17.
DAT ER MEER DAN TWAALF APOSTELEN GEWEEST ZIJN.
Mattheüs 10:2-4:
1e: Simon Petrus, (Cefas): Matth. 4:18-20
2e: Andreas: Matth. 4:18-20
3e: Jacobus, broer van Johannes Matth. 4:21,22
4e: Johannes,zoon v.Zebedeüs Matth. 4:21,22
5e: Filippus, Johan. 1:44,45
6e: Bartholomeüs,=Nathaniël Johan. 21:2; 1:46
7e:Thomas= Didimus Johan. 21:2
8e. Mattheüs,(Tollenaar) Math. 9:9
9e. Jacobus=zoon van Alfeus en
10e. Lebbeus=zijn broer,toegenaamd
Thadeüs,zoals Markus hem
noemt. Mark.3:18
Lukas noemt hem: Judas: Lukas 6:16
11e. Simon Kananitus, de zeloot: Mark. 3:18; Lukas 6:15
12e. Judas Iskariot (de verrader) Luk. 6:16
Dat er dus twéé Judassen waren, blijkt uit Handelingen 1:13.
Judas Iskariot was toen reeds gestorven: Matth.27:5
Handelingen 1:21:26:
de 13e apostel Matthias
Oudtijds was het werpen van het lot een gewone zaak: Spreuken 16:33
Het beleid is van de Here.
De Heilige Geest was nog niet uitgestort en dus was deze, van God verordineerde wijze, volkomen verantwoord.
Handelingen 13:1-4:
de 14e apostel Barnabas.
Deze zijn geroepen door de Heilige Geest welke inmiddels op het Pinksterfeest was uitgestort.
Zo óók de apostel Paulus als de 15e.
Beiden waren apostel volgens Hand.14:14.
Romeinen 16:7:
de 16e apostel Andronicus
de 17e Junias. (deze beide waren beroemd)
1 Korinthe 1:12:
de 18e Apollos.
Cefas=Petrus: Joh.1:43.
Apostel Paulus noemt hier zichzelf en Apollos in een adem: 1 Kor.3:4-6.
1 Korinthe 4:6-9:
Apollos wordt hier als een apostel genoemd. Apostelen.
laatste, dat wil zeggen: de minste.
Galatea 1:19 + 2:9:
de 19e apostel. Jacobus.
De broeder des Heren, welke broers eerst niet in Hem wilden geloven:Joh.7:3-5; Luk.8:19-21.
als bekeerden: 1 Korinthe 9:5; Hand.1:14;
0ok wel "de kleine'' genoemd: Mark. 15:4O; Matth. 13:55;
Jacobus, de broeder van Johannes, was reeds overleden: Hand.12:2
Handel , -Z2.,2
2