HET
FEEST VAN DE VIJFTIGSTE DAG;
Na de glorierijke Verrijzenis van de Heer, verkeerde Hij, zoals Handelingen
1:3 ons
vermeldt, veertig dagen met de Zijnen en deed vele gewisse
kentekenen en sprak met hen over de dingen van Gods Koninkrijk.
Hadden de Apostelen, vóór de Kruisdood, wanneer zij de macht van de Zoon des mensen in Zijn werken gadesloegen, uitgeroepen: "Wie is toch deze?".
Nóg meer hadden zij Hem bewonderd toen Hij, in Zijn verheerlijkt opstandingslichaam Zich op een zo geheel onverklaarbare wijze aan hen openbaarde.
Wáár verbleef Hij al den tijd wanneer Hij, gedurende die veertig dagen, hen aan de nodige rust van de slaap overliet.?
Hóe was Zijn kleding, en wát was Zijn spijze, die Hij wel niet nodig had, maar die Hij toch in de gesloten zaal voor hun ogen had genuttigd, terwijl de mededeling van Petrus aan Cornelius, dat de Apostelen ná de opstanding met Hem gegeten en gedronken hadden---Handelingen 10:41)---,er toch op wijst dat de verrezen Heer, ondanks Zijn verheerlijkten staat, een nog gedeeltelijk aards bestaan heeft geleid.
Méér dan vóór de Kruisdood, zullen de jongeren hun Meester met heilige bewondering en opmerkzaamheid hebben aanschouwd en aangehoord.
Toen zij nog vervuld waren met de gedachten aan Zijn aanstaande Messias Rijk toen hadden zij Hem dikwijls niet verstaan en begrepen en vele van Zijn belangrijkste woorden hadden maar nauwelijks in zich opgenomen. Maar nu zij, ná de Opstanding Hem in Zijn wáre hoedanigheid had doen kennen, nú luisterden zij gedurende veertig dagen tijdens Zijn verkeer met de Zijnen, oplettend toe, ook al was alles wat zij uit Zijn heiligen mond vernamen nog niet helder en duidelijk voor hen.
Hij had aan hen een schone belofte gegeven, als een herhaling van hetgeen de Heer reeds in de Paaszaal tot hen had gezegd over de Trooster, de Parakleet, Die Hij hun van de Vader zenden zou.
Hij gebood hen om niet van Jeruzalem te scheiden, maar daar te wachten op de vervulling van de belofte van de Vader.
Hij zinspeelde daarbij op een wonderlijk woord van Johannes de Doper, die van de Christus getuigd had dat Deze met vuur en de Heiligen Geest zou dopen en dat deze doop niet lang na dezen zou plaatsvinden.
En, toen de discipelen aan de Heer die van hen ging scheiden, vol belangstelling naar de tijd van de Wederoprichting van het Koninkrijk van Israël vroegen, toen kregen de discipelen naast een zacht verwijt, ten antwoord dat zij zich niet moesten mengen in de dingen die de Vader in Zijn eigenmacht gesteld had.
Maar, vervolgens toch ook weer een troostwoord in de bevestiging van de vuurdoopbelofte: "Maar gij zult ontvangen de kracht van de Heiligen Geest, die over u komen zal en gij zult Mijn getuigen zijn, zowel te Jeruzalem als in geheel Samaria en tot aan het uiterste der aarde."
Na deze woorden leidde Hij hen buiten, tot aan Bethanie en zegende de Zijnen nadat Hij, volgens Mattheüs, aan hen het doopbevel had gegeven dat in korte woorden de opdracht herhaalde die Hij ten aanzien van hun zending gesproken had.
De Heer steeg
hemelwaarts vanaf de Olijfberg, en, getroost door de woorden van
de twee, in het wit geklede mannen die aan hen verzekerden dat de
Heer zou wederkomen, keerden zij met grote blijdschap terug naar
Jeruzalem, ten allen tijde in de Tempel de Here God dankende en
lovende.
Zó besluit Lukas zijn Evangelie.
En nú was het in grote spanning wachten op datgene wat niet lang na deze zou geschieden.
"Niet lang" is in het Koninkrijk van God een bepaling, die voor ons wel eens onverklaarbaar schijnt te zijn, maar in dít geval was, zelfs naar mensenmaatstaven de wachtenstijd kort.
Slechts tien dagen zouden er, ná de scheiding door de Hemelvaart, voorbijgaan.
De God des Hemels zou tonen, dat er in Zijn omgaan met het volk van het Oude Verbond, een plan verborgen was dat op nóg grótere dingen zag.
De Godsdienst van Israël kreeg een voorlopig karakter en was gegeven om tot iets hógers te komen, want de Tabernakeldienst met ál zijn ceremonieën zag op Christus in Wien álles vervuld werd.
De offers waren het schaduwvoorbeeld van Hem, Die het grote offer zou brengen en de feestdagen van Israël zagen op de geestelijke vreugde voor het wáre Israël.
Het Paasfeest werd ingesteld opdat Israël steeds herinnerd zou worden aan de bevrijding uit Egypte, het land van de gevangenschap, profetisch zag het echter op de uitredding uit de macht der zonde door de dood van het Wáre Paaslam dat de zonden der wereld zou wegdragen.
Op de tweede Paasdag werd de gerstenoogst ingewijd door het aanbieden in de Tabernakel van twee gerstebroden waarna de gerstenoogst kon beginnen.Van dien dag af aan moest men vijftig dagen bijtellen en dán zou het einde van de tarweoogst worden gevierd, wederom door in het Heiligdom tweetarwebroden te offeren.
Zó werd nu het gehele leven in Israël gedragen door de gedachte dat de Here God de verzorger was van het aardse bestaan.
Later werd het Feest van de vijftigste dag nog aangevuld door de wetgeving op de Sinai te gedenken die vijftig dagen ná de uittocht plaats had. Daarbij werd het volk van Israël het wáre volk des Heren; dáár werd het een eigenlijke natie waar een theocratie, een Godsregering, zou heersen.
Het was niet toevallig dat de Zoon des mensen op het Paasfeest uit de doden verrees. De opstanding van de Heer verzekerde de Zijnen dat Zijn offer door de vader was aangenomen en dat de wáre vrijheid was aangebracht.
En nú zou een reeks van vijftig dagen volgen en dán zou de Kerk van Christus gegrond worden en zou Zijn volk het wáre Godsvolk worden.
Dit alles had dus een heel diepe zin.
Of de Apostelen, met de schare van 120 personen, dit toen reeds in de wachtenstijd wisten, dat is niet vermeld en dat is ook niet waarschijnlijk. De Here God voorzegt wel vele zaken maar nooit letterlijk.!
Hij wil altijd, door een wonderlijke vervulling, verrassen, opdat, wanneer deze komt, wij zullen geloven dat deze vervulling door Hem gewild is.Maar, dat er voor de schare van de getrouwen iets groots te gebeuren stond, dáárvan waren zij overtuigd.
Hoe zouden zij anders elke dag in de Tempel zijn geweest, lovende en dankende.?
Eén ding wisten zij zeker: het zenden van de Heilige Geest der belofte was afhankelijk van één voorwaarde, namelijk: "Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijne geboden en Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid, namelijk de Geest der Waarheid welke de wereld niet kan ontvangen want zij zien Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij ulieden en zal IN u zijn."---Johannes 14:15-17---.
En, aan déze voorwaarde: de Heer lief te hebben en Zijn geboden te bewaren, werd door de wachtende schare voldaan want wij lezen: "Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en het smeken."
En, toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak, vinden wij deze 120 mensen nog op dezélfde wijze te samen, want: "En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen."
Zij zullen zich waarschijnlijk wel in één der bijgebouwen van de Tempel hebben bevonden toen de geweldige gedreven wind zich liet horen en het gehele huis waar zij waren, vervulde, terwijl er verdeelde tongen als van vuur op aller hoofden werden gezien en het talenwonder zich openbaarde tot een eenparige verheerlijking van de Here God.
In velerlei tongen hoorden de feestgangers te Jeruzalem de grote werken Gods spreken en, omdat dit geschiedde door ongeletterde mensen, steeg de verbazing ten top.
Verslagenheid bij sommigen, overgaande in spotzucht, maar, bij de meesten het besef van bedreven zonden, maakte zich van de duizenden toegesnelde mensen meester, en, de krachtige prediking van Petrus en de anderen, bracht een massabekering teweeg, zodat drieduizend zielen Hém beleden Die door hén was verworpen en Wiens smadelijke dood onder hun toejuichingen had plaats gevonden.
De Kerk des Heren werd geboren en, hoewel, tot op onzen tijd aan toe belaagd door duizenden vijanden waarvan er vele zeer machtig waren, staat de Kerk tot op dezen dag want haar Stichter heeft gezegd dat de poorten van het dodenrijk haar niet zullen overweldigen, dat wil zeggen: de Kerk zal niet sterven.!
Steeds zouden er belijders gevonden worden, en, al zouden er tijden komen van een groot verval en een diep bederf, altijd zou er, volgens de profetie van Jesaja, een heilig zaad zijn: "En het tiende dat restte, is ook verdelgd, maar gelijk een tronk blijft staan waar terebint of eik zijn geveld, zo blijft er een heilig zaad als zijn wortel."---Jesaja 6:13, vertal.Petr.Canisius).
Zelfs het klimaat van Palestina geeft een schaduwbeeld van dat, wat de Kerk zou overkomen.De overvloedige regens in de herfst-de vroege regen)-maken het land geschikt voor het zaaien, daarna komt de tijd van het wassen, het groeien, maar die tijd zou door zijn droogte tenslotte de te velde staande oogst vernietigen, wanneer er niet in het voorjaar de spaderegen zou vallen om de oogst tot rijpheid te brengen.
De uitstorting van de Heilige Geest in de aanvangstijd was de vroege regen waardoor de wereldakker de goede zaden van het Evangelie kon ontvangen en tot ontkieming brengen.
Maar, er kwamen echter tijden van geestelijke dorheid en alles dreigde verloren te gaan.
Echter, volgens de beloften der Profeten zou er een spaderegen vallen zodat de wereldakker zijn oogst zou opleveren wanneer de tijd des Heren gekomen was.
Wij vinden zelfs een gebod om te bidden om die spaderegen: "Begeert van de Here regen ten tijde des spaden regens... en Hij zal hun regen geven voor ieder kruid op het veld."---Zacharia 10:1--.
Joël 2:23 voorzegd: "Hij zal u den regen doen nederdalen, de vroege en de spaderegen in de eerste maand en de dorsvloeren zullen vol koren zijn en de perskuipen van most en olie overlopen."
De vroege regen waarvan Joël spreekt, begon te Jeruzalem te vallen, Jeruzalem, waar over alle vlees de Geest werd uitgegoten, waar zonen en dochteren van het volk des Heren, profeteerden; ouden dromen droomden en jongelingen gezichten zagen; ja, ook over slavinnen en slaven zou de Heer Zijn Geest uitgieten.!
Niemand werd vergeten, want de Heer zou in Zijn liefde, toch immers voor ieder kruid regen geven.?
Welk een liefde wordt er door dit woord gepredikt.!Niemand wordt van de genade uitgesloten; kleine, schrale halmpjes zouden niet worden vergeten maar tot vruchtdragende planten opgroeien.
En, leert de ervaring het niet, welke rijpe vruchten er door het geloof tevoorschijn komen uit lieden die, omdat zij eens in de zonden leefden, slechts alleen maar verachting konden verwachten.
De kleinen naar de wereld hebben wonderen van geloofsliefde en geloofskracht laten aanschouwen, waardoor steeds het woord vervuld is dat de Here God in het zwakke Zijn kracht wil openbaren.
Omstreeks het jaar 1830 dreigde door geestelijke droogte en dorheid, de geestesoogst op de wereldakker verloren te gaan.Daar waren echter bidders om de spaderegen en een heerlijk verkwikkende regen daalde toen neder en er werd een grote vruchtbaarheid aanschouwd.De Heilige Geest openbaarde Zich, ná eeuwen, weer in de Kerk, de Kerk die haar roeping vergeten had.
Wonderen geschiedden, profetieën en tongentaal werden wederom gehoord; een heerlijk licht werd op lang vergeten waarheden geworpen; de Kerk verkreeg opnieuw haar Ambten en inzettingen van de ouden dag, en, náást de, van God gegeven gaven, brachten de be-weldadigde Christenen schone vruchten des Geestes voort.
Wél bleef zij maar een klein kuddeke, in aantal verre overtroffen door de menigte van haar vijanden en, de aartsvijand, de zielemoordenaar van den beginne, liet niet na om haar te belagen en te belasteren welke pogingen helaas niet zonder gevolgen bleven.
De lokkende wereld oefende een verkeerde invloed uit en door sommigen werd het woord van Jacobus vergeten: dat wie een vriend der wereld wil zijn, een vijand Gods wordt.
Geestelijk hoogmoed deed dwaalleringen ontstaan waardoor de naam der Kerk schade leed; er kwam een teruggang in de geestesgaven, een teruggang in geestelijke wasdom, in wonderen en tekenen.
Zullen wij nu echter versagen en bij de gebroken bakken blijven zitten.?
Nóg steeds geldt het woord om te bidden om de zegen van de spaderegen.
Nóg steeds geldt het bevel van apostel Paulus om te ijveren naar de beste gaven, maar het meest naar de gave van profetie; deze gave zal men begeren, niet uit hoogmoed om iets te zijn of te schijnen, maar langs de veel betere weg, de weg die de apostel ons in 1 Korinthe 13 voorhoudt: de weg der liefde die niet zichzelf zoekt, maar het heil van de naasten.
Wij zagen reeds, hoe de Heer aan het zenden van de Heiligen Geest een voorwaarde verbond.
Welnu, dat wij elkander aansporen om de geboden des Heren te onderhouden en liefde onder elkander te hebben, want, hóe kunnen wij nu de vervulling van de beloften verwachten wanneer wij, van onze kant, de gestelde voorwaarde niet nakomen.?
Wij wensen het, om de gaven des Geestes in de Kerk te bezitten, maar de Koning der Kerk wenst óók iets: Hij wenst, waar Hij gaven schenkt, van óns vruchten des Geestes.
"Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid." -Galaten 5:22--.
Laten wij dan allen naar deze geestelijke vruchtbaarheid jagen en dán zullen wij weer de geestelijke rijkdom en innerlijke wasdom ervaren, want Hij, Die het belooft heeft, is getrouw.©sdj