek, en, de taal van de Bijbel is een zeer bijzondere taal omdat het de taal des Geestes is.
Het is dus niet omdat de statenvertalers, om maar bij onze Statenbijbel te blijven, zulke meesters in de taal waren dat de Bijbel nu, in onze tijd, op verschillende scholen, om zijn letterkundige waarde wordt behandeld, maar het is juist andersom.
Vele beelden en zegswijzen zijn toch immers aan onze Bijbel ontleend, en, hóe arm zou onze taal wel niet zijn wanneer wij niet hadden kunnen putten uit deze Bron van lévend, geestrijk water.
In het dagelijkse leven gebruiken wij enorm veel beeldspraak zónder dat wij er bij stilstaan, omdat het zo gewoon voor ons geworden is, en daardoor gaat er veel van de betekenis verloren.
In Genesis 49:9, waar Jacob zijn zonen zegent, staat: Juda is een leeuwenwelp.
Dit is beeldspraak, maar, zegt dit woord leeuwenwelp ons niet véél méér dan een breedvoerige karakterbeschrijving van Juda.?
Zegt het woord leeuw ons niet alles en worden wij dan niet vanzelfsprekend bepaald bij onze Heer en Koning, Jezus Christus, die DE Leeuw uit Judas stam is.!
En, hóe wordt daartegenover in vers 17 het karakter van het geslacht van Dan niet aan ons geschetst: Dan zal een slang zijn aan de weg.
Eens hebben wij zulk een slang gezien, glurend in haar hol en gereed om zich, bij het minste onraad, terug te trekken; maar wee de argeloze wandelaar die per ongeluk zijn hand in dat hol zou steken.!
Iets minder sterk dan de beeldspraak, Metaphoor, maar niet minder treffend, is de gelijkenis, of vergelijking.
Kijken wij bijvoorbeeld eens naar Psalm 72:16a; Er is een handvol koren in het land op de hoogten der bergen, de vrucht daarvan zal ruisen ALS de Libanon.
Het ruisen van de Libanon heeft dus indruk gemaakt op David, en, men moet al een zeer dode boom zijn wanneer men het verschil niet voelt tussen het verbolgen ruisen van de woedende golven, en het zachte geruis van de wind door de toppen van de cederbomen.
Laten wij echter voorzichtig zijn en niet ál te poëtisch worden want dan zou men ons zo licht kunnen misverstaan. Wanneer wij bij de bijbelstudies wel eens iets aanhalen, dan is het altijd de bedoeling om daarmede het geestelijke duidelijker te doen verstaan en te begrijpen.
Zouden de woorden van David dan óók geen díepere betekenis hebben.?
Zeer zeker, want David wil dít zeggen: Indien daar maar een klein beetje van het Woord Gods, en een beetje waarachtig geloof in ons hart, (dat hart, dat toch immers bij vruchtbare aarde vergeleken wordt in Lukas 8:15), dán zal de vrucht daarvan ruisen als de Libanon, dat wil zeggen: dan zullen de vruchten des Geestes aanschouwd worden.
Zó heeft alles in de natuur zijn eigen taal en alles heeft iets aan ons te zeggen.
Het komt er maar op aan dat wij die taal leren verstaan en begrijpen.
Hoorden Adam en Eva dan niet de stem des Heren aan het ruisen van de wind des daags.?
Niet voor, maar óók na de zondeval, Genesis 3:8, toen Adam en Eva gezondigd hadden en zij zagen dat zij naakt waren, hoorden zij de stem van de Here God en verborgen zich toen voor het aangezicht des Heren.
Het was dus geen onbekend geluid voor hen; máár, die stem die eerst zo liefelijk in hun oren had geklonken, die stem vreesden zij nú.
Is het niet Gods oneindig grote liefde, dat Hij Zich nog zó aan ons, mensenkinderen, wil openbaren.?
Hoe heerlijk heeft Hij Zich op deze wijze niet aan Elia geopenbaard. 1 Koningen 19:12,13.
Daar stond hij, de profeet, de Thisbiet, moedeloos en terneergeslagen,wachtende op de dingen die komen zouden .
En zie!, daar kwam een sterke wind, die de bergen scheurde en de steenrotsen brak.
Hoe zal de wind niet gehuild hebben door de spelonk waarvóór Elia zich had opgesteld. Nu zou het komen.! Maar nee, de Here was niet in de wind; óók niet in de aardbeving en óók niet in het vuur; máár, ná het vuur kwam er een suizen van een zachte stilte, vers 13, en het geschiedde, wanneer Elia dát hoorde dat hij zijn aangezicht bedekte met zijn mantel.
Tóen sprak de Heer tot Elia.!
In een andere vergelijking vinden wij dat de Schrift het rumoer van de volkeren vergelijkt met het bruisen van de zeeén.
In Jesaja 17:12, lezen wij: Wee der veelheid der grote volkeren die daar bruisen gelijk de zeeën bruisen; en wee het geruis der natiën, die daar ruisen gelijk de geweldige wateren ruisen.
Hoe treffend juist zijn deze vergelijkingen; wij zijn allen wel eens in een grote zaal geweest waar veel mensen bijeen waren.Hoe kon het dan, op sommige momenten, wanneer een ieder vrij kon praten en al die stemmen zich met elkander vermengden, of wij in de verte de golven van de zee hoorden ruisen in een gestage cadans; dan weer hard en dan weer zacht.
Welk een verschil kon er ook in die mensenstemmen zijn. Welk een verschil, of wij, bij de intocht van de koningin de aanzwellende jubel horen die als een vloed komt opzetten zodat het sommigen te machtig wordt, óf wanneer wij een blijde kinderschare horen jubelen.
Is het verschil niet even groot als het verschil tussen de storm op zee en het ruisen van de voorjaarswind.?
Indien nu de zee van stemmen van een volksmenigte reeds zó, als het ware overweldigd, hóe moet het dan wel niet geweest zijn voor de grijze apostel Johannes toen hij, verbannen zijnde op het eiland Patmos, zijn Goddelijke openbaring ontving en de stem des Heren mocht vernemen.?
Máár, laten wij Johannes dat zélf laten beschrijven: En ik was in de geest op de dag des Heren en ik hoorde achter mij een grote stem als een bazuin, zeggende: Ik ben de Alpha en de Omega, de eerste en de laatste; en: Hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek en zend het aan de zeven gemeenten die in Azië zijn, namelijk, voor Efeze, en voor Smyrna, en voor Pergamus en Thyatira, en voor Sardis en voor Filadelphia en voor Laodicea. En ik keerde mij om, om te zien de stem die met mij gesproken had; en, mij omgekeerd hebbende zag ik zeven gouden kandelaren, en, in het midden van de zeven kandelaren, Enen, den Zoon des mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel; en zijn hoofd en zijn haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw, en, zijn ogen gelijk een vlamme vuurs; en zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en zijn stem was als een stem van vele wateren.
Blijven wij nu bij onze vergelijking, dan zien wij, dat die ene stem des Heren sterker is dan die van vele wateren. (volkeren).
Dáárom zegt David in Psalm 29, dat wij eerbied en ontzag voor die stem zullen hebben: Geeft den Here de eer Zijns Naams, aanbidt de Here in de Heerlijkheid des heiligdoms. De stem des Heren is op de wateren, de God der ere dondert.
Maar, deze woorden spreken ons niet alleen van ontzag, zoals men ontzag heeft wanneer de elementen van de natuur uit hun evenwicht zijn en de bliksem de duisternis doorflitst en de rollende donder ons bij onze nietigheid bepaalt; nee, óók kunnen deze woorden ons geloof versterken wanneer wij de woorden des Heren beschouwen als het enige vaste en waarachtige woord waarop wij kunnen bouwen.
Dan vinden wij troost in de woorden van onzen Here Jezus, die Hij sprak tot Zijn apostelen in Lukas 21:25 en waarvan wij de vervulling meer en meer tegemoet gaan.
Zien wij dan niet op de aarde de benauwdheid van de volkeren en de twijfelmoedigheid dier allerwegen heerst.?
Zee- en watergolven maken een groot geluid, en, worden wij niet dagelijks getroffen door alarmerende berichten die als een noodklok het naderende onheil aankondigen.?
En dan, om dan tóch, ondánks dit alles, het hoofd ópwaarts te heffen, dát is het geheim van het gelovige kind van God. Lukas 21:28.
Wát dit groot geluid van zee- en watergolven is, dát leert ons Psalm 65:8 duidelijk, want daar zegt David, terwijl hij van de Here God spreekt: Die het bruisen der zeeën stilt, het bruisen harer golven, en het rumoer der volkeren.
Het rumoer der volkeren dat is dus het bruisen der zeeën.!
Welk een troost is het dan om te weten dat de stem des Heren geweldiger is dan het bruisen van de grote wateren, dan de geweldige baren der zeer. Psalm 93:4.
Het is ook niet altijd gelegen in de grootheid der stem en in het volume van het stemgeluid, of een woord van betekenis is of niet, en, of het werkelijk indruk maakt.
Wanneer wij ons Apostolisch-Getuigenis vergelijken met het geluid van andere Evangelisatie-bewegingen, hoe nietig is dan ons geluid.
En tóch weten wij dat dit getuigenis voor de Here liefelijk is en dat deze stem nog gehoord zal worden wanneer vele andere stemmen reeds verstomd zullen zijn, ja, dán pas zal het volle bazuingeluid van het Evangelie gehoord worden.
Daarom zullen wij niet angstig zijn, al verandert de aarde ook haar plaats en al werden de bergen verzet in het hart der zeeën.
Laat nú haar wateren nog maar bruisen; want, de beekjes der rivier zullen de stad Gods verblijden. Psalm 146:5.
Wát deze stad Gods is, dát vinden wij geschreven in Hebreeën 12:22.
Zalig zijn zij, die acht geven op het zachte gekabbel van de beekjes der rivier Gods.
De rivier Gods is vol van levend water.
Al is nú dan ook nog maar een vlieten van onder de dorpel, ééns zal het worden tot een grote stroom. Ezechieël 47:1-10.
Dán zal de stem van het Godsvolk zich verheffen en zal zijn als de stem veler wateren, en als een stem van een donderslag. Openbaring 14:2.
Moge ook onze stem klinken in dat koor en dat nieuwe gezang zingen tot eer van onzen God.