24.
DE DOOP VOOR ONTSLAPENEN.
Deuteronomium 25:5.6:
Wanneer wij het genade-verbond met al zijn zegeningen hebben behandeld, dan zien wij dat dit niet alleen voor de levenden, maar óók voor de ontslapenen is.
De Heer is niet alleen voor de levenden in het vlees gekomen, maar óók voor alle mensen die reeds geleefd hebben en ook voor hen, die nog geboren zouden worden.
0ók de ontslapenen zijn voor God levend: Matth.22:32., en dáárom zegt Christus dan ook: "Die in Mij gelooft, zal leven al ware hij ook gestorven."
Zelfs wanneer men dus gestorven is, moet men dus geloven en de Heer aannemen om de genademiddelen eveneens te kunnen ontvangen.
Reeds in het Oude Verbond zien we de bemoeiďngen Gods met de ontslapenen, zoals blijkt uit ons tekstgedeelte betreffende het leviraats-huwelijk.
Dit huwelijk moest plaats vinden om de naam van de gestorvene te laten voortbestaan waardoor de erfenis van de overledene door zijn kinderen kon worden ontvangen.
Het leviraatshuwelijk is dus een plaatsvervanging.
De Grote Plaatsvervanger is Jezus Christus: Jesaja 55:5,6-, hier droeg Christus in ONZE PLAATS de zonden en de straf.
0ók Job 26:5, haalt, hoewel zeer dichterlijk, het geboren worden van de doden aan, nml.: "die onder de wateren,- volkeren,- zich bevinden en Christus dus nog aannemen."
Psalm 107:10-16, is profetisch een redding uit de dood, evenals 1 Petrus 3:19 wijst op de prediking van het Evangelie aan de geesten. (zie ook 1 Petr.4:6) nadat Christus drie dagen in het dodenrijk vertoefde.
Daarom kon apostel Paulus in 1 Korinthe 15:29 dan ook spreken van de DOOP VOOR ONTSLAPENFN.
Daniel 13:1-3:
Uit het 2e vers blijkt, dat óók diegenen die gestorven zijn, zullen opstaan en geoordeeld worden.
Wanneer staat Michael op ?
In het laatste der dagen: zie Mattheüs 24:4-13,
vrs.3: volharden= diegenen die geschreven staan in het Boek des Levens.
Michael=Jezus Christus Die door Zijn plaatsvervangend lijden de Zijnen in Zijn handpalmen heeft gegraveerd. (spijker door de handpalmen in het kruishout).
Christus heeft Zijn verlossingswerk overgedragen aan Zijn discipelen, (zie ook Lukas 10), dat wil zeggen, aan de leraars door hun werk hier op aarde,=de bediening der sacramenten, prediking=.
Deze leraars hebben velen gerechtvaardigd en zullen blinken als sterren.
Het werk van deze leraars, of ambten, is dus voor de Heer waarachtig en niet ijdel.
1 Kor.15:52-58,
Johannes 5: 21-29:
Door Jezus Christus, de Borg voor ons, wanneer wij in het Boek des Levens zijn geschreven, wordt onze naam niet uitgedelgd voor God de Vader, maar zullen wij leven.
vers 23: Men erkende in die dagen wel God de Vader, maar niet Zijn Zoon= Lukas 4:17,18= Zó is het óók heden, en zelfs nog erger, want men erkent nu veelal ook zelfs God de Vader niet meer.
Prediking éérst tot de levenden en daarná óók tot de doden.
Levenden en doden: =Abraham ; Izaäk; Jacob, zij leven allen voor God:
Lukas 10: 27,38; Lukas 23:42, 43.
"Heden met Mij in het Paradijs", =de moordenaar dus genade en mét Christus naar het dodenrijk omdat hij op de aarde het Evangelie niet had horen verkondigen.
Johannes 11: 25.26:
Het vlees vergaat, doch de Geest leeft door. Hier op de aarde altijd strijd van het vlees tegen de geest: Romeinen 7:24.
Bij de dood is deze strijd ten einde en leeft de geest welbewust verder in het dodenrijk:
Lukas 16:22-31; (Lazarus) (zie ook Openb.6:9-11).
Tussen Lazarus en de rijke man was dus een kloof, deze kloof is, door de zoendood van Christus, overbrugd geworden.=Psalm 107:16=, zodat het Evangelie in het dodenrijk gepredikt kon worden: 1 Petr. 3:19; 1 Petr.4:6, en Jesaja 61:1.
In Johannes 20:17 zegt de Heer nádat Hij was opgestaan: "Raak Mij niet aan”.
Christus was in het Paradijs geweest -(met de moordenaar)- en hieruit blijkt dus dat het Paradijs dus niet de heerlijkheid is want dáár was de Heer nog niet geweest.
De wetenschap, dat er leven is in het dodenrijk, mag ons in dit leven niet onverschillig laten, en, wij mogen dus óók niet zeggen dat we in het dodenrijk wel verder zullen zien.
Hebr. 6:4-8.
1 Korinthe 15:14-29 en 54.
vrs.20: Christus is UIT de doden opgewekt.
vrs.29: Waarom de levenden voor de doden dopen (zie de voorgaande verzen)
De geest leeft voort. Jezus Christus vekondigde het Evangelie en dus kon er verhoging plaatsvinden, en, als gevolg daarvan ontvangt men de witte klederen.
De levenden werden dus als plaatsvervangers voor de doden gedoopt. Dit was dus in de eerste Kerk een hele normale zaak. (denk aan de leer der dopen)
De macht van de dienstknechten gaat dus verder dan alleen maar de aarde.
Zie Mattheüs 16:19=de sleutelen van het koninkrijk der hemelen.
Hebreeën 11:40 (39).
Vrs.39: belofte verkregen =de Messias heeft ook voor hen de weg geopend.
vrs.40: Wij de levenden, zijn dus nodig als plaatsvervangers voor de gestorvenen.
De geloofshelden hadden niet die belofte,maar hebben tóch deel aan de verheerlijking.
Wij zijn dus nu in het genade-tijdperk met zijn genademiddelen.
Deze middelen worden tevens gebruikt om de geloofshelden, waaruit de wolk der getuigen
bestaat, in dat genadeverbond op te nemen,
Deze Godsgetuigen hadden geen uitzicht, maar zagen wel uit naar die genade: Ps.107:9-16. Tot de doden heeft het genadewoord der verlossing geklonken: 1 Petrus 4:6 en Johannes 5:25
zonder ons: zie 1 Kor.15:14-29, dat leerde ons dat de gestorvene door een vervanging op aarde nog gedoopt werd.
Dit houdt dus in, DAT ZE DE LEVENDEN NODIG HEBBEN OM IN DAT GENADE-VERBOND TE WORDEN OPGENOMEN.
Hoewel, niet tot de Bruid gerekend, zullen ze wel als aanzittende gasten aanzitten bij het Bruiloftsmaal: Matth. 8:11 en 0penb.19:6-8.
Zij zijn de wolk der getuigen: Hebreeën 12:1 en zullen tezamen met de Bruid de Heerlijkheid ontvangen: 0penb.7:4; 0penb. 9:10.
HET IS DUS VERBODEN OM CONTACT OP TE NEMEN MET, EN TE ONDERHOUDEN MET DE DODEN!!.
Deuter. 18:9-12; 1 Samuël 28:5,15; 1 Kron.10:13; (straf van Saul).