21.
DAT DE HERE JEZUS ZIJN APOSTELEN BOVEN ALLES EN OVER ALLEN STELDE, en,
TOEN DE GEMEENTE IN AANTAL TOENAM, PRIESTERS WERDEN GEROEPEN,
en
DIAKENEN WERDEN AANGESTELD,
Mattheüs 16: 15-19:
vrs, 15-17:
Het geloof aan de levende God is de grondslag van het geloof aan de Messias. Met deze belijdenis erkent Petrus de Godheid van Christus.
Langs natuurlijke weg komt men niet tot het geloof of de kennis van Christus.
Petrus spreekt hier als de woordvoerder van de apostelen.
vrs.18: De uitdrukking Petra, ziet hier op de voorgaande belijdenis van Petrus en verwijst tevens naar Efeze 2, waarin staat dat de Kerk van Jezus Christus is gebouwd op het fundament van Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste hoeksteen is.
Dat de Heer hier niet zegt dat Hij Zijn gemeente op Petrus zal bouwen, bemerken wij uit het verschil van de betekenis van deze woorden.
Petra: een gehele rots.
Petrus: stuk van een rots,ofwel belijder,belijdenis.
Petrus was niet onfeilbaar: Matth.16:22, 23; Galaten 2:11-14;
Niemand is heilig, maar kan wel geheiligd worden.
Poorten: kracht of sterkte: Psalm 147:12-20; (zegen binnen de poorten)
Sleutelen: macht: 0penb.20: 1-3;
Sleutelen: kennis: Lukas 11:52;
Mattheüs 18:18-20:
De opdracht om te binden en te ontbinden geldt niet a11één voor de schuldvergeving, maar voor al Gods heilszaken en genademiddelen: Luk. 22:2-9 en gold ook voor allen die later in Zijn dienst gesteld zouden worden: Johannes 17:14-21; (óók de apostelen Barnabas en Paulus)
Johannes 20:21-23:
"Zend Ik ook ulieden", met hetzelfde doel en dezelfde boodschap als de Vader Mij gezonden heeft, namelijk het Woord van God te verkondigen als de blijde boodschap van verlossing en genade.
Om dit te kunnen en te vermogen was het nodig dat zij de Heilige Geest ontvingen.
"Blies op hen", net zoals de Vader bij de schepping de mens het leven ofwel de Heilige Geest inblies.
Handelingen 2:42-45:
Volhardende in de leer: Evangelie;
Breking des broods: Avondmaal, Hand.1:8;
begeleid door tekenen en wonderen in de kracht van de Heilige Geest, door de apostelen.
Handelingen 4: 32-37:
Hier zien wij de vruchten van het geloof door de apostelen in gehoorzaamheid gepredikt. Maar, ook de eenheid, ontstaan door de eerste liefde; niet hakend naar het aardse, maar er afstand van doende; de opbrengst "leggende aan de voeten der apostelen" (zie ook de volgende tekst)
Handelingen 6:1-6:
Exodus 18:21: omzien naar kloeke mannen. (O. T.)
Numeri 18:1-7: de werkzaamheden hiervan. (O.T.)
N.Test.: De apostelen kregen het drukker met het eerlijk verdelen van die gelden dan met de verkondiging van het evangelie. Om aan dit probleem nu een einde te maken, waren deze zeven wijze mannen gekozen.
Dus, gekozen diakenen: zie ook Spreuken 16.
0ók in de verkiezing werkt God: 1 Timotheüs 3:9 ev,
Handelingen 8:12-27:
Hier staat de evangelist dus onder de apostel.
Filippus, die éérst tot diaken verkozen was, is later door de Heer tot Evangelist geroepen:Handel.21;8 en 10.
Handelingen 13:1-3:
Nadat de apostel Jacobus door Herodus gedood was, werden deze beide apostelen geroepen.
Profeten en leraars: 1 Korinthe 12:28.
In de gemeenten der gelovigen zijn de herders de leraars:
Efeze 4:11
Barnabas en Saulus werden tot apostel geroepen: Hand. 14:14;
Vasten: niet van spijzen onthouden, maar onthouden van de zonden: Jesaja 58:5,6;
Handelingen 19:20-23:
Timotheüs en Erastus waren óók dienstknechten. Wát Erastus was, dat weten wij niet, van Timotheüs weten wij dat hij waarschijnlijk Evangelist was: 2 Tim.4:4,5.
Tevens wordt hij nog in 2 Tim.4:20 genoemd.
Timotheüs was een geroepen dienstknecht
(naar de profeten die hem in dat ambt stelden). 1 Tim.1:18; 2 Tim.4:2-5;
welke óók de handen mocht opleggen: 1 Tim.5:22 (behalve voor de verzegeling).
en beleraars mocht aanstellen: 2 Tim.2:1,2; (diaken-evangelist)
Dat er in die dagen meerdere geroepen dienstknechten waren, vinden wij in: Handel.6:6b, en
Handel. 20:17 en 28.
0uderlingen of 0udsten:
In de Joodse Staat=een instelling van wijze mannen,die, met de Overpriesters het volk bestuurden: Matth.28: 11,12; Luk.7:3; Luk.22:66; Handel. 4:5-8; Handel. 22:5;
Handel.24:1;
Een, door de mensen gekozen ouderlingschap in de jonge Kerk van Christus: 1 Tim. 5:17; Titus 1:5; Handel.12:29,30;
Verkozen met handopsteken: Handel. 14:23;
Ouderling is de algemene naam van geroepen en gekozen mensen in verband met voorgangers en priesters: Handelingen 15:2, 4,6, 22-23; Hand.16:4; Hand.20:17 en 28; Hand.21:18;
Deze priesters: profeten, evangelisten, herders en leraars, waren aan de apostelen ondergeschikt.
Als geroepen dienstknechten mochten zij de handen opleggen. Jacobus 5:5.
0ok de apostelen Petrus en Johannes noemen zich oudsten: 1 Petr.5:1; 2 Joh.1 en 3 Joh.1;
Ouderling of oudsten, is dus een algemene verzamelnaam voor allen die
op enigerlei wijze voor- en in de gemeenten werkzaam en behulpzaam waren.
Efeze 2:19-22;
In deze verzen zien wij dus eigenlijk alles wat er bedoeld wordt in de voorgaande teksten van deze les, Alles dus samengevoegd tot een Heilige Tempel waarin de Here God Zich openbaart, evenals in de Oude Tempel.
Geestelijk gebouw: 1 kor.3:9;
Efeze 4:11-16: in de gemeenten der gelovigen, zijn de herders de leraars.
1 Korinthe 12:27-31:
Hier zien wij dus de rangorde: le. Apostelen, 2e profeten, 3e evangelisten, 4e herders en leraars.
Leraars: óók de diverse ondergeschikte bedieningen.
Eérst de ambten, daarna la het andere.
(zie ook Romeinen 12:5-8)